Denken doe je met z'n allen

Wat maakt een denker tot een belangrijk filosoof? Het sociale netwerk van de intellectuele gemeenschap, zegt Randall Collins. Onzin, vindt Herman Philipse.

`Dit is het werk van iemand die verblind is geraakt door zijn eigen model', oordeelde afgelopen maandag de Leidse filosoof Herman Philipse. `Welnee, dit is juist een van de belangrijkste sociologische publicaties van de laatste jaren', meende daarentegen de Amsterdamse socioloog Johan Goudsblom.

Beiden spraken over de bijna 1100 pagina dikke studie The sociology of Philosophies. A Global Theory of Intellectual Change (1998), door de socioloog Randall Collins – tot voor kort vooral bekend als de socioloog die al begin jaren tachtig de ineenstorting van de Sovjet-Unie voorspelde. Op initiatief van Goudsblom en het sociaalwetenschappelijke magazine Facta gingen beide hoogleraren in debat en Collins vond dat de moeite waard om even uit Philadelphia over te komen.

De kern van Collins' adembenemende studie, waarin hij een overzicht geeft van de ontwikkelingen in de Westerse, Indiase, Chinese èn Japanse filosofie van de afgelopen 2800 jaar, is dat niet de eenzame grote geest, maar het sociale spel tussen filosofen onderling de bron vormt van filosofische creativiteit. Filosofische ideeën worden beroemd omdat ze precies op het juiste moment en op de juiste plaats in de intellectuele gemeenschap worden gelanceerd. En tragisch genoeg: het aantal centrale plaatsen in het netwerk is beperkt. In één generatie kunnen slechts drie tot zes filosofen ècht naam maken. Meer kan de aandacht niet bevatten: de zevende en de achtste filosoof wordt al gauw als een variant op de anderen beschouwt, hoe onrechtvaardig zo'n gelijkstelling ook mag zijn. Verder dan het midden van de twintigste eeuw is Collins dan ook niet gegaan: in die recente discussies ``in de mist van het bijna-heden'' is nog geen brandpunt te onderscheiden. Is Habermas echt een blijvertje? En Foucault? Afwachten maar.

De afbraak van de uniciteit van de Grote Filosoof gaat nog verder, omdat volgens Collins' nieuwe ideeën alleen ontstaan door recombinatie en bewerking van oude ideeën. Samenvoeging van verschillende stromingen, felle oppositie tegen een deel van het oude erfgoed maar acceptatie van een ander deel, alle varianten zijn mogelijk. De belangrijkste ontwikkelingen – vooruitgang wil Collins het niet noemen bestaan uit een steeds grotere abstrahering en wat Collins noemt goal displacement: verschuiving van het onderwerp van reflectie. Deze ontwikkelingen worden voornamelijk gevoed door de groei van het aantal mensen dat deelneemt aan de intellectuele discussie. Alleen door abstrahering en aftakking kan het `collectieve denken' de groeiende verschillen accommoderen. Ook wordt de ontwikkeling gestimuleerd door externe veranderingen. Bijvoorbeeld de stichting van de Bildungsuniversiteit in het negentiende-eeuwse Duitsland creëerde een geheel nieuwe infrastructuur voor het intellectuele debat, waardoor de Hegelianen ineens veel gemakkelijker de macht konden grijpen.

Eenzame grote denkers bestaan wel, maar die hebben hun socialisatie in het netwerk al achter de rug en ze weten daarom precies waarmee ze succes zullen hebben, zo legde Collins maandag nog maar eens uit, in antwoord op een vraag uit het publiek. ``De anderen die echt in eenzaamheid werken hebben geen invloed. Het zijn autodidacten die zich meestal baseren op problemen die 100 jaar eerder bediscussieerd werden in de filosofische gemeenschap. Ze produceren meestal uitsluitend cliché's.'' In zijn boek legt Collins uit dat nadenken ten diepste geïnternaliseerde conversatie is. ``Thinking is a fantasy membership play inside one's own mind. Het is een manoeuvreren om de beste symbolische beloning te verwerven, met behulp van energie afkomstig uit recente sociale interacties en uit anticipaties van toekomstige ontmoetingen.'' Uiteindelijk wordt je succes bepaald door je positie in het sociale netwerk van filosofen, die positie bepaalt de kracht van je ideeën. Je moet leerling zijn van een beroemd filosoof en veel beroemde filosofen kennen. Want alleen in de interactie met hen leer je het klappen van de zweep: hoe vang ik de aandacht van de andere filosofen. En dan nog: pas na een generatie of drie zal worden vastgelegd of je zult behoren tot de echt belangrijke filosofen, tot de tweederangsfiguren, of tot de mindere filosofen – of zoals meestal zal gebeuren: dat je volkomen bent vergeten.

