Van de zomer leefde ik nog

NEW YORK/FRANKFURT/BERLIJN. Na een middagdutje, aan de vooravond van Grote Verzoendag, ontdek ik dat ik dood ben.

Waarschijnlijk ben ik in mijn slaap gestorven.

Alles ziet er nog precies hetzelfde uit. Mijn schoenen zijn nog altijd ongepoetst, onder het bureau ligt een grote stapel oude kranten. Ik had eigenlijk meer verandering verwacht.

Dus ook de dood blijkt een illusie.

Zelfs de telefoon gaat nog over. Het is de werkster die vraagt of ze een dag later kan komen. Om haar niet aan het schrikken te maken, ze heeft het moeilijk genoeg, zeg ik dat dat geen probleem is.

In de badkamer observeer ik mijn gelaatstrekken. Bleek, maar dat was ik altijd al.

Dit is de straf, tot het eind der tijden tandenpoetsen.

Als de schemering inzet loop ik naar een hotel om de hoek om wat te eten. Niet dat ik honger heb, meer uit gewoonte en nieuwsgierigheid.

Ze hebben me vergeten te begraven. Of te cremeren. Ik weet niet wat de bedoeling was. Het zal wel een reden hebben. Niet iedereen heeft recht op een plaatsje onder de grond.

In de lobby van het hotel kom ik de familie Bartner tegen. Tot mijn verbijstering zien ze mij. Ik word zelfs omhelsd. Iemand schreeuwt in mijn oor: ,,Waarom heb je de hele zomer niet één keer gebeld?''

Van de zomer leefde ik nog, maar ik was wel veel op reis. Afwezig. Vakantie is eigenlijk ook een vorm van dood zijn.

,,Eet met ons mee'', zegt mevrouw Bartner, ,,maar je moet wel voor jezelf betalen.'' Ze duwt me in de richting van het restaurant.

Ze heeft haar haren geknipt, dat komt haar uiterlijk ten goede. Haar man loopt krommer dan twee maanden geleden en ook toen liep hij al behoorlijk krom. Er is maar één zoon aanwezig, hun twee andere kinderen doen vandaag niet mee.

Ook de ober ziet mij.

Ik heb altijd wel geweten dat er mensen waren die doden zagen, maar ik wist nooit dat het er zoveel waren.

,,Clayton'', zegt mevrouw Bartner, en wijst op haar zoon, ,,heeft nu iets met een buikdanseres uit Rusland, maar ze is te intelligent voor hem. Misschien kun jij hem helpen?''

Mevrouw Bartner kleineert haar kinderen en haar man graag, het is haar hobby. Als ik een moeder was, zou het ook mijn hobby zijn.

,,Misschien kunnen we eens met zijn drieën uit'', zegt Clayton.

Ik bekijk mijn dode handen. Natuurlijk zwijg ik over mijn heengaan. Ze zouden schrikken of twijfelen aan hun verstandelijke vermogens. Ik ben wat de andere mensen nog moeten worden, en dat is nooit een prettig gezicht.

,,Wat moet ik dan doen?'' vraag ik, en neem een hap brood. Het brood smaakt naar niets, maar dat deed het eigenlijk ook al toen ik nog leefde.

,,Observeren'', zegt Clayton, ,,je moet haar bekijken en dan zeggen wat je ziet.''

Op dat moment verslikt zijn vader zich en begint te stikken.

Mevrouw Bartner zegt: ,,Clayton is voor geen enkele vrouw intelligent genoeg, als we voor hem iets zouden willen vinden zouden we in een zwakzinnigengesticht moeten zoeken.'' Ze priemt met haar wijsvinger in de richting van haar zoon, ook alweer een jaar of veertig overigens, die bezig is zijn vader op de rug te slaan.

Misschien is de familie Bartner ook dood. Misschien hebben zij ook geen recht op een plaatsje onder de grond waar de zon je niet komt storen. Dat ik de enige ben die ze vergeten zijn te begraven lijkt me uitgesloten.

,,Morgen is Grote Verzoendag'', zegt mevrouw Bartner, ,,wat moet je dan ook alweer doen?''

,,Vasten'', zeg ik.

,,Ik ben dol op vasten'', zegt mevrouw Bartner. ,,Als het kon zou ik het iedere dag doen.''

Ja, zij zijn ook al dood.

Volgens mijn moeder kwam ik met tegenzin ter wereld en heb toen twee weken lang onafgebroken gehuild en geschreeuwd. Zo stond het leven mij tegen. Daarna ontwikkelde ik mij snel tot tiran.

