Democratie sneuvelt in oorlog van Bush

Kiezers in democratieën moeten voorkomen dat hun land in een permanente staat van oorlog wordt gebracht. Alleen dan kan de morele winst van het Westen worden behouden, meent de zich `Eurofiel' noemende Richard Rorty.

Een jaar na 11 september 2001 gaan de Verenigde Staten nog altijd voorbij aan de moeilijkste vragen die de ramp heeft opgeroepen. Zo heeft niemand bijvoorbeeld nog uitgelegd waarop de regering haar hoop baseert om doeltreffende voorzorgen te nemen tegen de komst van nucleaire of biochemische wapens in vrachtcontainers aan boord van schepen. De regeringsfunctionarissen in Washington beseffen vermoedelijk terdege dat de kansen op verdere terreuraanslagen waarschijnlijk door geen enkele voorzorg wezenlijk te verkleinen zijn.

Toch moeten regeringen tegenover hun burgers doen alsof ze iets ondernemen. Het gebruik van militair geweld in Afghanistan voldeed aan de behoefte bij het volk aan regeringsoptreden in antwoord op 11 september, maar het was niet genoeg, evenmin als de oprichting van een nieuwe ambtelijke instelling genaamd het ministerie van Binnenlandse Veiligheid. Dus wordt de laatste elf maanden via een gestage reeks cryptische uitspraken van president Bush en zijn kabinetsleden, en bewust lekken naar de pers, de indruk gewekt dat er een inval in Irak op til is. Maar de regering-Bush heeft niet eens geprobeerd om aannemelijk te maken dat de waarschijnlijkheid van terreuraanslagen door de afzetting van Saddam Hussein veel zal verminderen.

Op sommige dagen houdt Washington ons voor dat we Irak moeten aanpakken om redenen die er ook al voor 11 september waren en die geheel losstaan van deze gebeurtenis. Op andere dagen krijgen we te horen dat het plan om Saddam Hussein af te zetten onderdeel is van de `oorlog tegen het terrorisme' die op 11 september 2001 is begonnen. Geen van de twee argumenten om Irak aan te vallen is zodanig bepleit dat het een rechtvaardiging is voor het soort resolutie (gelijk aan een oorlogsverklaring zonder duidelijke grenzen in de tijd of geografische beperkingen) dat een willoos Congres inmiddels heeft aangenomen.

Ook zonder 11 september was het misschien wel zo geweest dat het gevaar om Irak te laten doorgaan met de bouw van wapens groter is dan het gevaar van de chaos in het hele Midden-Oosten die het gevolg zal zijn van een grootscheepse poging om een machtswisseling teweeg te brengen. Maar de regering-Bush hecht geen belang aan een pleidooi in deze geest. Het laatste wat ze wil is een oprecht publiek debat over dat wat er gedaan moet worden. Want zo'n debat zou een gevaar zijn voor de overtuiging die ze uit wil dragen – dat we al in oorlog zijn en dat aan de president daarom hetzelfde soort bevoegdheden en dezelfde handelingsvrijheid moeten worden toevertrouwd als Roosevelt in de Tweede Wereldoorlog kreeg. Vooral moet de president het recht hebben alles wat hij wil, geheim te houden – zelfs zijn redenen om zijn eigen tijd en plaats te kiezen om een oorlog te beginnen.

Het is in het belang van de Republikeinse Partij om een resolutie met alomvattende oorlogsbevoegdheden aangenomen te krijgen en te zorgen dat het land zichzelf zo lang mogelijk als `in oorlog' beschouwt. De mensen die in die partij de baas zijn – een verbazend inhalige en cynische oligarchie, met geen enkele belangstelling voor de rechten van de burger of het welzijn van de armen – zouden niets liever willen dan een terugkeer en oneindige voortzetting van de gemoedstoestand die in 1944 leidde tot de herverkiezing van Roosevelt voor een nooit vertoonde vierde termijn. De doorslag bij die verkiezing gaf de leuze `verwissel nooit de paarden halverwege de rivier'. Het is in hun belang om tot de blijvende militarisering van de staat te komen die wordt beschreven in Orwells `1984' en gesuggereerd door de titel van het laatste boek van Gore Vidal: `Eeuwige oorlog voor eeuwige vrede'.

De Democratische politici zijn doodsbenauwd. Zij zien de steunpercentages voor president Bush als een teken dat een weigering om in te stemmen met de voorgenomen oorlog tegen Irak van onvoldoende daadkracht tegen het terrorisme zou getuigen. De Democratische politici kunnen het volk moeilijk de waarheid vertellen: dat ze net als de Republikeinen geen flauw benul hebben hoe ze andere Amerikaanse steden voor een aanslag moeten behoeden. Geen van beide partijen vermag de kiezers openhartig toe te spreken. Geen Amerikaanse politicus kan toegeven dat ons militaire kunnen weinig uit kan richten ter vermindering van het gevaar dat onze steden komen bloot te staan aan onvoorspelbare en onafwendbare aanslagen door kleine non-gouvernementele organisaties als Al-Qaeda.

