Gewoon maar op weg gegaan

Ontheemding, je nergens thuis voelen en overal heimwee hebben: een thema dat binnen de literatuur heeft ingeboet aan aantrekkingskracht en enigszins gedateerd aandoet. Het is te vaak in de mond genomen en herkauwd om nog te kunnen verrassen.

Toch zijn er nog genoeg schrijvers die er niet voor terugdeinzen ontheemding als vertrekpunt van hun werk te kiezen. Neem Carmine Abate, een afstammeling van Albanese vluchtelingen die zich in de vijftiende eeuw in Zuid-Italië vestigden. Hij heeft alle recht zich gedesoriënteerd te voelen: niet alleen vanwege het feit dat hij geboren werd in een dorp van Albanese origine in Calabrië, maar ook omdat hij op 17-jarige leeftijd samen met zijn ouders naar Duitsland emigreerde en sindsdien zijn leven verdeelt tussen dat land en Italië.

Het is dus allerminst toevallig dat Abate van de hoofdpersoon van zijn tweede roman, De Moto Guzzi van Skanderbeg, een existentiële dakloze maakt. Deze Giovanni Alessi lijkt in vele opzichten op zijn schepper, maar behalve dat hij vanuit historisch-geografisch oogpunt een dolende ziel is, is hij ook in biografisch opzicht beroofd van een solide referentiekader omdat zijn vader op jonge leeftijd sterft. Deze charismatische en idealistische man, gekroond met de bijnaam Skanderbeg (naar een legendarische Albanese held), is tijdens zijn leven voortdurend onderweg met zijn Moto Guzzi Dondolino, `als een doorgedraaide tol' op zoek naar onrecht dat hij kan bestrijden. Trots en koppig beijvert hij zich voor landbouwhervormingen in het Calabrees-Albanese dorp Hora, tot hij door een weddenschap op tragische wijze om het leven komt.

Samen met zijn motor belichaamt Alessi bij uitstek rusteloosheid, dynamiek, de zucht naar verandering. Zijn ogen kijken onveranderlijk in de verte en zien een wereld `die misschien niet bestaat'. Na zijn dood raakt de jonge Alessi steeds meer op drift, breekt zijn studie af in Bari, heeft allerlei baantjes in Noord-Italië en Duitsland, en volgt uiteindelijk zijn jeugdliefde Claudia naar Keulen, hunkerend naar een ankerpunt.

De compositie van de roman weerspiegelt eenzelfde rusteloosheid. Beschrijvingen van Giovanni's verblijf in Duitsland met Claudia worden afgewisseld met verhalen van zijn oom en moeder over zijn vader, met jeugdherinneringen en verhalen over de mythische held Skanderbeg en met het ongepolijste relaas van Italiaanse gastarbeiders. Ongedurig wordt heen en weer geschakeld tussen verschillende locaties en tussen heden en verleden. Het heden wordt daarbij onweerlegbaar vertegenwoordigd door de vriendin Claudia, een ambitieus en zelfverzekerd meisje dat rigoureus heeft gebroken met haar wortels en doelgericht een degelijk bestaan opbouwt in Duitsland. Door een kordaat optreden probeert ze de weifelmoedige Giovanni mee te sleuren in de vaart der volkeren en van hem een moderne Europeaan te maken, die niet langer achterom blikt of zijn hersenschimmen najaagt. Hun problematische relatie krijgt veel aandacht van Abate, zonder dat er dramatische dimensies in zicht komen. De opmerkelijk onbekommerde toon en losse manier van vertellen verhinderen dat.

Claudia's tegenpool, in symbolisch opzicht, is het personage Stefano Santori. Aan de ogen van dit jongetje in het primitieve dorp Hora werd toverkracht toegedicht en hij voorspelde Giovanni dat die op zijn zesendertigste zou sterven. Misschien is het om dat laatste dat Giovanni hem telkens ontwijkt wanneer de oudere Stefano, inmiddels historicus, aandringt op een ontmoeting om te praten over Giovanni's vader en het dorp Hora, waarnaar hij onderzoek doet. Hoewel hij al zestien jaar niet in dat stoffige, door stoppelvelden en olijfgaarden omgeven dorp is geweest, is Stefano de vaandeldrager van het verleden, waarmee Giovanni nog altijd geen raad weet.

Giovanni valt overal tussenin; hij kan niet kiezen en slaagt er niet in zich te spiegelen aan iemand: noch aan Claudia, noch aan Stefano en evenmin aan zijn vader, die – zo beseft Giovanni inmiddels – te naïef was om de wereld naar zijn hand te kunnen zetten. Intussen ziet hij het leven aan zich voorbijgaan in plaats van te leven. Heen en weer geslingerd tussen het armoedige dorp, waar zijn moeder woont en zijn vader begraven ligt, en de welvarende stad Keulen, waar zijn liefje woont, denkt hij met weemoed aan de versregels van Montale: `Ik benijd de ooievaar / die weet waarheen hij gaat / en waarheen hij terugkeert / als hij gaat.'

Toch heeft Abate een kentering in petto voor de lezer. Die komt zodra Giovanni besluit zijn vriendin niet te volgen naar Milaan én hij bovendien begrijpt dat er een manier bestaat om orde te scheppen in zijn verwarde leven: door het te verkavelen in verhalen, door erover te schrijven. Een schrijver is geboren. Een schrijver die schrijft over iemand die op zoek is `datgene wat ik met nadruk ,,mijn weg' noemde, waarbij ik vergat dat als ik die ooit vond, hij mij ergens anders heen zou leiden, omdat het nu eenmaal een weg was.' Net zoals zijn alter ego Abate doet hij zijn verhaal met simpele middelen, zonder opvallende kunstgrepen. Opwindend is het niet, wel sympathiek.

Carmine Abate: De Moto Guzzi van Skanderbeg. Vertaald door Aafke van der Made. Serena Libri, 245 blz. €17,50.

    • Peter Drehmanns