Bloemrijke kaalslag

Blauwborstje en roodborsttapuit fleuren het landschap op. Bijeneters fladderen rond het Lauwersmeer, er loopt een griel in Friesland, kerkuilen bejagen de uiterwaarden. Het lijkt warempel of het weer goed gaat met de vogels.

`Zo'n rooskleurig verhaal is het niet', relativeert Fred Hustings van Sovon Vogelonderzoek. ``Er zijn weliswaar positieve ontwikkelingen – met veel tuin- en bosvogels gaat het goed – maar juist de kritische soorten doen het slecht. Heidevogels bijvoorbeeld: de klapekster broedt niet meer in Nederland, van de duinpieper zijn drie paren over op het Kootwijkerzand. Die soort raken we binnenkort ook kwijt.''

Hustings is één van de drie auteurs van het vorig jaar verschenen Avifauna van Nederland 2. Dat is een analyse en interpretatie van honderden publicaties over Nederlandse broed- en trekvogels. Hustings kan alle bedreigde soorten wel dromen: ``Het korhoen kwijnt weg op één laatste broedplek in Overijssel die met kunst- en vliegwerk in stand getracht wordt gehouden. De hei vermest, vergrast, verbost en wordt onder de voet gelopen door recreanten. Kale hei met zandige plekken is er niet meer, terwijl zangvogels als duinpieper en tapuit op kale grond voedsel zoeken. Wat natuurbeheerders daar tegen doen is afplaggen. Maar dat gebeurt zo grootschalig en machinaal, dat je er een vlakke en eenzijdige vegetatie aan overhoudt. Een mozaïek van kleine plekjes kaal, jonge en oudere hei, een greppel of kuil hier, een richel daar; dat maakte de hei zo waardevol voor insecten en voor kieskeurige en dus kwetsbare vogels. Korhoenderkuikens hebben bijvoorbeeld extensieve hooilandjes nodig om insecten te vinden, maar die hooilandjs zijn er niet meer in heidegebieden. Die kuikens gaan dus dood.''

De teloorgang van hun leefgebied is niet alleen een ramp voor de heidevogels, ook vogels van het agrarisch land zijn de klos. Akkervogel-onderzoeker Ben Koks, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en Sovon, bestudeert en beschermt de grauwe kiekendief in Oost-Groningen. Daar leeft een kleine populatie van een roofvogel die vijftig jaar geleden nog wijd verspreid was. Door samen met boeren de akkers kiekendiefvriendelijk te beheren, redt deze soort het daar. In de kiekendiefakkers leven ook de kwartelkoning, kwartel, veldleeuwerik, gele kwikstaart en paapje op. Het zijn soorten waarvan er in Oost-Groningen nog tientallen broeden, maar die in een halve eeuw uit de rest van het land nagenoeg verdwenen zijn. Net als de extensief bewerkte, kruiden- en insectenrijke akkers die niet om de haverklap gemaaid werden en waar die vogels afhankelijk van waren. ``Het gaat slecht met de voor Nederland karakteristieke vogels'', zegt Koks stellig. ``Alleen met enkele soorten die er op internationale schaal niet toe doen, gaat het goed. Als je je laat opbeuren door een stel kraanvogels in het Fochteloërveen, een slechtvalk op Schiermonnikoog of een zeearend in het Lauwersmeer, dan vergis je je danig. Een incidenteel broedgeval van een spectaculaire soort zegt niets over hoe het met de vogelstand gesteld is. Het gaat om de leefomgeving van vogels. Ons cultuurlandschap is achteruitgehold waardoor akker- en weidevogels verdwijnen. Er zijn altijd een paar opportunisten die van zo'n verslechtering juist profiteren. Ganzen bijvoorbeeld: in de winter komen die met honderdduizenden onze bemeste, 's winters doorgroeiende, eiwitrijke weilanden begrazen. Tegelijk is de patrijs verdwenen. Vroeger zag je er honderden, nu zijn ze echt zeldzaam. Ik zit vrijwel dagelijks in het veld en zie ze vrijwel nooit.''

forse dip

Volgens Fred Hustings van Sovon is de patrijs inderdaad uit grote delen van het land verdwenen. Sinds 1960 is hun aantal met meer dan 90 procent gekelderd. ``Je zou het tij nu misschien nog net met terreinbeheer kunnen keren, anders is het over twintig jaar gedaan met de patrijs'', voorspelt hij.

