De volle breedte van de historie

Je hoort af en toe de twintigste eeuw al voor afgesloten verklaren omdat het nu eenmaal 2002 is. Veel te voorbarig. Je kunt ook volhouden dat het pas de negentiende eeuw is die nu ten einde loopt. De oudste mensen van nu stammen nog altijd van vóór 1900. Hun kinderen zijn grootgebracht tussen boekenkasten met Multatuli, Couperus en Van Eeden, opgevoed op scholen die nog eerder de sfeer van Hiëronymus van Alphen ademden dan van Maria Montessori.

Van emeritus-hoogleraar H.L. Wesseling hoef je voor deze opvatting geen applaus te verwachten. In Ons vierde tijdvak, een voordracht ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar contemporaine geschiedenis in Leiden, verwerpt Wesseling dergelijk gegoochel, `want wij krijgen langzamerhand wel heel veel en hele vreemde, lange en korte eeuwen'.

Hij heeft gelijk wanneer hij de historicus laakt die als een moderne Procrustes de eeuwen oprekt of afhakt. In de bundel De draagbare Wesseling, eveneens verschenen bij zijn afscheid, zet hij fijntjes de vakbroeders weg die de neiging hebben de jaartallen `enigszins naar zichzelf toe te rekenen'. Hij citeert de Engelse Geoffrey Barraclough die graag het jaar 1890 als omslagpunt zag. Hij schreef: `Hoewel het principe van de ritssluiting al in 1870 bekend was, vond de ritssluiting toch pas in 1890 op grote schaal invoering', hetgeen Wesseling afzet tegen een ander citaat van dezelfde historicus: `Hoewel de drukknoop pas in 1920 algemeen ingang vond, was het principe toch al in 1890 ontwikkeld.' Om dan zelf met milde ironie te concluderen: `De natuur is sterker dan de leer en ook geschiedenis blijft mensenwerk.'

Improvisaties

Goochelen met jaartallen is dus uit den boze, maar dat neemt niet weg dat er toch iets onweerstaanbaar negentiende-eeuws is aan de twintigste-eeuwse historicus Wesseling – evenals aan zijn emeritus-collega H.W. von der Dunk, van wie ook een bundel essays of opstellen is verschenen. In De draagbare Wesseling en in Mensen, machten, mogelijkheden van Von der Dunk zien wij twee Europese intellectuelen van de oude stempel aan het werk, die met vanzelfsprekend gemak en eruditie putten uit de volle breedte van de cultuurgeschiedenis, nu eens Goethe aanhalend, dan weer Nijhoff, Shakespeare of De Gaulle. Zij kunnen met eenzelfde kracht hun licht laten schijnen over de geschiedenis van de Europese universiteit, Hitler, dirigent Furtwängler, de Franse intellectueel, Stalin, kolonialisme en het nut van overzeese geschiedenis, koken, of het heil van een wijnkelder.

Hun stukken kunnen klein beginnen, als piano-improvisaties, alsof je bij de geleerden aan het bureau zit en hen hardop hoort mijmeren: `Vanwaar die aloude drang om beroemdheden met elkaar te vergelijken?' (Von der Dunk). Of: `Wat is er toch gaande aan de universiteit?' (Wesseling). En dan sturen ze de lezer, met de koersvastheid van decennia professorale ervaring, door de historische achtergronden van het onderwerp dat zij voor hun beschouwing, hun column of hun voordracht hebben uitgekozen. Niet dat het altijd uitloopt op een nieuw gezichtspunt (onder)titels als `tussentijdse balans of `wat betreft Hitler' hebben die pretentie ook niet – maar het is wel altijd helder, weloverwogen en lezenswaardig.