wegpoetsen

Collins heeft de filosofie als moeder aller wetenschappen als onderwerp van studie genomen, maar volgens hem past zijn theorie op alle intellectuele arbeid.

De kritiek van Philipse afgelopen maandag concentreerde zich op twee nauw verwante punten: waarom zou het sociale netwerk de enige motor van filosofische gedachtenvorming zijn en je kunt toch niet het zelfstandig handelende individu uit de geschiedenis wegpoetsen.

Met de constatering van invloed van de sociale omgeving op de filosofie is natuurlijk niks mis, aldus Philipse afgelopen maandag, ``dat zou je zelfs een triviaal feit kunnen noemen''. Maar Collins expliciete claim dat het hier gaat om de oorzaak van filosofische ideeën is absurd. ``Natuurlijk moest Kant ergens het vak leren, maar dat hij een groot filosoof werd heeft ook te maken met zijn aangeboren talent, zijn wilskracht, intellectuele passie en dergelijke. De regels van het sociale spel kunnen de vorm bepalen, maar niet de inhoud. Het sociale netwerk is voorwaarde, geen oorzaak.'' De filosoof vergeleek het met het spreken van een taal. ``Je kunt gerust voorspellen dat kinderen die in Nederland opgroeien, Nederlands als moedertaal zullen spreken, maar hoe kun je voorspellen wàt ze in die taal zullen zeggen?'' En als Collins werkelijk een causaliteit te pakken heeft, dan zou het mogelijk moeten zijn om filosofische ideeën te voorspellen. En dat is logisch onmogelijk, verklaarde Philipse triomfantelijk. ``Want wie zo'n voorspelling maakt, formuleert in feite als eerste die ideeën. Die dan onmiddellijk een rol gaan spelen in het filosofisch debat. Met de voorspeller als auteur! Waarmee de voorspelling ontkracht is.''

Collins bleef onverstoorbaar. ``Natuurlijk bestaan individuen, maar waarom zouden we de geschiedenis van de filosofie in een theorie over het Zelf moeten proppen? Ik denk niet dat het niveau van lichamen en hersenen het juiste analyse-niveau is.'' En Philipse's voorspellingsparadox gaat ook niet op. ``Want het recombineren van ideeën gebeurt niet op het niveau van individuen, maar door het netwerk. Dat kan je dus als individu helemaal niet voorspellen. Je zou het wel door een simulatie op een computer kunnen doen, als je maar genoeg gegeven invoert. Hoewel je dan natuurlijk ook moet weten wat de externe invloeden op het systeem zijn. Die kunnen het proces flink verstoren.''

Goudsblom probeerde te bemiddelen: ``Er is eigenlijk maar één voorspelling mogelijk: dat we nu niet in staat zijn om de toekomst te voorspellen en dat dat ook in de toekomst zo zal zijn. In een voorspelling probeer je op te rekken wat je probeert te zeggen en in de sociologie kom je daar nu eenmaal niet heel ver mee.''

Tot een oplossing kwam het natuurlijk niet, op die zonnige maandagmiddag in Amsterdam. Of het moest zijn dat Collins ook zijn eigen theorie als een typisch voorbeeld presenteerde van combinatie van bestaande theorieën: die van de netwerksociologie en de sociologie van de culturele productie. Philipse zag dat anders: ``Ik denk dat Collins de felle intellectuele concurrentie aan Amerikaanse universiteiten projecteert op de hele intellectuele wereld.''

    • Hendrik Spiering