Een soort die in de jaren tachtig eveneens ten onder leek te gaan aan de intensieve landbouw was de roodborsttapuit. Die soort herstelde zich in de jaren negentig verrassend van een forse dip. De roodborsttapuit is een mooi zangvogeltje, waarvan het mannetje (zwarte kop, rode buik, zwart-witte vleugels) de hele zomer zingt in de top van een struik, boompje of paal in ruig, open terrein. ``In de jaren tachtig holde die soort achteruit'', zegt Hustings. ``Ik denk dat het intensieve berm- en slootbeheer hem de das om deed. Hij heeft rommelige greppels nodig voor zijn nest en voedsel. Dat hij weer vooruitgaat zou aan overloop vanuit natuurgebieden te danken kunnen zijn, waar de soort het goed doet. Ze broeden nu grotendeels in natuurgebieden, vroeger juist in cultuurland. Waar hij uit grote gebieden helemaal is verdwenen, zoals Zuid-Limburg, de Achterhoek, Twente en het westelijk rivierengebied, blijft zijn comeback overigens uit. Immigratie van buiten gebeurt kennelijk niet zo gauw.''

De roodborsttapuit wist misschien net op tijd van cultuurland naar natuur te verhuizen. Ligt er in natuurontwikkeling een kans voor bedreigde vogels? Ben Koks is daar heel somber over. ``Het herstel van de roodborsttapuit zou ook aan de situatie in het overwinteringsgebied kunnen liggen, zoals dat wel vaker gebeurt. Men juicht over de kleine en grote zilverreigers die ons land overspoelen. Dat zijn gewoon overschotten uit Frankrijk.''

In de natuurontwikkeling gaat het vaak om moeras: weer zo'n leefgebied dat jarenlang in de verdrukking zat. Maar tegenwoordig komen er overal nieuwe moerassen bij. Prachtige vogels als blauwborst en baardmannetje profiteren daar van. Maar hoeveel moeras er ook bijkomt, met de moerasvogels waarvoor het bedoeld is blijft het tobben: roerdomp, wouwaap, zwarte stern, grote karekiet: allemaal alarmverhalen. ``Dat komt doordat het riet meteen verruigt met wilgenopslag'', zegt Hans Peeters van Vogelbescherming Nederland. ``De bedreigde moerasvogels zijn kieskeurig. Alleen een groot gebied nat maken is niet genoeg. Er moet oud riet zijn als broed- en voedselplaats, en toch moet het soms gemaaid worden omdat het anders verlandt en verruigt. Er is in tientallen jaren tijd veel waterriet verdwenen. Dat maaien gebeurt nu nog te grootschalig; alles in één klap in plaats van stukje bij beetje.''

Peeters is het met Koks eens dat het juist met de in Europa bedreigde soorten slecht gaat. Van die Rode Lijst broeden 43 soorten regelmatig in Nederland. ``Ongeveer een derde daarvan zijn moerasvogels'', zegt Peeters, ``dus is het zo gek niet om het natuurbeheer daarop te richten. Vogelbescherming is met het Soortbeschermingsplan Moerasvogels begonnen, waarmee we moerassen zo willen beheren dat ze geschikt zijn voor bedreigde soorten als roerdomp en wouwaap.'' En dat, weet Peeters, kan zeker succes hebben. Neem nou de purperreiger, een moerasvogel waarmee het jaren bergafwaarts ging. ``In de Zouweboezem'', vertelt Peeters, ``een Zuid-Hollands moerasgebied, zat het landschap vast aan een oud pachtcontract. Het riet werd daar jaarlijks volledig gemaaid. Drie of vier jaar geleden liep het contract af en nu broeden er meer dan honderd paar purperreigers, 's lands grootste kolonie!'' De purperreiger had in de jaren tachtig te lijden onder droogte in zijn overwinteringsgebieden in de Sahel. Droge winters daar werden gevolgd door slechte purperreigerseizoenen in Nederland. Maar de regenachtige Sahelwinters van de jaren negentig resulteerden niet in een purperreigertoename hier. Waarschijnlijk lag dat aan de verruiging van de moerassen waar ze broedden.

Andere vogelsuccessen die Peeters noemt zijn grauwe gans (in 1965 één, in 1999 liefst 5000 broedpaar), aalscholver (sinds jaren zestig van 1150 paar gestegen naar 15 à 20 duizend paar), lepelaar, ooievaar, kerkuil en buizerd.

De ooievaar is het oude vlaggenschip van de Vogelbescherming. Vrijwel verdwenen in jaren zeventig werd de soort geherintroduceerd en gefokt. Na jaren getob met ooievaars die de fokstations niet wilden verlaten is de soort nu weer een regelmatig geziene gast in het hele land. Zeker 200 paren hebben de ooievaarsdorpen de rug toegekeerd. Ze keren terug op hun oude nesten terwijl ze ook nieuwe locaties veroveren. Maar het aantal jongen per paar is sinds 1980 gehalveerd van 3 naar anderhalf.

De kerkuil is in twintig jaar tijd van honderd paar geklommen naar 1718 paar in 1999, dankzij duizenden nestkasten. De muizenstand zorgt voor jaarlijkse fluctuaties en de laagvliegende muizenjagers worden vaak doodgereden door treinen en auto's.

