Het waarachtige individu hoort nergens bij

De Hongaarse schrijver Imre Kertész, aan wie gisteren de Nobelprijs voor literatuur werd toegekend, peilt in zijn werk de diepte van het menselijk vermogen om de geschiedenis onder ogen te zien. Die geschiedenis heet bij hem allereerst: Auschwitz.

Hij heeft het altijd over Auschwitz, zegt hij. ,,Ook als ik over andere dingen spreek. Ik ben medium van de geest van Auschwitz.' Die harde woorden van de Hongaarse schrijver Imre Kertész (1929) stroken niet bepaald met zijn verschijning: een voorkomende, zachtaardige man, begin zeventig, met warme bruine ogen. Zijn bijna aarzelende stemgeluid lijkt niet te passen bij het schreeuwende beeld van jodenvervolging en massavernietiging.

Het is augustus 1999 als ik hem spreek. De rechts-nationalistische regering van Viktor Orbán is dan in Hongarije net een jaar aan de macht. De NAVO heeft Joegoslavië gebombardeerd. Kosovo is bevrijd. Even was oorlog weer akelig dichtbij. Een interview bij Kertész thuis, in het tweede district van Boedapest met uitzicht op de groene heuvels rond de stad en het honderd jaar oude tandradtreintje dat naar de bossen erboven voert. Een vrolijk appartement met lichte kleuren, ingericht door Kertész' tweede vrouw.

Hij hoort nergens bij, begon hij het gesprek. ,,Ik zie mijn literatuur niet als het product van een nationaal elftal. Ik kom uit de duistere wereld van de jodenvervolging, mijn literatuur is puur eenzaam. Mijn literatuur komt ook niet voort uit de Hongaarse traditie.'

Die eenzame weg van Imre Kertész begon in de zomer van 1944. Hongarije was bezet door de Duitsers, de jodenvervolging begon op gang te komen, met medewerking van Hongaarse agenten. Als jongen van nog geen vijftien werd hij opgepakt door Hongaarse functionarissen en op transport gesteld. Jood zijn betekende voor de jonge Kertész op dat moment niet veel meer dan de omgang met een paar oude ooms met keppeltjes op. De joden van Boedapest waren in de voorafgaande decennia sterk geassimileerd.

Onbepaald door het lot werd zijn eerste boek. In een sobere stijl en op een laconieke, pragmatische toon beschrijft hij de jodenvervolging uit het naïeve perspectief van een vijftienjarige jongen. Het effect is gruwelijk: `Opeens begon de bus te remmen en toen hij gestopt was, hoorde ik een gebiedende stem iets zeggen wat ik slechts gedeeltelijk kon verstaan maar via de conducteur en enkele medereizigers toch vernam. Het ging erom dat eventueel aanwezige joden de bus moesten verlaten. Aha, dacht ik bij mezelf, ze willen zeker controleren of iedereen die de stadsgrens overschrijdt wel een pasje heeft. En inderdaad, toen ik uit de bus was gestapt, stond ik tegenover een politieagent. Zonder een woord te spreken overhandigde ik hem dadelijk mijn pasje, maar hij keek het niet meteen in en gaf de chauffeur met een handbeweging te kennen dat hij moest doorrijden.' De Hongaarse agent haalt het joodse jongetje uit de bus. Kertész' leven is getekend. Hij wordt de hel van Auschwitz in gestuurd. Tussen Hongarije en het joodse jongetje is de breuk daarna diep.

In kleine kring

Onbepaald door het lot verschijnt in 1975 in Hongarije. Het boek wordt in kleine kring gelezen, in de boekwinkel is het niet te krijgen. Kertész treft later nog stapels exemplaren aan in de opslag van de uitgeverij. De communisten zijn nog aan het bewind. Net als in de DDR, zegt de schrijver, stond de verwerking van het oorlogsverleden niet erg hoog op de agenda. Zelf zocht Kertész de publiciteit ook niet.

Dat doet hij ook nu nog niet. ,,Wat ik publiceer maakt hier niets los. Ik treed hier niet op in het openbaar.' Kertész zegt niet mee te willen doen het `Hongaarse spel'. ,,Ik heb de spelregels nooit aanvaard. Of het nu oude of nieuwe spelregels zijn. Ze komen altijd op hetzelfde neer: op het einde van de Eerste Wereldoorlog. De spelregels bepalen dat Hongarije een onschuldig slachtoffer van de geschiedenis is en daarom geen enkele verantwoording hoeft te nemen voor zijn daden. Er is een grote nationale leugen ontstaan: dat je geen vragen hoeft te stellen over dat verleden.'

Toen ik hem sprak, was Onbepaald door het lot nog steeds een gevoelig thema in Hongarije. De schrijver zag overeenkomsten met de situatie zoals die zich op dat moment in Hongarije ontwikkelde. De regering-Orbán voerde een toenemend nationalistische toon. Rechtse politici brachten `het jodenvraagstuk' terug in de openbare discussie. ,,De maatschappij is hier gespleten in zogenaamde liberalen en nationalisten. Ik hoor bij geen van beide.' Kertész wil met politiek niets te maken hebben. ,,Ik heb ook nooit meegedaan aan de oppositie. Ik heb nooit iets tussen de regels willen schrijven. Ik heb me verre gehouden van deze context en in alle eenzaamheid mijn boeken geschreven.'

