Het medisch onbehagen

Woede over de onwillige politiek dreef drie medisch specialisten in de armen van Pim Fortuyn. Als Tweede-Kamerlid voor de LPF proberen Fred Dekker, Milos Zvonar en Gerlof Jukema de Nederlandse gezondheidszorg `in oude glorie' te herstellen. Wie zijn deze artsen? `Er is hier sprake van ongegeneerde geldschraperij.'

Pim Fortuyn vond het geweldig. Hij had dit voorjaar drie medisch specialisten zover gekregen dat ze voor zijn partij in de Tweede Kamer wilden zitten. De problemen in de gezondheidszorg – wachtlijsten, bureaucratie – zouden niet alleen in de verkiezingscampagne tot de belangrijkste onderwerpen horen. Het zou, als de LPF het voor het zeggen kreeg, echt allemaal anders worden in de ziekenhuizen. Fortuyn zelf was er voor ,,de grote lijnen'', zei hij. Zijn drie mannen wisten wat er precies moest gebeuren.

Ze zitten nu samen in de fractie. Een hecht team vormen ze niet. Maar ze zijn wel alledrie lid van de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, een machtsfactor waar de politiek rekening mee zal moeten houden. Vooral ook omdat hun partijgenoot Bomhoff minister is van Volksgezondheid. ,,Ik weet zeker dat het bij hem overkwam wat ik zei'', zegt een van de drie artsen na het eerste overleg, vorige week, van de Kamercommissie met Bomhoff.

Uit hun optreden spreekt frustratie over de toestand in de Nederlandse gezondheidszorg die ze door en door kennen en waarin ze alledrie naast hun politieke werk actief blijven. Longarts Gerlof Jukema ergert zich aan de ,,beknotting'' van de persoonlijke vrijheid van specialisten door ,,ministeriële directieven'', cardioloog Fred Dekker wil een eind maken aan het systeem van vaste tarieven dat hem zijn hele loopbaan heeft dwarsgezeten, en anesthesist Milos Zvonar heeft het op de LPF-website over ,,de ondergang van de gezondheidszorg in dit land'' door het ,,zigzagbeleid'' van de overheid, en hij belooft de zorg ,,in oude glorie'' te herstellen.

Wie zijn die drie artsen-politici die nog liever vandaag dan morgen het hele bestel op de helling zetten?

Ze hebben volstrekt uiteenlopende achtergronden: de Nederlands-hervormde domineeszoon Jukema (43) uit Edam, de Zeeuwse boerenzoon Dekker (56) en de Tsjechische vluchteling Zvonar (65). Toch zijn er overeenkomsten in hun denken. Ze hekelen falende managers in de gezondheidszorg, zo blijkt uit eerdere uitlatingen, ze vinden dat artsen het weer voor het zeggen moeten krijgen in het ziekenhuis, en ze vertonen alledrie een grote drang om marktwerking in de zorg door te voeren.

Verbazing

Jukema heeft de kortste geschiedenis. Na zijn gymnasiumopleiding en een studie geneeskunde in Leiden specialiseerde hij zich in het Haagse Leijenburg-ziekenhuis tot longarts. Mensen die hem kennen zijn over het algemeen lovend over Jukema. Annemie Vints, nu longarts in Antwerpen, leerde Jukema kennen tijdens de opleiding en werkte zo'n acht jaar met hem in het Waterlandziekenhuis in Purmerend: ,,Hij is een goede longarts. Een integere man, met wie het goed mogelijk is om op een prettige manier van mening te verschillen.'' Want een mening heeft Jukema, en die uit hij ook. ,,Niet iedereen is daar even goed tegen bestand'', zegt Vints. Ze omschrijft Jukema ook als iemand die waarde hecht aan ethische discussies. ,,Dat komt voor een deel voort uit zijn gelovige achtergrond.'' De cafébrand in Volendam, waar hij als arts nauw bij betrokken was, heeft volgens Vints ,,diepe indruk'' op hem gemaakt.

