De magische formule is uitgewerkt

Een nieuwe generatie Latijns-Amerikaanse auteurs rekent af met het cliché van hun literatuur als een carnaval van magisch realisme. Amerika is het grote voorbeeld, en de vraag `wie ben ik' urgenter dan sociaal engagement. Maar wat blijft er zo nog over?

Daar gaat haar pager weer af. Het kantoor heeft gebeld. Er zijn foto's binnengekomen en ze moet onmiddellijk aan de slag. Snel grist ze nog wat diepvriesmaaltijden mee uit de supermarkt voordat ze in haar gloednieuwe auto naar de krant scheurt. Daar zit ze tot diep in de nacht achter haar computer om foto's voor de krant van morgen te bewerken. Als ze thuiskomt, grijpt ze een diet-pepsi uit de ijskast en ploft neer op de bank terwijl ze de laatste berichten op haar antwoordapparaat afluistert. Weer een dag voorbij.

Waar speelt dit verhaal zich af? De Verenigde Staten? Europa? Nee, Latijns Amerika. In `Flight', een van de verhalen uit de bundel Latijns-Amerikaanse fictie A Whistler in the Nightworld, beschrijft de Puerto-Ricaanse schrijfster Mayra Santos-Febres het hectische bestaan van deze Virginia, een jonge fotografe die het heeft geschopt tot fotoredacteur bij een krant. Opvallend is dat het leven van deze jonge vrouw zich net zo goed in New York, Parijs of Tokio zou kunnen afspelen. Geen vliegende grootmoeder, wervelend feest of zwetende landarbeider wijst erop dat zij woont in een kleurrijk, zinderend Zuid-Amerikaans land.

Volgens Thomas Colchie, de samensteller van A Whistler in the Nightworld, is het dan ook een achterhaald idee dat het hele gebied ten zuiden van de Verenigde Staten wordt bevolkt door dictators en boeren die met de doden communiceren. De nieuwe generatie Latijns-Amerikaanse schrijvers reproduceert geen magisch-realistische sprookjes meer. Voor hen is Macondo – het wonderlijke dorp in het verre achterland van Colombia uit de beroemde roman Honderd Jaar Eenzaamheid (1967) en ander werk van Gabriel García Márquez – een achterlijk gehucht. De geesten van de Chileense schrijfster Isabel Allende hebben ze voorgoed in de bezemkast opgesloten. En de recepten uit Como Agua Para Chocolate, het boek van de Mexicaanse schrijfster Laura Esquivel dat met groot succes werd verfilmd, zijn hun magische werking kwijt. Latijns-Amerika is geen romantisch, folklorisch, achterlijk continent. De auteurs die zijn gebundeld in A Whistler in Nightworld schrijven over het snelle, moderne bestaan in de steden. Hun blik wordt bovendien niet begrensd tot hun eigen continent maar strekt zich uit over de hele wereld.

Colchie is niet de eerste die een geluid in deze richting laat horen. In `Is Magical Realism Dead?', dat eerder dit jaar in het Amerikaanse blad Newsweek verscheen, constateert journalist Mac Margolis dat een jonge generatie auteurs al langer bezig is een nieuw beeld van Latijns-Amerika te schetsen. In 1995 richtte de Mexicaanse schrijver Jorge Volpi, samen met een aantal jonge schrijvers onder wie Ignacio Padilla en Eloy Urroz, de `Crack Generatie' op. In hun manifest verkondigen de auteurs dat ze willen breken met de literaire conventies van hun inheemse cultuur. Ze pleiten voor een veel ruimere blik. Voor literaire stijlen en onderwerpen moet meer over de grenzen worden gekeken. Zo speelt Amphitryon (2000) van Padilla zich af in het Europa gedurende de twee wereldoorlogen en de Koude Oorlog en gaat De Zoektocht naar Klingsor (1999), Volpi's spionageachtige thriller, over het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog.

