Verdwaald in een familie

De kleine ruimte – dat is de ideale locatie voor de broeierige, incestueuze verhalen van Sabine van den Berg. In haar debuut, De naam van mijn vader (2000), liet ze meisjes in schuren en woonkamers vechten met machtswellustige en treiterige vaders en ooms. Ook in haar eerste roman, De lachende derde, is de belevingswereld van de ongeveer veertienjarige hoofdpersoon beperkt. Leda zien we vooral peinzend rondscharrelen in en om haar ouderlijk huis. Van vriendinnen of klasgenoten of buurkinderen is geen sprake. De roman als geheel maakt ook een wat autistische, steriele indruk: geen straatrumoer, geen actualiteit, geen politiek, geen openbaar leven. Je vraagt je onwillekeurig af hoe het verder moet en of Van den Berg zal volharden in haar laboratoriumachtige onderzoekingen, maar tot dusver werkt haar aanpak nog steeds.

Ze richt zich nu opnieuw op ongemakkelijke familierelaties. Vader, moeder, broer, oom, tante en neef: in deze beperkte kring speelt zich Leda's leven af. De vaderfiguur krijgt ook deze keer een dubieuze rol, terwijl de moeder, op een enkele agressieve uitbarsting na, schaapachtig toekijkt hoe haar puberdochter wanhopig probeert zich een houding te geven, tegenover hem en de rest van de familie.

Van den Berg slaagt er ook deze keer in haar lezers in die kleine kring vast te houden en tijdelijk van de buitenwereld af te sluiten, of ze nu willen of niet. Zij verstaat de kunst om een dierentuin, of zelfs een heel strand, in een benauwde ruimte te laten overgaan. Haar stijl is niet heel bijzonder, maar wel effectief: korte, prikkerige zinnen, die zeggen waar het op staat. Ook de manier van vertellen is hard en direct. We zien alles door de ogen van het meisje, dat wispelturig verslag doet van wat zij toevallig waarneemt of van wat er al even toevallig in haar opkomt. Huiveringwekkende scènes (het slachten van een kip met botte bijl, of het kielhalen van een kind met watervrees) worden op geen enkele manier aangekondigd en achteraf ook niet van uitleg voorzien.

Aardig is dat de sympathie deze keer niet vanzelfsprekend naar Leda gaat. Want hoe onschuldig is dit meisje eigenlijk? Hoe dubbelzinnig is de blik die ze op haar aantrekkelijke vader werpt? En hoe berekenend is zij in de omgang met neef Hugo? Houdt ze van hem, of gebruikt ze hem alleen voor liefdesexperimenten? Of om haar vader jaloers te maken? Zoals Leda niet zonder meer aardig is, zo is de vader niet uitsluitend onsympathiek. Weliswaar is hij een autoritaire kwast die malle bevelen uitvaardigt en er hinderlijke hobby's op na houdt, maar hij is ook beklagenswaardig. Zijn stoere macho-gedrag moet zijn ongewenste neigingen maskeren: zijn voorliefde voor jongens, voor neef Hugo niet in de laatste plaats. Hetzelfde geldt voor Hugo die zich als hetero voordoet, maar heimelijk verliefd is op zijn oom. Zodra het Leda duidelijk wordt dat zij in deze familiale driehoeksverhouding aan het kortste eind zal gaan trekken, bezint zij zich op wat haar te doen staat. Enkele behendige, maar uiterst geniepige manoeuvres in de kleine ruimte blijken afdoende om van vijfde wiel aan de wagen te promoveren tot lachende derde.

Sabine van den Berg: De lachende derde. Vassallucci. 160 blz. €16,95.

    • Janet Luis