Bijna niemand is verbaasd over zijn overstap naar de politiek. ,,Jukema had al eerder blijk gegeven meer te willen zijn dan alleen arts'', zegt Ruud van Betten, directeur van het Waterland Ziekenhuis, waar Jukema ook in het stafbestuur zat. Zelf zegt Jukema dat hij een `missie' heeft. ,,Dat had Pim Fortuyn ook, en dat sprak mij zo van hem aan.'' Jukema vindt dat het in de gezondheidszorg, ,,net als bij Albert Heijn'', gaat om ,,de bevrediging van behoeften'' van burgers. En de overheid bemoeit zich toch ook niet al te veel met Albert Heijn? Jukema vindt vooral dat er eind moet komen aan de vele fusies tussen instellingen, hij denkt dat burgers hun ziekenhuis in de buurt terug willen hebben. Jukema wil als politicus ,,dienstbaar'' zijn aan ,,de mensen in het land''. Maar misschien, zegt hij – en hij lacht hard – meldde hij zich ook wel bij Fortuyn, omdat hij een midlifecrisis had. ,,Ik heb een prachtig vak, maar ik wilde mijn vleugels uitslaan.''

Verbazing over hun stap naar de politiek overheerst wel bij mensen die Dekker en Zvonar van nabij hebben meegemaakt. Verbazing die ook ,,verbijstering'' wordt genoemd. Er is maar een enkeling die openlijk iets over Zvonar wil zeggen. Mensen die wel willen praten, mogen dit niet van hun ziekenhuisdirecties, die maar al te goed weten dat de LPF in de regering zit.

Als zoveel Tsjechen probeerde de anesthesist Zvonar (65) na de Praagse Lente in 1968 een bestaan op te bouwen in Nederland. Hij werkte aan de Universiteit van Leiden, en op 1 januari 1974 kreeg hij een aanstelling in het ziekenhuis Zonnegloren in Soest. Van tevoren had hij Zonnegloren gevraagd de afdeling anesthesie met een aantal investeringen op ,,het vereiste peil'' te brengen, zo schreef de Telegraaf in die dagen. Deze krant besteedde aandacht aan de Tsjechische arts, omdat er in het ziekenhuis een rel was uitgebroken. In september – Zvonar werkte er nog geen jaar – schreven dertien specialisten van Zonnegloren hun directie een brief over het functioneren van de anesthesist. Hij was een man van conflicten, die zelfs aan de operatietafel nog ruzie maakte, schreven zijn collega's. Het belang van patiënten zou door voortzetting van het contract met Zvonar ,,aanmerkelijk (...) worden geschaad.'' De directie van Zonnegloren steunde de dertien en schreef op 18 december 1974 dat de `toelatingsovereenkomst' met Zvonar per 30 juni 1975 zou worden opgezegd.

Daarop deed Zvonar zijn beklag bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de situatie in het ziekenhuis. Hij zei dat chirurgen in twee gevallen fouten hadden gemaakt met dodelijke afloop. In opdracht van justitie stelde de Inspectie een onderzoek in. Haar conclusie was dat er geen bewijzen waren voor `kunstfouten' die de chirurgen zouden hebben gemaakt. In oktober 1975 seponeerde het openbaar ministerie de zaak.

Zvonar had eind januari 1975 een kort geding gevoerd tegen Zonnegloren om de opzegging van zijn aanstelling aan te vechten. De advocaat van Zonnegloren bestreed volgens De Telegraaf dat Zvonar briljant was in zijn vak. Zvonar ging ,,op onduldbare wijze'' met zijn collega's om, zei de advocaat. Zvonar, zei hij verder, ,,nam niet deel aan wekelijkse stafbesprekingen, zelfs niet de belangrijke bespreking van overlijdensgevallen, deed niet voldoende vooronderzoek, wist niet waar de medische gegevens lagen, deed niet actief aan nabewaking, hield niet voldoende contact met andere specialisten, etc, etc.'' Zvonar verloor het kort geding, zijn baan was hij kwijt.