In de filmwereld gebeurt overigens iets gelijksoortigs, vooral in Mexico. Amores perros (2000) van regisseur Alejandro González Iñárritu, gaat niet zozeer over het leven elders in de wereld maar geeft een hard, gewelddadig en realistisch beeld van het hedendaagse Mexico. Ook Y Tu Mamá También van Alfonso Cuarón, vertoont geen enkele verwantschap met het magisch-realistische Como Agua Para Chocolate, maar toont een tegenstrijdige wereld waarin de invloed van de economische liberaliseringen duidelijk aanwezig is. Alberto Fuguet, een Chileense schrijver en columnist voor de Chileense krant El Mercurio, bestempelde Amores Perros als de `perfecte NAFTA-film, vol maquiladora-gefabriceerde nikes en Mexicaanse rock'.

Fuguet, die in Amerika opgroeide en in 1973 terugkeerde naar Chili, is in de afgelopen jaren naar voren getreden als de voornaamste voorstander van een nieuw realisme in de Latijns-Amerikaanse literatuur. In `Magical Neoliberalism', een artikel dat hij vorig jaar schreef voor het blad Foreign Policy, doet ook hij zijn beklag over de vooroordelen die bestaan ten aanzien van de Latijns-Amerikaanse cultuur. Het kleurrijke continent mag dan de fantasie van menig schrijver op hol doen slaan, daarmee is het leven er nog geen sprookje. `Latijns-Amerika is een explosieve plek waar de negentiende en de eenentwintigste eeuw op elkaar botsen', schrijft Fuguet. `Deze plek is eerder bizar dan magisch. Het magisch realisme doet deze complexe situatie tekort en reduceert het tot iets schattigs.'

In 1991 boekte Fuguet in Chili groot succes met Mala Onda, een roman over de 17-arige Matias Vicuna, die in een door drank en drugs overgoten existentiële crisis raakt terwijl de politieke spanningen in Santiago oplopen. Het boek, dat werd vergeleken met The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, werd in 1997 in de Verenigde Staten uitgebracht onder de titel Bad Vibes. Een jaar eerder presenteerde Fuguet in een hamburgerrestaurant van McDonald's in Santiago, met redacteur Sergio Gómez, de bundel McOndo met verhalen van achttien jonge auteurs die zich afspelen in de grote steden tegen een achtergrond van geweld, seks en drugs. In de proloog leggen Fuguet en Gómez uit dat de naam `McOndo' een eerbetoon is aan het werk van `de aartsengel San Gabriel' maar vooral ironisch is bedoeld. Hun `McOndo' verwijst naar een wereld van McDonald's, Macintosh computers en condo's, uit de grond gestampte nieuwbouwwijken.

De naam staat symbool voor een nieuw Latijns-Amerika waarin de Verenigde Staten op economisch en cultureel vlak dagelijks aan invloed winnen. `Ons McOndo is net zo Latijns-Amerikaans en magisch als het echte Macondo', schrijven Fuguet en Gómez. `Alleen is het groter, overbevolkt, vol afval, met grote snelwegen, de metro, kabeltelevisie en sloppenwijken. [...] In ons McOndo kan, net als in Macondo, alles gebeuren. Maar het is duidelijk dat als er mensen gaan vliegen, ze in vliegtuigen zitten of aan de drugs zijn. Latijns Amerika en, in zekere zin, heel Spaanstalig Amerika is net zo magisch-realistisch (surrealistisch, maf, tegengesteld en hallucinerend) als een imaginair land waar de mensen opstijgen, de toekomst voorspellen en de mannen het eeuwige leven hebben.'

In hetzelfde manifest verzetten Fuguet en Gómez zich tegen het politiek en sociaal engagement van de oudere generatie Latijns-Amerikaanse schrijvers. García Márquez, die al zijn leven lang zijn vingers in allerlei politieke potjes roert en een innige vriendschap onderhoudt met Fidel Castro, verwerkte in Honderd Jaar Eenzaamheid het tragische verleden van Colombia, een geschiedenis vol ongelijkheid en uitbuiting. Ook zijn tijdgenoten, schrijvers als Mario Vargas Llosa, Julio Cortázar, José Donoso en Carlos Fuentes, schuwen politieke en sociale thema's niet. Destijds wilden deze schrijvers de culturele autonomie van het Latijns-Amerikaanse continent in zijn geheel over het voetlicht brengen. `Wij schrijven de eerste grote roman van de Latijns-Amerikaanse mens', schreef García Márquez in 1967. `Fuentes beschrijft de opkomst van een nieuwe Mexicaanse bourgeoisie, Vargas Llosa belicht de sociale aspecten van Peru en Cortázar die van Argentinië. Het interessante is dat we verschillende romans schrijven maar dat de uitkomst, hopelijk, een totaalvisie is op Latijns-Amerika.'

