Harm

Een week lang heb ik het gevoel gehad dat ik naar iets obsceens zat te kijken. Het was iedere avond Harm Ottenbros voor en Harm Ottenbros na. Op alle zenders en dus uiteraard ook bij Mart Smeets. Mart en Harm, ze struikelden bijna over hun wederzijdse ontroering. Dat ze dit nog mochten meemaken, zo gezellig samen in een prefab-huiskamer. Geil verdriet.

,,Tranen zie ik?

Valt van dit volk de rouwklacht?

Nog te vertrouwen?''

De ex-wereldkampioen van Zolder had, zo zei hij, zijn diaspora achter zich. Hij was nu weer van de samenleving, van de mensen, van het goede doel zelfs. En nog hoger: hij was van de kunst. Als pottenbakker had hij de ware zin des levens ontdekt. Het gaat niet om winnen, het gaat om dienen. De dichter zou zeggen: `Verknecht ben ik van binnen.'

Mart knikte dat het goed was. Ik had mijn twijfels.

Wat bezielde Harm Ottenbros? Zowat dertig jaar lang is hij afgeschilderd als de schlemiel van de natie. Niet in het minst door Mart en de zijnen. Een kermiscoureur die wereldkampioen werd, vervolgens van de ene valpartij naar de andere zwalkte, opnieuw kermiscoureur werd om uiteindelijk, als een pelgrim, halfgek van de hasj, de vergetelheid op te zoeken in de krochten van Europa. Harm de anti-held op de fiets: wat hebben we met z'n allen om hem moeten lachen.

De regenboogtrui voltooide de karikatuur. Ottenbros was in de jaren zeventig nauwelijks minder dan een scheldwoord. Nooit, nergens, heeft een poster van Harm in een jongenskamer gehangen. De wereldkampioen was de meest melaatse renner van zijn tijd. In stilte verbeet hij de pijn.

Dertig jaar vernedering, wat kom je dan nog zoeken bij Mart? Voor eerherstel is het te laat. De geur van de herinnering? Sommige exploten kunnen beter bestorven liggen in een grafkelder. Zelfs Hennie Stamsnijder weet dat, hem zie en hoor je niet. Misschien wilde Harm excelleren met een pedagogisch mandaat: alles komt goed! Maar dan nog, onder de mensen komen blijft in zijn geval een offer.

Of was hij verlekkerd door de NOS? Held voor één dag, daar lusten ze in Hilversum wel pap van. Zonder tragiek geen kijkcijfers. In het verval van de glorie woedt de felste concurrentie. Ruïneneurose is de motor van alle zenders. De Harm Ottenbros met een geamputeerd been zou nog beter zijn geweest dan de Harm Ottenbros met de droeve ogen. Ogen zijn te abstract als kijkcijferkanon. Een lichte vorm van dementie was ook mooi meegenomen. Alles van waarde is wazig, in Hilversum.

Van iemand als Gerrie Knetemann weet je: de prijs voor het hoge licht van het podium is nooit te hoog. De Kneet zou het liefst zijn eigen televisiezender beginnen. Hij zou dan op drie stoelen tegelijk zitten: journaallezer, weerman, cabaretier. Ook de dagsluiting zou hij voor zijn rekening nemen. `Doei mensen!' Maar Harm Ottenbros zit toch iets fragieler in elkaar. Verschemerd in verleden en toekomst, zou je denken. Zijn zachte stem wijst op enige schizofrenie van gemoed. Harm is existentiëler dan Gerrie.

Maar niet deze dagen.

Harm heeft zich laten verleiden om morgen in Zolder te komen gloriëren op zijn armoedige palmares. Uitgerekend op de plek waar hij uitgekotst werd als vlag op de galg wil hij nu over een bloementapijt lopen. Tussen de echte wereldkampioenen. Waarom toch? Om de kracht van zijn chique eenzaamheid te bewijzen? Voor het retrograde genot van heroïek? Hoe valt dat dan te rijmen met kunst en liefde voor gehandicapte kinderen?

Harm is de weg kwijt.

Eindelijk was hij stiller geworden dan zijn verleden. Eindelijk had hij de vloek van een trui van zich afgeschud. Eindelijk had hij de vermeende glorie ingeruild voor vrede, wie weet voor geluk. En nu, na al die moeizame veroveringen, gaat hij zich weer blootstellen aan de hoon van opportunisten, voyeurs en dealers in leedvermaak. Niet eens met uitzicht op de Nobelprijs voor een ondraaglijk moreel lijden.

Ik weet niet meer wie het zei, maar het is waar: wielrenners hebben geen talent voor eenzaamheid. Ze blijven maar jagen, stoempen en sprinten tot ze ingehaald worden door de dood. Harm Ottenbros is dertig jaar geleden gestorven. In Zolder, die bucolische enclave verscholen in het epos der vergankelijkheid: oude mijnterrils. Er is maar één excuus: Harm zal morgen gekust worden door twee bloemenmeisjes. Kom daar maar eens om, als zestiger.