Overal geweest en nooit ergens thuis

Wat ondergaan mensen die door de geschiedenis worden gedwongen te emigreren? Wat ervaren degenen die, tegen hun zin, een nieuw bestaan moeten opbouwen in een hun volstrekt vreemd land? Het is een universeel thema in de literatuur, die zonder al die ervaringen van emigratie, zonder al die kwellende gevoelens van buitenstaanderschap vermoedelijk een stuk marginaler zou zijn – een stuk minder dwingend en een stuk minder noodzakelijk.

De manier waarop de pijn wordt verwoord – die pijn die ontworteling en ontheemding onvermijdelijk met zich meebrengen – neemt bij de een de vorm aan van een schreeuw, een aanklacht, een donderende lawine van taalkundig geweld. Denk aan de bijna gewelddadige felheid van Afrikaanse schrijvers als Ahmadou Kourouma of Emmanuel Dongala. Een ander neemt zijn toevlucht tot scherp cynisme, zoals bijvoorbeeld de Haïtiaanse Canadees Dany Laferrière. Weer een ander, zoals de Frans-Marokkaanse Nederlander Fouad Laroui, zoekt het in humor, célinesk taalgebruik en hilarische scènes. En dan zijn er degenen die zich naar binnen keren, die ingetogen en sober hun verhaal vertellen – zonder hoofdletters, zonder uitroeptekens. Dat zijn degenen die rustig de ene aan de andere zin rijgen, zonder extravagantie. Bij hen zit de pijn achter de regels, tussen de woorden, in de onderhuidse spanning van een ogenschijnlijk nuchter vertelde geschiedenis. Het is de kracht van Marga Minco, van sommige verhalen van Carl Friedman en het is wat De tuinen van de herinnering van de Franse schrijver Michel Quint zo onnavolgbaar en ontroerend maakt.

Minimale taalkundige middelen, soberheid, observatietalent en het vermogen een goed verhaal te construeren – Joseph Pearce heeft het allemaal. Ook hij getuigt van een grote autobiografische betrokkenheid. Vorig jaar verscheen Koloniale waren, een autobiografische Bildungsroman over een jongen die opgroeit in een Vlaams familiebedrijf en gefascineerd is door de oorlogsverhalen die er in huis de ronde doen. Het boek bleek geïnspireerd op Pearce's eigen familiegeschiedenis van moederskant.

Breslau

In zijn nieuwe boek, Maanzaad, komt Pearce in romanvorm terug op het leven van zijn grootouders in vaderlijke lijn. Eerder schreef hij hier al over in Het land van Belofte (1999), een familiekroniek waarin hij uitlegt welke grillige samenloop van omstandigheden ertoe leidde dat iemand met de naam Joseph Pearce geen Engelsman is maar een Vlaming. Op zijn veertiende verjaardag (in 1965) vertelde zijn vader hem dat hij niet Brits was en geen Vernon Pearce heette. Hij was Duits, van joodse afkomst en zijn ware naam was Werner Peritz, geboren in Breslau, het huidige Wroclaw in Polen. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij naar Engeland gevlucht en had er een andere identiteit aangenomen. Tijdens zijn omzwervingen door Australië, en later door Europa, had hij een Vlaams meisje ontmoet, in wier familiebedrijf hij was gaan werken: een groothandel in koloniale waren.

Zoals wel vaker in het leven van schrijvers, was het Pearce's grootmoeder die hem op het spoor van het verhalen vertellen zette. In Het land van belofte schrijft Pearce dat zijn grootmoeder, na haar emigratie uit Breslau, steeds gespitst was op nieuws over haar familieleden. Die hadden zich overal ter wereld gevestigd: van La Paz tot Sydney en van Pittsburg tot Israël. Al die plekken zou haar kleinzoon later, tijdens zijn zoektocht naar zijn familieleden van vaders zijde, bereizen.

Het zijn ook ongeveer die plaatsen waar Maanzaad zich afspeelt: Breslau (1938), Londen (1939), Tel Aviv (1948) en La Paz (1951). Daar belandt Gisèle Rosenthal, de vrouwelijke hoofdpersoon en waarschijnlijk het alter ego van Pearce's grootmoeder, na haar emigratie uit Breslau in 1938. Gisèle wilde daar niet weg, al hadden haar man en zij wel hun zoon naar Londen gestuurd. Ze gooit de kont tegen de krib van de geschiedenis en gaat ervan uit dat het opkomende nazisme en antisemitisme wel over zullen waaien. Max Friedmann, haar echtgenoot, zal weer schoenen kunnen verkopen, denkt ze, en met zijn vrienden in de kroeg zitten. Dan zal ook haar zoon weer thuiskomen. Maar het loopt anders: Max en zij bemachtigen via haar broer nog net op tijd een uitreisvisum voor Palestina. Na een tussenstop van een paar maanden in Londen vertrekken ze naar Palestina. Hun zoon blijft achter, iets waar Gisèle maar nauwelijks overheen komt. Weer tien jaar later, na de dood van Max, voegt ze zich bij haar broer in La Paz.

Krijtrotsen

Ongeëvenaard is de manier waarop Pearce laat zien hoe Gisèle stapje voor stapje de grond onder haar voeten verliest. Is ze op de eerste pagina al een vrouw die aan de arm van haar man `trippelt als een kind dat de schreden van zijn vader maar met moeite kon volgen', in de loop van het verhaal is ze beurtelings wanhopig en vastberaden, gedesillusioneerd en weemoedig. In Engeland loopt ze vlak langs de krijtrotsen, ziet zich terugvliegen naar haar jeugd. Steeds vaker vraagt ze zich af wat er met haar aan de hand is, voelt ze zich een buitenstaander, kent ze zichzelf niet terug: `ik ben overal al geweest, dacht ze.' Steeds vaker lopen heden en verleden in haar beleving door elkaar heen, ze verzamelt herinneringen `zoals bevers takken voor hun burcht'. Dagelijks schrijft ze, jarenlang, vier kantjes aan haar zoon. Van hem ontvangt ze één ansichtkaart in de drie maanden – en als die kaart niet meer komt overweegt ze het postkantoor aan te klagen.

De zoon zal het redden: hij werd niet doordrenkt met verhalen over joodse voorouders en bijbehorende rituelen. Hij bouwt een nieuw bestaan op in Engeland. Gisèle valt smartelijk tussen de wal en het schip van de geschiedenis. `Uit brokstukken kwam niets anders voort dan meer verbrokkeling', schrijft Pearce – maar wat heeft hij dat gaaf en genuanceerd opgeschreven.

Joseph Pearce: Maanzaad. Meulenhoff, 207 blz. €17,50