Jan Priem werd in 1986 directeur van het Lingeziekenhuis in Leerdam en trof daar Zvonar aan. De anesthesist werkte er sinds de late jaren zeventig, na zijn ontslag in Soest. ,,Een moeilijke man'', zegt Priem, ,,maar ook koploper als het ging om het maken van pret.'' Kwalitatief was er volgens Priem weinig op Zvonar aan te merken, ,,maar hij was onbehouwen, onhebbelijk tegen het personeel''.

Vanaf 1980 kwam het Lingeziekenhuis in een slepend fusieproces terecht met het Beatrix Ziekenhuis in Gorinchem. De twee anesthesisten uit Gorinchem, E. Kooijman-Piskorz en O. Karagözoglu weigerden Zvonar in hun maatschap op te nemen. Onderhandelingen leidden tot niets, en in juni 1988 legde de directie de drie anesthesisten ,,een tijdelijke werkregeling'' op, zo blijkt uit een directiestuk van 23 november 1990.

Externe adviseurs en onafhankelijke commissies bemoeiden zich ermee, en begin 1990 stelde de directie de Nijmeegse hoogleraar anesthesiologie prof.dr. J.F. Crul aan als tijdelijk mentor van de afdeling anesthesiologie. De vertrouwelijke rapportage van Crul is kritisch over het functioneren van Zvonar. De hoogleraar constateerde een ,,grote kloof'' tussen beide kampen, maar hij legde de schuld daarvan vooral bij Zvonar: ,,Zijn daden brengen hem steeds in conflict met de reeds aanwezige anesthesiologen.''

Anesthesiologische fouten had Crul, die een aantal weken in het ziekenhuis had meegelopen, niet ontdekt. Maar ,,de voorbereiding en informatie van de patiënten schiet te vaak tekort'', schreef hij. ,,Vooral dr. Zvonar maakt zich hieraan schuldig.'' De anesthesisten gaven weinig voorlichting en ze vroegen te weinig naar doorgemaakte ziekten, eerdere verdovingen die patiënten hadden ondergaan en specifieke overgevoeligheden. Het verbaasde Crul dat patiënten zelden door de anesthesisten werden afgekeurd voor een operatie. Dat wees volgens hem uiteindelijk deels op een ,,foutieve mentale instelling''.

Crul schreef in zijn rapportage ook dat ,,de vrees voor broodroof'' meespeelde bij de moeizame manier waarop de anesthesisten tot een werkverdeling kwamen. En het gebrek aan afstemming leidde tot problemen bij de opname van spoedgevallen, met name op vrijdag: ,,Vooral dr. Zvonar gaat als hij met zijn taak klaar is, vroegtijdig met weekendverlof zonder overleg met de andere collegae en is dan niet meer bereikbaar voor spoedconsult of dienstverlening.'' ,,Dit is mijn ogen onaanvaardbaar!'', aldus Crul.

Honds

Uit een visitatierapport van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) was al gebleken hoe het personeel over Zvonar dacht: technisch zagen ze hem als een redelijke anesthesist, maar ,,hij duldt geen inbreng, maakt denigrerende opmerkingen, stelt zich polariserend op tegenover de collegae en tracht het personeel tegen elkaar uit te spelen'', aldus het rapport. Het management noemde het gedrag van Zvonar tegenover zijn personeel tijdens die visitatie ,,honds''.

Net als in Soest eindigde het conflict in Gorinchem in 1991 met het vertrek van Zvonar. De ziekenhuisstaf verzette zich tegen de eenzijdige opzegging door de directie van Zvonars toelatingsovereenkomst onder meer uit angst voor precedentwerking. De anesthesieverpleegkundigen reageerden daar weer op door zich twee dagen collectief ziek te melden. Uiteindelijk kocht de directie Zvonar na stevige onderhandelingen uit voor een bedrag van circa 750.000 gulden.