Daar stellen Fuguet en Gómez un eigen, nieuwe visie tegenover. Wat de landen op het zuidelijk halfrond verbindt, is niet zozeer de collectieve geschiedenis van uitbuiting en onderdrukking waar de eerdere generatie over schreef, maar de kabel, internet, NAFTA en MTV Latina. De nieuwe generatie auteurs schrijven over het moderne leven en, vooral, over zichzelf. `Het grote thema van de Latijns-Amerikaanse identiteit (`wie zijn wij?') is vervangen door het thema van de persoonlijke identiteit (`wie ben ik?')', stellen Fuguet en Gómez. De nieuwe schrijver kijkt naar zichzelf en is niet meer geïnteresseerd in collectieve volksvertellingen. Het politieke engagement en anti-Amerikanisme van een auteur als García Márquez is achterhaald. `Voorheen moest de jonge schrijver kiezen tussen de pen of het geweer', schrijven de auteurs spottend, `nu hoeven we alleen nog maar te kiezen tussen Windows 95 of een Macintosh'.

Het zijn strijdlustige woorden, maar lang niet iedereen is gecharmeerd van dit eigenzinnige manifest. De Chileense dichter en schrijver Ricardo Cuadros heeft weinig goeds te melden over de McOndo-beweging. In een artikel getiteld `McOndo y el mercado editorial', hekelde hij al een paar jaar geleden Fuguet en zijn schrijvende collega's als zelfingenomen poseurs die `lijden aan collectief geheugenverlies en de literatuur en geschiedenis banaliseren'.

Een belangrijk onderdeel van de generatiekloof tussen schrijvers als Cuadros en Fuguet is hun verschillende visie op engagement. Hoort een schrijver zich wel of niet uit te spreken over sociaal en politiek onrecht in eigen land? Volgens Fuguet leeft er onder de oude generatie nog altijd het idee dat de ware Latijns-Amerikaanse intellectueel een hekel heeft aan de Verenigde Staten, de grote, rijke, machtige buur. Deze houding vindt hij achterhaald: het individualisme, dat juist uit Amerika is overgewaaid, heeft de plaats ingenomen van het linkse engagement. Maar volgens Cuadros heeft ook de huidige generatie schrijvers de taak om sociaal maatschappelijke problemen aan de kaak te stellen. `Iedere Latijns-Amerikaanse schrijver, Fuguet incluis, loopt in een plas bloed', meent hij.

Toch ligt de zwakte van een auteur als Fuguet niet in de eerste plaats bij de vraag of hij wel of niet voldoende politieke betrokkenheid toont. Belangrijker is dat hij een visie mist op de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. In hoeverre geeft hij een betrouwbaar beeld van het leven in het huidige Latijns-Amerika? En op welke manier bindt de moderniteit die hij bezingt dit enorme continent? Fuguet zweert het magisch realisme af omdat Latijns-Amerika een andere wereld is dan die wordt beschreven in de boeken van Márquez. Zijn continent staat bol van de tegenstellingen: nog altijd lopen indianen op blote voeten rond terwijl zakenlieden in snelle auto's rondrijden.

Dat is een interessante observatie, maar het zou interessanter zijn als Fuguet in zijn werk zou analyseren, of verbeelden, wat die postmoderne mengeling voor Zuid-Amerika betékent, in hoeverre het individualisme in Latijns-Amerika zich onderscheidt van dat in Noord-Amerika of Europa. Want welk effect heeft bijvoorbeeld de economische liberalisering op de Latijns-Amerikaanse landen? Is de armoede in de grote steden niet toegenomen? En is de individualisering wel een gunstige ontwikkeling voor generatiegenoten van Fuguet die niet, zoals hij, een goede opleiding in de Verenigde Staten hebben gekregen, naar hartelust kunnen rondreizen en profiteren van alle nieuwe producten die op de markt worden gebracht. Maar wat heeft een indiaan uit het amazonegebied aan een paar nieuwe Nikes als zijn woongebied wordt afgegraven voor mijnbouw? Zulke vragen zijn ook op de achtergrond niet te vinden bij Fuguet. In Mala Onda houdt hij zich slechts bezig met zijn eigen achtergrond en dat leidt tot navelstaarderij.