Ook na de val van het communistische bewind in 1989 zet Kertész zijn kluizenaarschap in eigen land voort. ,,Omdat volstrekt duidelijk is dat er geen enkel gevoel van solidariteit ontstaat met het vermoorde deel van de Hongaarse samenleving.' Openhartig zegt hij dat hij alleen maar in Hongarije blijft omdat het Hongaars zijn taal is en zijn tweede vrouw er een goede baan heeft. ,,Ik woon hier niet uit overtuiging. Mijn koffer staat klaar. Ik kan ieder moment weg.' Maar hij voegt daaraan toe: ,,Ik heb altijd hier gewoond. Ik kan mijn verleden niet wegdenken door naar het buitenland te gaan.'

Het is de essentie van de man die zich als medium beschouwt van de geest van Auschwitz. In Ik, de ander, schrijft hij ergens over de kennismaking met zijn eerste vrouw: `Ik was vierentwintig, zij drieënveertig. Ik kwam uit de Duitse concentratiekampen, rechtstreeks van de Endlösung, en uit de troosteloze diepten van de harde ,,jaren vijftig', maar al die ellende had eerder inspirerend dan vernietigend op mij gewerkt, al bleek dat toen nog nergens uit.' De geest van Auschwitz als inspiratiebron.

Zwarte lijst

Mijn interview met Kertész verscheen in de nazomer van 1999 in deze krant. De conservatieve Hongaarse media reageerden meteen. Er bleek een zwarte lijst te zijn opgesteld van buitenlandse journalisten die `negatief' over Hongarije berichtten. De toenmalige premier Orbán zwaaide ermee in het parlement ten bewijze dat de liberale (in Hongarije staat dat gelijk aan `joodse') oppositie de reputatie van het land te grabbel gooide. Een van de voorbeelden die de conservatieve nationalisten aandroegen was het citaat van Kertész dat zijn koffer klaar stond om te vertrekken. Niet-Hongaarse krachten waren bezig om Hongarije zwart te maken, was de suggestie. Er vielen termen als antisemieten en filosemieten. De vraag waarom de Hongaarse samenleving weigerde om het eigen oorlogsverleden onder ogen te zien werd nooit beantwoord.

Het oeuvre van Kertész gaat over het vermogen van het individu om onafhankelijk te denken en te leven in een tijd waarin de mens bijna volledig ondergeschikt is gemaakt aan de macht van de politiek, schrijft de Zweedse Academie van Wetenschappen in een toelichting op de toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur 2002. `Kertész beschouwt de shoah niet als een ,,vreemd lichaam' in de westerse geschiedenis, maar als illustratie van de ultieme waarheid over de verwording van de mens in deze tijd', aldus de Zweedse Academie van Wetenschappen.

Achtenvijftig jaar lang heeft Kertész geprobeerd in zijn eentje zin te geven aan de gruwelijke gebeurtenissen die hem als vijftienjarige overvielen. Overleven doe je vanuit een zelfgekozen schuilhoek, zegt hij. Totalitarisme neemt verschillende vormen aan: fascisme, communisme. Kertész weet ze vanuit zijn schuilhoek feilloos en aangrijpend te beschrijven. ,,Hij heeft de verschrikkelijke inhoud van zijn leven om weten te zetten in kunst', reageerde de Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek na het bekend worden van de keuze van het geleerde Zweedse gezelschap.

De laureaat zelf riep voor de Duitse televisie `opgelucht' te zijn. Opgelucht dat zijn werk herkend is. Misschien dat de Hongaren zelf het werk van Kertész nu ook serieus gaan lezen en voorzichtig terug durven te kijken naar de oorlog waarin honderdduizenden Hongaarse joden werden afgevoerd naar concentratiekampen.

De Hongaarse Schrijversbond neemt in zijn reactie alvast een voorschot: ,,Wij zijn buitengewoon blij met de prijs voor Imre Kertész. Ten eerste omdat hij een uitstekend schrijver is, en verder omdat hij Hongaar is. Wij zijn heel, heel erg blij.' De ironie van het enthousiasme over de eerste Nobelprijs voor de literatuur ooit in Hongarije, zal Kertész niet ontgaan. In Ik, de ander schrijft hij: `Hebben wij weet van de absurditeit van ons levenslot en van de schandelijke toevalligheid daarvan, van de schandelijke toevalligheid van elk ogenblik waaraan wij, feilbare mensen, ons zo schandelijk vastklampen omdat deze reeks absurde ogenblikken ons leven is?'

De boeken van Imre Kertész worden in Nederland uitgegeven door Van Gennep, in vertalingen van Henry Kammer. Leverbaar zijn: `Ik, de ander' (126 blz. €13,50), `Het fiasco' (381 blz. €22,50), `Onbepaald door het lot' (244 blz. €18,–) en `Kaddisj voor een niet geboren kind' (128 blz. €15,90)

    • Renée Postma