Maar er was een groot tekort aan anesthesisten. De directie van het ziekenhuis in Kerkrade, die wist van de problemen met Zvonar in Gorinchem, belde de net vertrokken Tsjechische anesthesist in 1992 op om te vragen of hij voor 450 gulden per dag wilde komen waarnemen. ,,We moesten ons behelpen met de resten op de markt'', zegt gynaecoloog P. Bouckart, in die tijd `medisch manager' in Kerkrade. Bouckart zag Zvonar nauwelijks, ,,de technische assistent deed alles''. ,,Zvonar bracht de tube in bij de patiënt en dan was hij weer weg.'' Collega-anesthesist P. Mul uit Kerkrade neemt het op voor Zvonar: ,,Professioneel is Zvonar dik voor mekaar. Hij pakte alles aan, een vent die overal gezeten heeft.'' De vroegere directeur van het ziekenhuis, Frans van der Wiel, zegt dat het personeel ,,zeer ontevreden'' was over Zvonar. ,,Hij was bot tegen mensen. Een tweede punt was dat Zvonar in een kroeg met een collega over patiënten zat te praten. Ik heb veel door de vingers moeten zien door het tekort aan anesthesisten.''

Ook Zvonars verblijf in Kerkrade eindigde in de rechtszaal. Na twee jaar waarnemen wilde de anesthesist een vast dienstverband, maar de directie weigerde dat. Op 17 februari 1995 stelde het kantongerecht in Heerlen het ziekenhuis in het gelijk en verdween de anesthesist van de pay roll. De laatste jaren werkte Zvonar in de Reinaert Kliniek, een privé-kliniek in de buurt van Maastricht.

Zvonar was de afgelopen weken met vakantie in Turkije. Toen er vorige week crisis uitbrak in de LPF onderbrak hij die vakantie niet. Ondanks een aanvankelijke toezegging en herhaaldelijk aandringen van de krant liet een woordvoerder van de fractie deze week weten dat Zvonar niet inhoudelijk wenst te reageren. Cardioloog Fred Dekker was wel in Den Haag tijdens de crisis. Hij koos de kant van fractievoorzitter Wijnschenk. Via zijn vrouw Gerda de Vos, en later nog eens via de woordvoerder, meldt hij dat hij niet wil meewerken aan een vraaggesprek. De woordvoerder zegt dat Zvonar en Dekker ,,de rust naar buiten toe willen vasthouden''.

In 1978 begon Dekker hij aan de opleiding tot cardioloog, in het Antonius ziekenhuis, toen nog gevestigd in Utrecht. Zijn opleider, prof. Albert Bruschke, herinnert zich Dekker als een `enorme einzelgänger'. Hij kwam niet op vergaderingen, hij deed niet actief mee aan refereerbijeenkomsten over onderwerpen op het vakgebied en hij had nauwelijks contact met collega's. Bruschke vond hem ,,een redelijk goed cardioloog''. Hij was wel eigenwijs, ,,en soms wat vlugger tevreden dan je zou willen''. Maar Bruschke mocht hem wel. Hij vond het wel aardig dat Dekker ,,niet iedereen naar de mond praatte''.

Na zijn opleiding werkte Dekker korte tijd in Zeeland. Begin jaren tachtig vestigde hij zich in ziekenhuis Berg en Bosch in Bilthoven. Hij vormde er vanaf 1986 een maatschap met cardioloog Paul Kuijer. Berg en Bosch – een klein, regionaal ziekenhuis dat begin jaren negentig failliet zou gaan – werd ook toen al met sluiting bedreigd. Maar de cardiologen wilden hun afdeling uitbreiden en ze vonden dat er hartbewaking moest komen. ,,Fred Dekker heeft dat met een hoop zakelijke power en veel voortvarendheid aangepakt'', zegt Diederik Houwert. Houwert was in die tijd internist in de antroposofische kliniek Zeylmans-Van Emmichoven op het terrein van Berg en Bosch.