Ook in de onderhoudende boeken van Volpi en Padilla wordt geen indringend beeld gegeven van de sociale en economische ontwikkelingen in het moderne Latijns-Amerika. Integendeel, in hun drang om het magisch-realistische cliché van hun werelddeel te ontvluchten, hebben beide auteurs niet alleen die stijl, maar het hele continent achter zich gelaten. Amphitryon van Padilla is een ambitieus boek waarin een reeks mysterieuze persoonsverwisselingen plaatsvindt en gespeeld wordt met de vraag naar de identiteit van de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann. Volpi's De zoektocht naar Klingsor staat bol van de wetenschappelijke wetenswaardigheden en goochelt met thema's als het toeval, waarheid en leugens. De ingewikkelde verhaallijnen zijn duidelijk geïnspireerd op het werk van Jorge Luis Borges. Volpi en Padilla leiden hun lezers een intrigerende wereld binnen, maar hun groots opgezette, nogal wijsneuzige boeken leveren geen nieuw beeld op van hun eigen geboorteland Mexico. Het is duidelijk dat de oprichters van deze `Crack Generatie' elkaar hebben gevonden in hun grote liefde voor de westerse geschiedenis, spionagepraktijken en het schaakspel en zich niet verplicht voelen om zich met andere onderwerpen bezig te houden.

Blijft er iets over wat deze nieuwe generatie schrijvers wel met elkaar verbindt? Het lijkt er in eerste instantie niet op. De verhalen in A Whistler in the Nightworld zijn zo uiteenlopend en de schrijfstijlen zo divers, dat er geen samenhangend beeld uit naar voren komt. Het leven van Virginia in `Flight' heeft weinig gemeen met het rauwe bestaan van de ik-persoon in het verhaal `Nothing to Do' van de Cubaan Pedro Juan Gutiérrez of met de romance tussen twee ouderen in `The Scent of Invisible Roses' van de Colombiaanse schrijfster Laura Restrepo.

Toch zijn er overeenkomsten te bespeuren. Veel van de verhalen gaan over vervreemding, eenzaamheid en onvervulde verlangens van mensen die zichzelf hebben verloren in een voortrazende, geglobaliseerde wereld. Een goed voorbeeld is het mooie verhaal `After Elián' van de Cubaanse schrijver Ernesto Mestre-Reed waarin een oude, dementerende Cubaanse vrouw het bejaardentehuis ontvlucht, zich verliest in de straten van Miami en uiteindelijk wordt opgeslokt door de golven van de zee. Of `Dochera', van de Boliviaan Edmundo Paz-Soldán, waarin een contactgestoorde ontwerper van kruiswoordpuzzels wanhopig op zoek gaat naar een vrouw die hij eenmalig in de stad heeft ontmoet.

Het zijn gekwelde zielen, die zich verloren voelen in een moderne wereld vol ogenschijnlijke zekerheden. Een wereld waarin de vraag `wie ben ik' niet alleen het `wie zijn wij' heeft verdrongen, maar ook een pijnlijke vraag is geworden. Daarmee wijzen deze Latijns-Amerikaanse schrijvers op een paradox waarmee wij in Europa en de Verenigde Staten al langer worden geconfronteerd: wat ons verenigt, is dat we elkaar steeds meer kwijtraken.

Thomas Colchie (ed.): A whistler in the nightworld. Short fiction from the Latin Americas. Penguin, 410 blz. €22,99

Ignacio Padilla: Amphitryon. Uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu. De Bezige Bij, 224 blz. €18,50

Jorge Volpi: De zoektocht naar Klingsor. Uit het Spaans vertaald door Mieke Westra en Mariolein Sabarte Belacortu. De Bezige Bij, 437 blz. €22,65

Alberto Fuguet: Mala Onda. Becky's import, 335 blz. €21,99