Winter

Het was de afgelopen dagen alsof de zomer snakte naar een terugkeer. Laat me niet los, ik ben er nog, je weet nooit wat er komen gaat, leek hij te fluisteren. En hij scheen er, in een uiterste poging ons te overtuigen, onbekommerd op los. Vanachter glas leek het zelfs hartje zomer: een uitbundige zon aan een strakblauwe hemel.

Maar we wilden niet meer naar hem luisteren. We voelden dat hij zijn kracht had verloren en dat we zonder hem verder moesten. Op de terrassen van Amsterdam zaten alleen nog wat plukjes toeristen, die beseften dat je van een goedkoop ticket niet te veel mag verwachten.

Tegen het einde van de middag lag zelfs het terras van café

't Smalle op de hoek van de Egelantiersgracht er verlaten bij. Het is een klein terras en een van de meest geliefde van Amsterdam. In voorjaar en zomer zit het er tot laat in de avond vol met bezoekers, die een intiem uitzicht hebben over het met groen iepenloof overhuifde water van de gracht.

Hier vlakbij liet koningin Beatrix zich in gelukkiger tijden nog eens kussen door een ondernemende Amsterdamse jongeman. Hij had geen betere plek kunnen uitkiezen.

Maar op deze middag stonden er alleen nog twee verlaten parasolletjes op het terras. Ze vingen moeizaam het laatste, armetierige zonlicht op. Enkele tientallen meters verderop kroop een zwerfster, een plastic tas in de hand, achter een aan de grachtkant geparkeerde auto. Ze keek even om zich heen en hurkte toen neer, terwijl ze met een snelle beweging haar broek omlaag trok. Haar bovenlichaam duwde ze zover mogelijk naarvoren om zich tegen inkijk te beschermen.

Het was een tweeslachtige poging, want waarom ging ze uitgerekend op deze plek haar behoefte doen als ze liever niet gezien wilde worden? Vanaf een belendende brug en de overkant van de gracht was ze zo zichtbaar als een spin tegen een witte muur. Ze kwam weer overeind en begon haar kleding te herschikken, een heel karwei met al die dikke lagen van ondergoed, bloes, trui, vest.

Ze had zich al helemaal op de winter ingericht, de temperaturen konden haar niet meer écht verrassen. Een goed voorbeeld, besefte ik. Je kon wel over die vertrekkende zomer blijven treuren, maar het was hoog tijd om je op te maken voor de winter. Geen makkelijke winter, zoveel was duidelijk, en misschien was mijn weerzin daarom wel zo groot.

In mijn omgeving waren mensen die worstelden met de dood, en als zij het overleefden wat zouden ze dan te zien krijgen? Waarschijnlijk een oorlog die ons nog lang zal heugen. Bush is er niet meer vanaf te brengen, hij praat als iemand wiens besluit vaststaat. Hij is er klaar voor, het moet nou eindelijk maar eens gebeuren, lang genoeg gewacht. Wat bezielt hem? Oprechte bezorgdheid, of wil hij alleen maar zijn vader wreken?

,,We moeten voor eens en altijd het hoofd bieden aan de toenemende dreiging van Irak. De dagen dat Irak zich aan alle regels kan onttrekken naderen hun einde.''

Bij zulke taal dringt zich maar één woord op: oorlogswinter.

    • Frits Abrahams