Democratische Senatoren of Congresleden die hun twijfel uiten over een nieuwe oorlog tegen Irak, kunnen erop rekenen dat ze door leden van de regering-Bush worden omschreven als slappe Eurofielen, onwaardig om een ambt te bekleden in een land dat eendrachtig het kwaad dient te bestrijden. Eurofielen als ikzelf zijn natuurlijk verheugd dat de Duitse kanselier Gerhard Schröder en andere Europese staatslieden dergelijke twijfel blijven uiten. Wij delen de bezorgdheid van de Europeanen over de verbazende arrogantie die de Amerikaanse onze regering tentoon heeft gespreid sinds het aantreden van president Bush. We zien met afgrijzen dat onze regering afstand neemt van de laatste restjes internationalisme à la president Wilson – getuige de weigering van onze regering ooit Amerikaanse soldaten onder vreemd bevel te plaatsen en ooit Amerikaanse oorlogsmisdadigers door een internationaal hof te laten berechten. Maar we hebben helaas wel het gevoel dat de Europeanen net zomin als wij weten wat ons te doen staat en dat veel Europese intellectuelen zich beperken tot kritiek op de Verenigde Staten zonder een idee te hebben over de verdediging van de beschaving tegen het terrorisme op lange termijn.

Europa heeft natuurlijk veel meer ervaring met terrorisme dan wij. Maar de Rode Brigades en aanverwante organisaties liggen inmiddels tamelijk ver achter ons. Megaterrorisme van het type 11 september heeft Europa nog niet meegemaakt. Waarschijnlijk zal dat niet zolang meer duren. Want de haat geldt het Westen als geheel, en niet alleen de Verenigde Staten. De mensen die het Wereldhandelscentrum hebben opgeblazen zouden het wel eens even bevredigend kunnen vinden om het Prado, de Eiffeltoren, de Potsdamer Platz of het paleis van Westminster op te blazen, of daar ziektekiemen te verspreiden. Het verschil tussen een onuitstaanbaar arrogant en stuitend rijk heidens land en een aantal kleinere, beter-gemanierde, iets minder rijke heidense landen zou wel eens weinig kunnen tellen voor degenen die het succes van Bin Laden willen navolgen.

Als de megaterreur inderdaad ook naar Europa komt, zal elke rechtse politieke partij die ten tijde van de aanslag toevallig aan de macht is, vermoedelijk dezelfde strategie volgen als de regering-Bush. Ze zal proberen een democratische republiek te vervangen door een nationale-veiligheidsstaat – waarin de inlichtingendiensten en het leger over de nationale prioriteiten beslissen in plaats van de gekozen vertegenwoordigers. Ze zal maatregelen invoeren die uiteindelijk zullen leiden tot een Orwelliaanse toestand van permanente oorlog. Elke linkse partij die toevallig aan de macht is als de rampspoed toeslaat, zal in de verleiding zijn hetzelfde te doen. Want links en rechts in Europa lijken geen van beide al te veel te hebben nagedacht over de vraag die de politici in alle rijke democratieën zou moeten bezighouden: hoe kunnen de democratische instellingen zodanig worden versterkt dat ze ook standhouden in een tijd waarin de regeringen geen binnenlandse veiligheid meer kunnen waarborgen?

Dat probleem is echt nieuw. Onze nieuwe vijanden zijn mensen die ver van onze grenzen opereren en die misschien wel buiten medeweten van de regering van het land waar ze zich toevallig bevinden, een atoombom of een biologisch wapen aan het maken zijn. Die kunnen ze dan in een container plaatsen die aan de andere kant van de wereld rechtstreeks van een schip in een spoorwagon wordt geladen. Daarna hoeven ze alleen nog maar te zorgen dat er iemand op een knop drukt als de trein in de juiste stad aankomt.

Bij gebrek aan een betere benaming noemen we deze nieuwe soort persoon een terrorist, maar we hebben eigenlijk geen vakje waarin hij past, en ook geen idee welke instellingen en praktijken het zal vergen om hem het hoofd te bieden. Leger en politie zullen niet volstaan. Het blijkt dat er maar enkele tientallen miljoenen dollars nodig zijn, en enkele mensen die bereid zijn zelfmoord te plegen, om een organisatie te vormen die het Westen tot wanhoop kan drijven. Zo'n organisatie hoeft het niet voor het zeggen te hebben in een nationale regering of daar zelfs maar banden mee te hebben. De rampen die rijke monomanen als Bin Laden tegenwoordig kunnen aanrichten lijken meer op aardbevingen dan op pogingen van landen tot gebiedsuitbreiding of pogingen van misdadigers om rijk te worden. Het is ons evenzeer een raadsel hoe we de volgende daad van megaterrorisme moeten voorkomen als hoe we de volgende orkaan moeten verhinderen.

Maar ook al kunnen we zulke aanslagen niet verhinderen, toch kunnen we ze misschien wel overleven. Misschien hebben we toch de kracht om onze democratische instellingen intact te houden, ook in het besef dat onze steden misschien nooit meer onkwetsbaar zullen zijn. Misschien kunnen we zelfs als 11 september jaarlijks wordt herhaald de morele winst behouden die het Westen de laatste twee eeuwen heeft geboekt – aan toegenomen politieke vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Maar dat lukt ons alleen als de kiezers van de democratieën voorkomen dat hun regeringen hun land in een permanente staat van oorlog brengen – dat er een toestand wordt geschapen waarin rechters noch kranten organisaties als de FBI kunnen beletten te doen wat hun goeddunkt, en waarin de meeste middelen van het land naar het leger gaan.

Richard Rorty is hoogleraar vergelijkende litteratuur en filosofie aan Stanford University.

    • Richard Rorty