Langs wegen en in spoorbermen is nauwelijks een paaltje te vinden waarop geen buizerd zit. ``Als je 25 jaar geleden had voorspeld dat de buizerd nu de talrijkste roofvogel van het land was en tot op de Waddeneilanden zou broeden, was je voor gek verklaard'', zegt Fred Hustings van Sovon. ``Er waren toen zo'n 2000 paar. Vanuit het oosten rukten ze op. Toen de bossen vol zaten, koloniseerden ze de polders en duinen. Die verbossen namelijk en er zijn dus steeds meer bomen te vinden voor een nest. Buizerds eten wat de pot schaft: Veel aas ook. Er zijn nu zowat tienduizend broedpaar.'' De havik nam in de jaren tachtig eveneens toe dankzij de uitbreiding van het bosareaal, maar neemt in de bossen op de zandgronden het laatste decennium juist weer af. Dat komt volgens zelfstandig vogelonderzoeker Rob Bijlsma door vermindering van het prooiaanbod van konijnen, kraaiachtigen, spreeuwen en vooral houtduiven.

rogge

Bijlsma is net als Hustings auteur van de Avifauna 2 van Nederland. De teloorgang van de houtduif op de zandgronden is inderdaad verbijsterend. Sinds daar de rogge plaats maakte voor maïs waarvan geen korrel op de akker achterblijft, is de houtduif er als broedvogel vrijwel verdwenen. Daardoor is de landelijke stand gehalveerd tot 200 à 300 duizend paar, ondanks toename in stadsuitbreidingen.

En dan de lepelaar, die sinds enige jaren in het logo van Vogelbescherming prijkt. Peeters: ``De lepelaar werd in de jaren negentig door vossen verjaagd uit sommige broedplaatsen en vond een goed heenkomen op de Waddeneilanden. Daar zijn geen roofdieren en vonden ze nieuwe voedselbronnen, zoals garnalen. De soort profiteerde ook van het minder vervuilde water en van uitbreiding van het moerasareaal.'' In de jaren zestig bereikte de lepelaarpopulatie een dieptepunt van ruim 150 paren. Inmiddels zijn er meer dan duizend paren.

Lepelaars mogen op de Waddeneilanden een met garnalen gedekte tafel vinden, de schelpenetende wadvogels kanoetstrandloper, eidereend en scholekster kampen op het wad met hongersnood. Theunis Piersma van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee NIOZ op Texel en de Rijksuniversiteit Groningen onderzoekt al jaren kanoetstrandlopers. Die pleisteren in de lente en nazomer op de Wadden, een deel blijft overwinteren. ``Kanoeten zaten altijd in de westelijke Waddenzee,'' vertelt hij, ``omdat ze daar veel voedsel vonden. Maar zodra ergens kokkelvissers waren geweest, verdwenen de kanoeten. Er zijn nu nog een paar kleine stukjes in de westelijke Wadden waar niet gevist mag worden en waar soms kanoeten zitten. De rest zit in reservaten in het oosten, omdat alleen daar nog wat te halen valt. Nu willen de schelpdiervissers ook daar vissen. Ze halen gewoon de hele Waddenzee leeg. Afgelopen winter merkten we voor het eerst het effect op de aantallen kanoetstrandlopers. In het westelijk deel van de Nederlandse Waddenzee telden we anders honderd- tot honderdvijftigduizend overwinterende kanoeten. Dit jaar waren dat er nog geen tienduizend. Uit de huidige aanwas- en sterftecijfers hebben we afgeleid dat de hoeveelheid kanoeten jaarlijks met 22% afneemt. Als dat zo doorgaat zijn er over tien, vijftien jaar geen kanoetstrandlopers meer over. En er worden gewoon weer nieuwe vergunningen verstrekt aan schelpdiervissers.''

Met de kokkeletende eidereenden is het volgens Piersma al even droevig gesteld. ``Al drie jaar gaan er `s winters veel meer eiders dood dan de gebruikelijke tweeduizend. Soms wel tien keer zoveel,'' zegt hij. Zelfs met de ooit zo talrijke scholekster is het droevig gesteld. ``Ze kunnen geen kokkels of andere schelpen meer vinden.'' zegt Piersma. ``De laatste vijf seizoenen zijn op Texel en Schiermonnikoog nauwelijks jonge scholeksters opgegroeid, laat staan dat ze de winter overleefden. In de jaren zeventig groeide hun aantal, maar nu zijn er zelfs vijftig- tot honderdduizend minder dan waarmee we ooit begonnen.''