De directie van het ziekenhuis vond dat er geen geld was voor uitbreiding, en de cardiologen dreigden onmiddellijk met een rechtszaak tegen Berg en Bosch. Dat was, zou de directie ontdekken, de manier waarop Fred Dekker reageerde als hij zijn zin niet kreeg. De directie gaf toe: de hartbewaking kwam er, en de afdeling werd uitgebreid. Het ziekenhuis stelde ruimte en een deel van het personeel ter beschikking, de cardiologen betaalden zelf de aanschaf van apparatuur en de kosten voor extra personeel. Dekker en Kuijer berekenden die kosten zelf door aan patiënten en verzekeraars. Vanaf 1989 was dat verboden. De verzekeraars betaalden niet meer, en wat er nog wel was betaald werd teruggeëist. Jaren later, in 1998, dwong de Utrechtse rechtbank Dekker en zijn vroegere partner tot terugbetaling van een kwart miljoen gulden plus rente, een uitspraak die vorig jaar door het Gerechtshof in Amsterdam is bekrachtigd.

Internist Houwert zegt dat hij prettig samenwerkte met Dekker. Veel andere specialisten moesten weinig hebben van de antroposofische artsen. ,,Maar Fred Dekker'', zegt Houwert, ,,stond op een zakelijke manier voor ons open.'' Volgens Houwert gaf Dekker ,,zijn volle energie'' aan patiënten. ,,Maar hij deed weleens onderzoeken waarvan je dacht: moet dat nou wel? Maar dat was niet alleen bij hem zo.'' Meer verrichtingen betekende toen nog: meer geld voor de medisch specialist.

Dekker, zegt Houwert, vond dat de gezondheidszorg ,,in de markt'' moest worden gezet, ,,met de tarieven die erbij horen''. Houwert had bewondering voor de ideeën en het doorzettingsvermogen van Dekker. Maar hij noemt hem ook ,,rigide''. ,,Als verzekeraars niet wilden betalen, stond hij erop dat er betaald werd. Hij had geen oog voor de menselijke nood van patiënten.'' Houwert heeft een keer met Dekker gesproken over rekeningen van een patiënt. ,,Die konden echt niet, en het moest hem opgevallen zijn dat de patiënt het er moeilijk mee had. Maar hij was niet van zijn stuk te brengen.''

In 1992 ging Berg en Bosch failliet. Samen met Kuijer en een aantal andere specialisten en externe financiers probeerde Dekker een privé-kliniek op te zetten, onder de naam De Leijen BV. Het initiatief bleek niet haalbaar, en De Leijen, zo blijkt uit de faillissementsverslagen bij de rechtbank, ging failliet met een schuld van bijna 120.000 gulden. Datzelfde jaar opende Dekker privé-kliniek Medisch Centrum Viken, ook in Bilthoven. Het bracht de curator van De Leijen tot de opmerking dat Dekker profiteerde van door hemzelf veroorzaakte `wanprestatie'. Dekker maakte nu gratis gebruik van de `knowhow' voor het oprichten van een privé-kliniek, vond de curator. De zaak werd uiteindelijk geschikt.

Fietstest

In Medisch Centrum Viken vestigden zich Dekker en zijn collega Kuijer, die maar kort zou blijven, en ook huisartsen, een internist, een gynaecoloog en een röntgenoloog. De plaats van cardioloog Kuijer werd ingenomen door Angelika Lieve. De cardiologen hadden het druk, ze hadden zo'n 6.000 patiënten. In Berg en Bosch kwamen de meeste patiënten ieder half jaar voor controle, in de Viken kregen ze vaak ieder kwartaal een nieuwe afspraak. Ze werden uitvoerig onderzocht: er werd een elektrocardiogram gemaakt, en een echo, en ze deden de fietstest. De meeste patiënten vonden al die aandacht wel prettig.

Op 4 mei 1994 kreeg de Inspectie voor de Gezondheidszorg de eerste klacht over de behandeling van een patiënt van Dekker. Een arts schreef dat zijn schoonvader een hartinfarct had gehad en dat er een ,,absolute opname-indicatie'' was. Maar Dekker was hem eerst nog zelf blijven behandelen. Volgens de klager was er sprake van ,,kwalitatief gebrekkige zorg'' en ,,ongegeneerde geldschraperij''. De brief was voor de Inspectie aanleiding Dekker er op te wijzen dat hij in de Viken geen instabiele hartpatiënten mocht behandelen.