Wesseling is de betere schrijver van de twee. Hij heeft zichzelf daarbij een goedmoedige vorm van zelfspot aangemeten, zoals in zijn afscheidsrede: `Ik kan, wellicht tot uw geruststelling, zeggen dat mijn gedachten geen hoger vlucht zullen nemen dan de vliegers van onze kleinkinderen.' Hij grossiert in terloopse zinnetjes en rake ironie: `cafetaria-achtige studies als algemene letteren, culturele studies etcetera.' Of, over een deftig rapport: `Het is een diepzinnige beschouwing, gebaseerd op ernstige overweging en brede lectuur, zoals blijkt uit de voetnoten waarin zo nodig zonder pardon wordt verwezen naar een keur van denkers, van Mill en Montesquieu tot Kant en Juvenalis.'

Toekomst

Von der Dunk schrijft parmantiger. Hij deinst niet terug voor zinnen als `Nooit eerder in de geschiedenis wierp een dramatische periode zo'n lange zware schaduw over de mensheid' als hij het historische belang van de Tweede Wereldoorlog wil aangeven. Daarbij veroorlooft hij zich nogal wat slordigheden, die de parmantigheid van zijn zinnen ongewild onderstrepen. De omstreden Britse holocaust-ontkenner David Irving komt bij Von der Dunk als `Irvin' in tekst en register voor. Hij wijdt een passage aan filmacteur Alec Guiness, `befaamd om zijn mimische metamorfoses', die Lawrence of Arabia speelde. Maar dat was Peter O'Toole, Guinness had de gedaante van prins Feisal aangenomen.

Waar zit dat negentiende-eeuwse dan in? Dat zit in de bronnen die ze gebruiken, en vooral niet gebruiken. Beide historici zijn strikt-Europees. En dan eerder het Europa van Multatuli dan van W.F. Hermans. Eerder Thorbecke dan Den Uyl, meer Kant dan Bourdieu. Wesseling put daarbij vooral uit de Franse cultuur. Von der Dunk leunt zwaar op de Duitse geschiedenis (de Italiaanse schilder Rafaël heet bij hem dan ook consequent `Raffaël').

Een blik op hun registers laat die voorkeur zien en tegelijkertijd ook hun reserves. En die reserves gelden Amerika. In alles proef je de afstand tot de Nieuwe Wereld. Lees wat Wesseling schrijft over (de neergang van) de algemene ontwikkeling: `Als de middelbare scholen de traditionele culturele vorming niet meer kunnen verzorgen, dan moeten de universiteiten dat maar doen, bijvoorbeeld door in de eerste jaren een paar culturele vakken verplicht te stellen, zoiets als de cursussen Great Books en Western Civ uit het Amerikaanse universitaire onderwijs, waar wij vroeger zo op plachten neer te zien.' Tot zijn grote schrik is het peil der algemene ontwikkeling nu tot ónder het Amerikaans niveau gedaald.

Het is niet zo pontificaal als Menno ter Braak (`Waarom ik `Amerika' afwijs'), maar het is er. Bij Von der Dunk was het al goed zichtbaar in zijn grote werk over de Europese cultuur, De verdwijnende hemel, dat twee jaar geleden verscheen (besproken in Boeken, 8 december 2000). Daarin stokte de Europese cultuurgeschiedenis zo rond de Tweede Wereldoorlog om daarna te worden weggewoven als lawaai of gekras. Wesseling houdt zich verre van zo'n oordeel, maar het zal geen toeval zijn dat hij Flauberts Bouvard et Pécuchet citeert over de toekomst van de mensheid: `Amerika zal de wereld veroverd hebben (..). Universele platvloersheid.' Hij zegt erbij dat het niet aan de historicus is `om te bepalen of men optimist of pessimist moet zijn'. Maar intussen.

H.W. von der Dunk: Mensen, machten, mogelijkheden. Historische beschouwingen. Bert Bakker, 304 blz. €22,95

H.L. Wesseling: De draagbare Wesseling (samengesteld en ingeleid door Willem Otterspeer). Prometheus, 373 blz. €24,95

H.L. Wesseling: Ons vierde tijdvak. Beschouwingen over contemporaine geschiedenis. Bert Bakker, 46 blz. €12,50

Bas Blokker

    • Bas Blokker