In boeken waarin wordt geprobeerd mensen hoop te geven kun je vaak lezen dat het zo leuk is van leven dat je weet hoe een rijpe tomaat smaakt. Dat is heel leuk, dat wil ik niet ontkennen, maar ik had ook zonder gekund.

Het eind van de maaltijd komt abrupt. Mevrouw Bartner laat de resten inpakken. ,,Natafelen is niets voor mij'', zegt ze, ,,daar krijg ik hoofdpijn van.''

Op straat, tijdens het afscheid, beweert ze: ,,Die buikdanseres is echt jouw type.''

Seks interesseert me niet meer, staat me zelfs tegen. Overbodige handelingen, een denkend wezen onwaardig.

Dan marcheert de dode naar huis. Een blik in zijn agenda leert hem dat hij een onbehoorlijk aantal verplichtingen heeft.

Hij vliegt naar Frankfurt am Main, waar hij moet voorlezen voor de Europese Centrale Bank.

Ook in Frankfurt am Main zijn bijzonder veel mensen die doden kunnen zien, wat me inmiddels niet meer verbaast.

Cosmetisch gezien doe ik mijn uiterste best door te gaan voor een levende. Ik poets nicotineaanslag zo goed en zo kwaad als het gaat weg. Waar die aanslag vandaan komt is mij een raadsel, want ik heb nooit gerookt. Misschien krijg je het ook van passief meeroken.

Passief meeleven, dat is wat de dode doet. Ik adem de gore lucht in die anderen uitademen. De lucht kan me niet goor genoeg zijn.

De dode schrijver veroorzaakt enige hilariteit. Hem is dat worst. Humor is een dode muis uit de vorige wereld.

Ik bekijk de mensen in de zaal. Dus die moeten allemaal nog sterven, denk ik, terwijl ik ze zie lachen. Ik hoop dat ze netjes begraven worden, en dat ze niet zoals ik moeten blijven rondzwerven door een technische fout.

Na afloop van de lezing hoor ik over corrupte ministers en beerputten. Ik knik beleefd, de schmink van het leven zit op mijn gezicht.

Daarna sluit ik me op in mijn hotelkamer. Ik ga op de tv zitten en neem een hap van de hangplant die een lege hoek moet opvullen. Allemaal dingen die je als levende beter niet kunt doen, maar die ik me in mijn huidige toestand met gemak kan permitteren.

De reis voert verder naar Berlijn. Ik neem mijn intrek in het duurste maar naar blijkt niet het beste hotel van de stad. Op de kamer staan geen planten waarvan ik zou kunnen eten.

Ik heb een afspraak met een mevrouw van de Duitse televisie. Ze draagt een rode mantel. We wandelen door een zonnig maar koud Berlijn. Daarna neemt ze me mee naar haar huis. Ze laat me alle kamers zien en vraagt waar ik wil zitten.

,,Mijn vriend woont verderop in de straat'', zegt ze, ,,we waren jarenlang vrienden, maar sinds anderhalf jaar hebben we ook seks. Hij rekent nergens op. Hij zegt, als er weer een jood voorbijkomt ga je zo met hem mee.''

Het kost de dode een paar minuten voor hij beseft dat hij misschien de jood is die voorbijkomt.

,,Als je van de zomer drie maanden in Berlijn wilt wonen kan ik dat wel regelen'', zegt ze en kleedt zich om voor de avond.

In de badkamer, na het plassen, snuffel ik in haar toilettas op zoek naar herinneringen aan het leven.

Terug in het hotel belt mijn moeder, die natuurlijk van niets weet.

,,Ben je nu in Berlijn?'' vraagt ze, ,,adem maar diep in, adem maar de lucht van je voorouders in.''

Ik adem diep in.

,,En wat ik wilde zeggen'', gaat ze verder, ,,je schreef dat ik met vogeltjes praat. Maar ik maak ook contact met lieveheersbeestjes. Noteer dat.''

Ik beloof het te noteren.

,,En verder'', zegt ze, ,,schreef je dat er twee soorten mensen bestaan, heksenmensen en mispunten. Maar er is nog een derde categorie en dat is de allerergste, schijtelullen.''

Weer beloof ik dat op te zullen schrijven.

Natuurlijk, dat is wat een dode schrijver doet. Ik ben mijn moeders notulist.

    • Arnon Grunberg