De scholekster-problemen zijn behalve aan het schelpentekort op de Wadden ook te wijten aan het verdrogende agrarische land, waaruit ze geen wormen meer kunnen halen. Fijnproevers kunnen zich in een snel veranderende leefomgeving moeilijker aanpassen dan alleseters. Nu staat een scholekster niet als echte fijnproever bekend, maar in het razendsnel veranderde, moderne agrarische land is een vogel al gauw een fijnproever.

Neem de grutto, typerende vogel voor de Nederlandse weilanden, luidkeels zijn naam roepend op een paal, wormen opscharrelend in het gras of paniekerig rondfladderend bij de jongen: dribbelende donsbolletjes. Naar schatting broedde de helft tot driekwart van Europas grutto's in Nederland. Nu niet meer, want vooral de laatste jaren keldert het grutto-aantal alarmerend. Van de honderdduizend paar in de jaren zeventig is minder dan de helft over. Vaak krijgt de vos daar de schuld van, maar ook op de vosvrije Waddeneilanden gaat het slecht met grutto en andere weidevogels. Het bemeste weidegras groeit `s winters nog door, waar de ganzen blij mee zijn, maar wat vroege maaidata mogelijk maakt. Als de grutto-eieren al aan de grasmaaier ontsnappen, worden de kuikens wel verhakseld door de steeds grotere, snellere en bredere maaimachines die dag en nacht doormaaien. Volwassen grutto's hebben kort gras nodig voor de eieren. Hun kuikens willen juist lang gras. Hollend en springend plukken ze gemiddeld acht muggen en vliegen per minuut uit de hoge halmen. Hoog en laag gras naast elkaar, verschillende grassoorten, kruiden en insecten erin; kom daar eens om in het industriële grasland van tegenwoordig. Met alle weidevogels gaat het slecht; kemphaan en watersnip zijn in een paar decennia helemaal uit het boerenland weggevaagd.

optimistisch concert

Daartegenover staat de nieuw ontwikkelde natuur. ``In die nieuwe natuurgebieden strijken soms zeldzaamheden neer en dat is prachtig'', zegt Rob Bijlsma, ``maar het zegt niks over hoe het met de natuur of de vogels gaat. Iedereen blaast mee in dat optimistische concert van natuurontwikkeling en -compensatie. Daarbuiten gaat de kaalslag gewoon door. Ik ken uitstekende weidevogelgebieden in Friesland die verkaveld worden, terwijl ze elders met geld smijten om een paar grutto's te beschermen. Terwijl dat vaak niet lukt.'' Bijlsma windt zich het meest op over mensen die de mond vol hebben over nieuwe natuur, maar de bestaande niet weten te behouden.

Daar is akkervogelspecialist Ben Kok het helemaal mee eens. Het natuurbeleid deugt volgens hem niet. ``Er gaat al jaren veel subsidie naar boeren voor een kikkerpoel, knotwilg, houtwal, overhoekje of akkerrand. Geldverspilling. Niemand kijkt naar de kans op succes, het wordt niet eens geëvalueerd. Terwijl je op je klompen kunt aanvoelen dat vogels een natuurvriendelijk beheerd weitje, omgeven wordt door kilometers agrarische woestijn, niet snel vinden. Alleen daar waar bedreigde vogels het nog moeizaam volhouden, kan agrarisch natuurbeheer gunstig uitpakken.'' Koks heeft daar in Oost-Groningen veel succes mee. In het kielzog van de grauwe kiekendief houden allerlei broedvogels het alleen daar nog vol. En `s winters verdringen zich de roofvogels rond de akkers van het Oldambt. Het geheim? ``Insecten en zaden'', zegt Koks. ``Die worden door zangvogels en muizen gegeten. De zangvogels en muizen zijn weer stapelvoer voor roofvogels en uilen. En dankzij een terughoudend maaibeleid kunnen vogels er ook nog veilig broeden.'' Waarom is agrarisch beheer elders dan zo weinig succesvol? ``Als je alleen maar subsidie geeft voor wat losse maatregelen, bereik je niets. In Oost-Groningen zaaiden de tarweboeren eerst ook alleen feestpakketten in, met eenjarigen als gele mosterd, blauwe phacelia en rode klaproos. Dat zag er fleurig uit, maar uit angst voor overwaaiend onkruid ploegden de boeren de planten onder voordat ze zaad vormden. Daar hadden de vogels dus weinig aan. Ik suggereer niet dat we het voor vogels ideale akkerlandschap al kennen. Maar bloemenmengsels horen er niet thuis. Grasmengsel met verschillende soorten is het best voor zangvogels en muizen. Daarmee worden nu braakliggende velden en akkerranden ingezaaid. De boeren vinden het leuk dat er weer leeuweriken boven hun land zingen. Die soort is in Nederland gedecimeerd, behalve bij hen. In Oost-Groningen broedt de helft van alle leeuweriken in Nederland.''

    • Koos Dijksterhuis