Het volgende drama

Veel mensen voor wie de televisie nog de enige informatiebron is zal het zijn ontgaan. Maar deze week is de uitbreiding van Europa weer een aanzienlijke stap dichterbij gekomen. Als het aan de Europese Commissie ligt gaat de Europese Unie in 2004, binnen twee jaar dus, van vijftien naar 25 landen. Het betekent de grootste uitbreiding ooit, waarbij de Unie zal groeien van ruim 376 miljoen naar meer dan 451 miljoen inwoners.

Toch maakt in Nederland de gemiddelde gemeentelijke herindeling aanzienlijk meer los dan een veel ingrijpender en vergaander beslissing als de uitbreiding van Europa. De absolute desinteresse voor Europa is overigens niet alleen een typisch Nederlands verschijnsel. Nog altijd slagen de verantwoordelijke politici er perfect in Europa als een gegeven te presenteren dat door zijn complexiteit alleen maar belangstelling afstoot. Een Europa dat zich vormt zonder voldoende legitimatie van de burgers kan uiteindelijk alleen maar op een drama uitlopen.

Natuurlijk worden over de geringe betrokkenheid vele krokodillentranen geplenkt. Wat is het toch jammer dat het Europa van de burgers zo weinig burgers aanspreekt, is de alom gehoorde verzuchting in Brussel. Waarna het zoveelste miljoenen euro's verslindende communicatieplan als remedie wordt aangedragen. ,,Europa zal het debat van de straat moeten worden'', zei CDA-fractievoorzitter Verhagen vorige week in de Tweede Kamer. Ging hij vervolgens naar buiten om de daad bij het woord te voegen. Nee, Verhagen zei slechts op dit punt ,,initiatieven van het kabinet te verwachten''. Zo wordt het dus nooit wat. De politicus die een debat wil, creëert een debat en gaat niet zitten wachten op het kabinet.

Europa is een uitgesproken politiek project. De founding fathers lieten daarover in de jaren vijftig geen enkel misverstand bestaan. Hun ideaal was helder: nooit meer oorlog in Europa en daarvoor was een welvarende volkerengemeenschap de fundamentele voorwaarde. Hoewel deze boodschap tegenwoordig wat minder verheven doorklinkt vormt deze gedachte nog altijd de basis van de Europese samenwerking. Maar de huidige generatie politici slaagt er maar niet in deze opdracht in politieke termen te vertalen. Het debat over Europa – als daar al sprake van is – blijft steken in constateringen van onvermijdelijkheid.

Maar als er geen sprake meer is van keuzes, kan er moeilijk publieke interesse, laat staan debat worden verwacht. Volgens een uit 1999 stammende notitie van het vorige kabinet had Europa in het jaar 2000 op op de ,,maatschappelijke agenda'' geplaatst moeten worden om het publiek ,,ontvankelijk te maken voor de uitbreidingsproblematiek''. Want er was meer nodig dan ,,een persbericht''. En zie, een persbericht is het niet geworden; het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft tegenwoordig een speciale Europa-website (www.europaportaal.nl)! Bouwstenen voor het maatschappelijk debat zijn er voldoende, nu het debat nog. Maar waarom debatteren over iets dat door degenen die erover gaan stelselmatig als `een rijdende trein' wordt aangeduid?

Dat een maatschappelijke discussie over Europa wel degelijk mogelijk is bewijzen de Ieren momenteel. Zij moeten zich volgende week door middel van een referendum opnieuw uitspreken over het Verdrag van Nice en daarmee ook over de uitbreidingsplannen van Europa. In Ierland wordt volop gediscussieerd over de cruciale vraag hoeveel van zijn soevereiniteit het land nog wenst op te geven. Daar gaat het om de geslotenheid van de Europese instituten.

Het is heel simpel: Europa wordt een maatschappelijke thema zodra het gepolitiseerd wordt. Maar wie durft te politiseren? In elk geval niet het kabinet-Balkenende. De onlangs gepubliceerde notitie `Europa in de steigers' bestaat uit achttien pagina's oppervlakkigheid, boordevol probleemstellingen. In de notitie verontschuldigt het kabinet zich voor het uitblijven van definitieve standpunten omdat de dialoog met maatschappelijke organisaties moet worden voortgezet. Zou er weleens iemand op het idee gekomen zijn dat zo'n dialoog misschien erg gebaat is bij standpunten, omdat het anders allemaal wel erg vrijblijvend wordt?

Het kan nog altijd. Over anderhalve week moet de Tweede Kamer zich uitspreken over het voorstel van de Europese Commissie om in 2004 tien nieuwe landen tot de Unie toe te laten, hoewel nog niet al deze aspirant-toetreders aan alle voorwaarden voldoen. VVD-leider Zalm, die zich als minister van Financien al ontpopte als uitgesproken Euroscepticus, liet twee weken geleden reeds tegenover het weekblad Elsevier zijn twijfels blijken over een zogeheten `big bang'. Grote aarzelingen had hij bij landen als Polen en Slowakije. Daar komt nog bij dat steeds duidelijker wordt dat de Nederlandse eis om de uitbreiding van de Unie te koppelen aan een vermindering van de miljarden kostende landbouwsubsidies, bij lange na niet gehonoreerd zal worden.

Allemaal ingrediënten voor een fors politiek debat, waarbij het in de kern gaat om de vraag hoeveel Nederland nog extra wil betalen voor het ooit door Jean Monnet geschilderde toekomstbeeld. Een debat bovendien dat de coalitie direct regardeert, omdat de VVD een veel hardere houding inneemt dan het CDA. Daarmee is Europa nationale politiek geworden. Dat is ook de beste manier om het debat te entameren.

De Nederlandse burgers kunnen alleen de Nederlandse politici rechtstreeks aanspreken op Europa. De laatsten hebben zich daar veel te weinig voor opengesteld door Europa stelselmatig als een vaststaand feit te presenteren, waarbij besluiten geen gevolg zijn van keuzes maar van onvermijdelijkheden. Een dergelijke paternalistische houding kweekt slechts frustratie en onverschilligheid. Kortom, de slechtst mogelijke basis voor een verenigd Europa.

    • Mark Kranenburg