Dekker kreeg opnieuw problemen met verzekeraars. Er waren ziekenfondsen die geen enkele rekening van de cardiologen in de Viken meer betaalden. Patiënten kwamen daar soms pas na de onderzoeken achter. De secretaris van de huisartsengroep in Bilthoven, Ben Pater, schreef Dekker er een brief over, die ook terechtkwam bij de Inspectie. Huisartsen verwezen patiënten minder vaak door naar Dekker en zijn collega. Op 11 januari 1995 kregen ze daarover een brief van de inspecteur. Hij wilde hun ,,de vraag voorleggen in hoeverre het nog wel verstandig is om patiënten met acute en instabiele cardiologische klachten naar de heer Dekker te verwijzen''. Dekker stuurde meteen een advocaat op de Inspectie af.

In 1996 kreeg Dekker een hartinfarct, hij kon maandenlang niet werken. Cardioloog Lieve was weg. In haar plaats werkte nu Gé van Herpen, hij verving Dekker tijdens zijn ziekte. Begin 1997 was Dekker weer aan het werk. Hij en zijn vrouw hadden grootse plannen met privé-klinieken. Er werd een tweede villa gekocht, aan dezelfde weg als de Viken, waar kleine operaties verricht zouden moeten worden. ,,Dekker had plannen voor een heel netwerk van privé-klinieken'', zegt een betrokken ambtenaar in Bilthoven. Bij de Kamer van Koophandel in Utrecht liet Dekkers echtgenote Gerda de Vos op 15 mei 1997 zeven `nevenvestigingen' in het handelsregister inschrijven: de tweede villa in Bilthoven, maar daarnaast ook vestigingen in Rozendaal, Hoofddorp, Assen, Den Bosch, Terneuzen en Leusden. Maar uit nader onderzoek blijkt dat op geen van deze adressen de Viken ooit gevestigd is geweest. De `spookvestigingen' werden op 12 maart 1998 weer uitgeschreven. Volgens een ingewijde was Dekker bang dat alleen bestaande klinieken kans maakten op een vergunning. Toen de nieuwe wettelijke regeling voor privé-klinieken in februari 1998 van kracht werd, bleek dat niet het geval te zijn.

Het ging niet goed met de Viken. De zes andere artsen in de Viken stuurden in februari 1997 een brief aan Dekker. Ze schreven: ,,Men behoeft niet overscrupuleus te zijn om de indruk te krijgen dat in de Viken de indicatiestelling tot zekere verrichtingen soms zeer ruim genomen wordt.'' En: ,,Het is de hoofdoorzaak ervan dat geen enkele huisarts nog patiënten instuurt en het is niet onwaarschijnlijk dat het ook verzekeraars kopschuw maakt contracten aan te gaan met de Viken.'' De artsen hadden ook morele bezwaren: ,,De redenering dat als het niet uit de lengte (het aantal patiënten) kan, het maar uit de breedte (het aantal verrichtingen) moet komen, is natuurlijk ontoelaatbaar.''

In de zomer van dat jaar deed de Inspectie uitvoerig onderzoek in de Viken. In het visitatieverslag van december 1997 noemt de inspecteur de organisatie in de kliniek ,,ondoorzichtig''. Er was geen stafreglement noch een onafhankelijke klachtencommissie, er was ook geen toezicht op de directie, en de echtgenote van de oprichter was directeur. De inspecteur vond het zorgwekkend dat er geen afspraken waren ,,met naburige ziekenhuizen over patiënten voor wie accuut een opname is geïndiceerd''. Verder had de Inspectie ,,de indruk'' dat patiënten ,,onjuist of onvoldoende werden voorgelicht over de vraag of zorgverzekeraars de behandeling in het centrum vergoeden''.

Uit het verslag blijkt verder dat medewerkers de Inspectie hadden verteld dat Dekker te veel verrichtingen deed. ,,Ook zouden verrichtingen worden gedeclareerd die niet worden gedaan, zoals het doppleronderzoek van de perifere vaten. Ook zou het voorkomen dat onderzoek dat een normale uitslag te zien geeft als licht afwijkend in de status wordt gebracht, waardoor men tegenover patiënten reden heeft om de volgende keer weer zo'n onderzoek uit te voeren.''

