Nieuw anti-Amerikanisme

Anti-amerikanisme is een van die termen waarin iedereen alles kan opbergen wat hem in het debat het beste uitkomt. Vandaar dat het debat over anti-Amerikanisme zich zo vaak ontwikkelt tot een wild smijten met argumenten dat de tegenstanders verbitterd en onverzoenlijk uiteen drijft.

Het anti-Amerikanisme is weer in opkomst. In Frankrijk, vooral door Amerikanen beschouwd als het land waar het kwaad is begonnen, zijn drie boeken verschenen, die stuk voor stuk het anti-Amerikanisme beschrijven, historisch verklaren, in de context van nu plaatsen en verwerpen. (*) Ik stel nu alleen vast dat, als nauwelijks een jaar na elf september drie boeken van niet geringe auteurs het tot bestsellers kunnen brengen, het lezend publiek het kennelijk niet als een bagatel opvat.

Bestaat in Nederland een anti-Amerikanisme dat overeenkomsten met het Franse heeft? Als dat zo is, dan heel vaag. Menno ter Braak heeft zijn fameuze essay Waarom ik Amerika afwijs geschreven. Dat heeft hij geweten; tot ver na de oorlog is hij erom uitgelachen. Er zijn populaire misvattingen over de `culturele achterlijkheid' van Amerika, ook wel gevoed door Amerikanen zelf, die Gershwin als hun antwoord op Beethoven beschouwen, Adinsell als een betere Rachmaninov en Kopenhagen als de hoofdstad van Nederland. Zo zijn er ook Nederlanders van alles op hetzelfde niveau over Amerika denken. Die zijn de tegenstanders in het vruchteloze debat.

Als er na de Tweede Wereldoorlog in Europa een duidelijk anti-Amerikanisme was, dan had het een politieke oorsprong. De inzet was niet overheersend cultureel; het ging om macht. Het kwam uit twee hoeken: de nationalistisch-conservatieve en de links-neutralistische. Conservatief is het geweest tussen 1945 en 1949 toen Nederland zijn oorlog in Indonesië voerde en daarbij de wereldpolitiek van Washington in de wielen reed. In 1956 wekten Eisenhower en Dulles de woede, ook van conservatieve Nederlanders, toen die de Suez-actie, de herovering van het kanaal door Britten en Fransen beletten. In de Nieuw Guinea-crisis is het hier tenslotte allemaal nog eens dunnetjes overgedaan.

Het volstrekt andere, links-neutralistische anti-Amerikanisme is in de Koude Oorlog ontstaan. De oorsprong ligt is ideologisch, ligt in de tegenstelling tussen communisme en kapitalisme. Na 1945 probeerde de Sovjet-Unie de ziel van de intellectuelen in het Westen te winnen via mantelorganisaties, vredestribunalen, wereldjeugdfestivals, schrijverscongressen. De meelopers, fellow travellers, zijn een politiek-culturele macht geweest. Ze hebben een niet geringe rol gespeeld in het intellectueel debat dat een tijdvak kenmerkt. En gouden tijden voor de polemiek waren het. Ook in Nederland heeft het mooi proza opgeleverd. Zie bijvoorbeeld W.F.Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur, zijn commentaar op de beschrijving van het verslag van Theun de Vries over zijn bezoek aan de volksdemocratie Hongarije.

In dit debat hebben linkse Amerikaanse intellectuelen hun partij meegeblazen. Lees de essays van C.Wright Mills en Dwight McDonald er op na. Nog altijd zijn ze daar niet verslagen. The Nation, essayisten als James Galbraith, Victor Bugliosi weten er raad mee. Een van de beste boekwinkels voor revolutionaire literatuur is gevestigd in Manhattan, West 23rd Street, tussen de zevende en achtste Avenue. Druk bezocht wordt dit mausoleum niet.

Ik denk dat met het conflict over het plaatsen van de kruisraketten het anti-Amerikanisme hier zijn laatste grote opleving heeft gehad. Amsterdam heeft er een monument aan te danken: het hek om het Amerikaanse consulaat. En daarna is het, met de Koude Oorlog afgestorven. In de snel depolitiserende wereld van het Westen had men andere dingen aan zijn hoofd. Tussen 1990 en 2000 is het primaat van de economie uitgeroepen. Daarna is de mondialisering pas goed begonnen. In het Westen verbreidde zich het geloof dat het geheim van de duurzame groei was opgelost zodat de nieuwe gouden eeuw was aangebroken. Het resultaat van dit alles is het consumentisme. Dat is geen ideologie of systeem maar een anti-ideologie, een non-systeem, waarin de beste krachten van de verst gevorderde, de westerse samenleving zich concentreren op de onmiddellijke behoeftebevrediging.

Het zou wel zeer onrechtvaardig zijn, Amerika daarvan de schuld te geven. Als straks, als de diepe crisis van de machtsverdeling en de mondiale cultuurstrijd is afgelopen, de geschiedenis van de jaren negentig wordt geschreven, zal de conclusie zijn dat wij – het Westen in zijn geheel, Europa en Amerika samen – met een ongelooflijke nonchalance en gebrek aan zelfkritiek de overwinning in de Koude Oorlog en de daarop volgende uitbarsting van welvaart hebben behandeld.

De elfde september is de grote ontmaskering, maar niet de enige. Daar zijn ook nog het barsten van de dotcom zeepbel, de enorme schandalen in het grote bedrijfsleven, de onmacht die ons verhindert een eind te maken aan het verwoestend Palestijns-Israëlisch conflict. En nog het een en ander.

Bush is behalve een achternaam ook een politiek-cultureel complex dat een antwoord op de crisis probeert te geven. Bij ons heet dat complex herstel van de veiligheid en normen en waarden. Kritiek op die algemeen westerse poging tot een instant-herstel is geen anti-Amerikanisme maar opnieuw een poging om duidelijk te maken dat grotere ontwrichting in het verschiet ligt.

Jean-Marie Colombani, All Americans? The World After September 11 2001. (De auteur, hoofdredacteur van Le Monde heeft ook het artikel Nous tous sommes des Americains de dag na de aanval geschreven).

Jean-Francois Revel, L'Obsession anti-americain.

Philippe Roger, L'Ennemi americain.

    • H.J.A. Hofland