Poëzie met jofele ideetjes

We moeten het nog hebben over toffemannenpoëzie. Van die poëzie die met een bestudeerd nonchalant ongeschoren hoofd jolig uit de ogen kijkt. Dat is poëzie die van zichzelf vindt dat zij een paar best wel gekke ideetjes en originele gedachten heeft, maar daar laat zij zich niet op voorstaan. Of eigenlijk wel, want ze vindt stiekem dat ze best wel heel erg uniek is met haar unieke kronkelspinsels, maar ze doet net alsof ze vindt dat er niets bijzonders aan is. Ze is heel gewoon gebleven. Althans, als de mensen dat maar geloven. Voor de zekerheid zal ze de eerste zijn om zichzelf te relativeren: `Wat is dit ook alweer? / o ja, poëzie // Denk je dat als twee gedichten op elkaar liggen dat ze dat / voelen? // Nee hè. / Ik ook niet. // Maar wat heeft het voor zin dan? // ``Wat voor zin heeft wat

dan?''

Tof hè? Heel gewoontjes gezegd, niet duur doen, maar intussen wordt er toch maar even gesuggereerd dat de vraag naar de zin van poëzie een verkeerde vraag is en dat niets eigenlijk zin heeft. Maar deze onpeilbaar diepzinnige en duizelingwekkend originele gedachte wordt met jofele nonchalanche gebracht: niet als dwingend aforisme, maar in de vorm van een dialoogje dat uit twee vragen bestaat. En let ook op die ontzettend oorspronkelijke bespiegeling over twee gedichten die elkaar misschien wel zouden kunnen voelen als het boek dicht wordt geslagen en ze lekker knus en onbespied op elkaar gaan liggen. Ook hierop laat de dichter zich niet voorstaan, want hij verwerpt het idee onmiddellijk in weer zo'n vlot, gewonemensendialoogje. Maar intussen heeft hij toch maar mooi wel laten zien dat hij dit soort originele gedachten heeft. En we zijn onder de indruk. Je moet er maar opkomen! Daar moet je wel een echte dichter voor zijn! En hij is toch een heel gewoon mens gebleven! Het enige wat er nog ontbreekt aan dit gedicht is een toffe titel. Maar ook daar draait de dichter zijn hand niet voor om: `Zonder titel is ook een titel.'

Dit gedicht komt uit de bundel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten, het poëziedebuut van de romancier en columnist Adriaan Jaeggi. Ik wou dat ik het onrecht had gedaan met bovenstaande karakterisering. Maar dat is niet zo. Neem nou dit gedicht: `Lang geleden in een land hier ver vandaan / begreep ik dat alle paarden / mensen waren in paardenvorm. / Dat heb ik jarenlang kunnen bewijzen.' Ook dit gedicht moet het volledig hebben van de combinatie van een zogenaamd origineel ideetje met een relativerend nonchalante wijze van formuleren. Om er zeker van te zijn dat de lezers niet op het idee komen dat hij zijn originele ideetje zelf serieus neemt, zet de dichter er `charmant' als titel boven, wat we natuurlijk moeten begrijpen als zelfironie. Of dit: `De gans die de bron zocht van haar gouden ei / Overleed met een snavel vol stront. / Dus voor iedereen die ook wil leggen, hierbij / Een advies: trek je kop uit je kont.' Dit is, getuige de titel `ars poetica', poëticaal op te vatten. Al die dichters doen maar duur over hun literatuuropvattingen, maar zo is Jaeggi niet, want hij is een toffe vent en voor hem komt de poëzie erop neer dat hij zijn kop uit zijn kont trekt.

Dit is poëzie die zich verschanst achter haar waterlinie van zogenaamde pretentieloosheid, die moet spreken uit haar nonchalance en gewoontjesdoenerij. Dit is poëzie van een dichter die hardop zegt: `Het stelt allemaal niet zoveel voor, dat weet ik zelf ook wel.' Maar intussen wil hij dat wij denken: `Dat zijn allemaal wel heel erg originele ideeën en het meest charmante is nog dat hij zich er niet op laat voorstaan.' Maar zo denken wij niet, want wij vinden die ideeën niet origineel en bovendien doorzien wij dat die pretentieloosheid een vermomming is van pretentie. Deze poëzie is inhoudelijk leeg, gewoontjes wat betreft de formulering en laf omdat zij zich niet op het spel durft te zetten, maar zich verschanst. En haar masker is vals, zoals alle toffe mannen nep zijn.

Adriaan Jaeggi: Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten. Gedichten. Prometheus 2002. 48 blz. €14,95