Maria Bor, die al vanaf de jaren tachtig bij Dekker onder behandeling was, zegt dat ze in die tijd steeds vaker alleen in de wachtkamer zat. Haar verzekeraar deed niet moeilijk over rekeningen van Dekker, maar ze moest wel zelf ,,bijkomende kosten'' betalen. ,,Eerst betaalde ik tweehonderd gulden per keer'', zegt ze. ,,Daarna vierhonderd. Niet lang daarna werd het verhoogd tot zeshonderd, en op een gegeven moment was het achthonderd gulden.'' In de zomer van 2000 kreeg ze genoeg van die extra kosten. In korte tijd had ze die, na twee consulten, ook twee keer moeten betalen. Ze ging naar een andere cardioloog. ,,Die heeft mij twee keer grondig nagekeken en toen zei hij: `U heeft verder geen cardiologische hulp nodig'.'' Ze is nu negentig, ze woont in een verzorgingstehuis in Zeist. Maria Bor vindt dat ze is ,,beduveld''.

In de loop van 1998 kwam Dekker steeds verder in het nauw. De Inspectie vroeg cardioloog Rob Enthoven om een onafhankelijke beoordeling van een klacht van een van Dekkers patiënten. Enthoven stuitte op ,,enkele onnodige onderzoekingen'', en op een onderzoek dat dubbel was gedeclareerd. Dekker betaalde het bedrag terug. In november 1998 veroordeelde de rechtbank in Utrecht Dekker tot een boete van een kwart miljoen gulden en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. De Economische Controle Dienst had vastgesteld dat Dekker in zijn kliniek te hoge tarieven in rekening bracht. Vijf verzekeraars wonnen in datzelfde jaar hun civiele zaak tegen Dekker over te hoge rekeningen die nog betrekking had op zijn periode in Berg en Bosch.

Menko Jan de Boer, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologen, deed bijna in dezelfde tijd als Dekker de opleiding in het Antonius ziekenhuis in Utrecht. Hij vond hem sympathiek, collegiaal en ,,recht door zee''.

Vrijwel alle cardiologen in Nederland zijn lid van de vereniging. Maar Dekker niet, zegt De Boer. Begin 1999 meldde hij zich opeens wel aan, maar de vereniging weigerde hem toe te laten. De Boer: ,,Wij hebben toen letterlijk geantwoord dat we zijn aanvraag in beraad hielden `in afwachting van visitatie van uw kliniek'. Daarna trad er radiostilte in, hij heeft niet gereageerd.'' Visitatie, een onderzoek door de beroepsverening naar de kwaliteit van een kliniek, is nog niet verplicht. Nascholing wel, maar op het niet-volgen ervan staan nog geen sancties. De Boer zegt dat het ,,bijna niet mogelijk'' is zonder nascholing een goed cardioloog te zijn.

Of Dekker aan nascholing deed? De Boer kijkt het na op het secretariaat van de vereniging, en belt erover terug. ,,Hij heeft nooit een cursus van ons gevolgd, hij heeft geen punt gehaald. Ik weet niet wat ik daar nog genuanceerd over moet zeggen.'' In een later telefoongesprek is hij explicieter. Hij vindt het ,,belachelijk'', zegt hij, dat er in de Tweede Kamer, en in de vaste Kamercommissie volksgezondheid, iemand zit met de achtergrond van Dekker. ,,Daar hoort iemand te zitten van statuur, iemand die zijn sporen verdiend heeft in het vak, en bij Dekker is dat duidelijk niet zo. Ik ben bang voor deze ontwikkeling waarbij randfiguren opduiken en in posities terechtkomen waarin ze schade kunnen doen aan de gezondheidszorg. Dit zeg ik in alle openheid, en ondanks mijn aardige herinneringen aan hem.''

    • Petra de Koning
    • Jaco Alberts