Dromen in een diep moeras

Er zijn niet zoveel romans die opgewekt beginnen met een hoofdstuk getiteld `Thuis'. Eerder moeten de hoofdpersonen weg in plaats van thuiskomen. In de opmerkelijke, fantasierijke roman Het rode huis van de Zweedse schrijver Kjell Johansson (1941) heet het eerste deel wel degelijk `Thuis'. Het is een verrassend begin, want niet de ik-persoon, maar zijn vader keert terug na jarenlange afwezigheid. Hij is zeeman en zijn zoon heeft hem in tijden niet gezien, sterker: de zoon heeft zelfs niet eens een idee wie zijn vader is, wat hij vertegenwoordigt en hoe de jongen zijn gedrag jegens de vader moet bepalen.

De openingszin van deze roman is even beeldend en krachtig geformuleerd als het hele boek: `Hij is het, die man op het veld daar in de verte, mijn vader Johan Johansson, en dit is mijn eerste herinnering aan hem: hoe hij op deze vroege ochtend jaren geleden uit de mist bij de Veendobbe te voorschijn stapte.' Met de terugkeer van de vader is de kleine jongen ook, in zekere zin, `thuisgekomen'. Nu zijn vader in levenden lijve voor hem staat, hoeft hij zich niet langer in te beelden waar hij zich bevindt, hoe hij eruit ziet en met welke verhalen hij zal thuiskomen. Want dat laatste had zijn moeder hem verzekerd: wanneer papa terugkomt, dan zal hij verhalen vertellen die het leven glans en fantasie geven.

De roman speelt zich af in een oud, verkrot huis, het `rode huis' uit de titel, dat zich in het laagste en vochtigste deel van een moerasgebied bevindt. De grootouders wonen er, het zusje Eva, zijn `mama' en nu ook dus zijn papa. De familie Johansson mag dan arm zijn – zelfs de armsten uit de omgeving – het ontbreekt hun niet aan fantasie. Moeder koopt boeken en fantaseert zichzelf in een mooiere wereld, en de grootouders smeden armoede om tot overlevingskunst.

De cadans van Het rode huis wordt bepaald door het optimistisch verlangen naar betere tijden en de onvermijdelijke neergang. De vader vertelt helemaal geen fantastische verhalen over verre landen, hij raakt geleidelijk aan de drank. Regelmatig moet zijn vrouw het ontgelden; de klappen van haar man komen hard aan. Grootvader en -moeder raken geleidelijk in de versukkeling en Johansson wijdt bijzonder sfeervolle, maar ook aangrijpende bladzijden aan dit zo wrede proces van verouderen. Het zusje van de ik-persoon vervult aanvankelijk de rol van kleine, lieve engel, totdat zij in een psychiatrische inrichting belandt. De vereenzaming van de familie kan ze moeilijk dragen. Zo droomde de moeder aldoor van haar eigen, kleine boekwinkel waar ze voor haar vaste clientèle de mooiste boeken zou verkopen. Maar het is er nooit van gekomen. Ook de vioolmuziek op een toverviool blijkt een droombeeld, net als het geven van concerten door het gezin onder leiding van de vader.

Dit is dan de crux van het boek: de vader sleept zijn vrouw, zoon en dochter mee in een fictieve, irreële wereld. Dat zij erin geloven, is een mooi voorbeeld van compassie. Zeker de kinderen willen graag dat hun vader gelukkig wordt, en de enige methode is om zich aan diens wereld over te geven. Maar dan breekt aan het slot de gruwelijke waarheid door: de vader is niets anders dan een alcoholist. 's Nachts kwellen hem gruwelijke dromen. Zijn kinderen moeten hem sussen en bijstaan, want hij kan de nachten niet alleen doorbrengen. Totdat hij op een nacht verdwenen is, ze vinden hem dood in het land. Hetzelfde moerasland, onder dezelfde mist, die de auteur in zijn openingsalinea beschrijft.

Ondanks deze treurige fabel is Het rode huis geen somber boek. Het is een werk van streven en terugvallen, van moeizaam opstaan en weer gebroken enkels oplopen. In de lichte, heldere vertaling van Jenny Middelbeek-Oortgiesen is het een onthutsend relaas over hoe armoede ook grote geestelijke rijkdom kan brengen. Bovendien is het een troostrijk boek: Het rode huis gaat over de oppermacht van de fantasie. Alleen dankzij dit menselijk vermogen krijgt het bestaan betekenis.

Kjell Johansson: Het rode huis. Uit het Zweeds vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Geus, 352 blz. €22,50