Clown de luxe

Theatermaker Don Duyns maakte een voorstelling over zijn opa. Gerrie Montagne was `de man met de 10 wondervingers die 100.000 wonderen levert'.

Don Duyns speelt zijn grootvader, in rokkostuum met hoge hoed. ,,Welkom in Studio 7, het laatste reizend variététheater van Europa!'' verkondigt hij, en dan somt hij op wie er allemaal op het programma staan: de fakir Kirokaya, die messen door zijn tong steekt zonder ook maar een druppel bloed te verliezen, de Parijse stripteasedanseres Solange Abel, de sterke Abdullah uit Egypte, die massieve staven kan ombuigen alsof het niets is – stuk voor stuk wereldattracties die hier, op de kermis van Tilburg, hun kunsten komen vertonen. En dan heeft hij, Gerard Duyns alias Gerrie Montagne, nog niet eens zijn eigen vaardigheden als goochelaar en jongleur genoemd. Die krijgen de mensen er straks vanzelf bij.

Mijn opa, de artiest heet de voorstelling die Don Duyns heeft gemaakt bij zijn theatergroep Growing up in Public. Hij speelt zelf de hoofd- en titelrol, als een gelouterde variétéartiest die zijn kleinzoon voorhoudt wat je allemaal te bieden moet hebben om in het moeilijke artiestenvak het hoofd boven water te houden. Zo'n theatermaker heeft het maar makkelijk, vindt deze opa, die hoeft alleen maar zijn hand op te houden en hij krijgt subsidie van de regering. Maar wie artiest is, moet echt iets kunnen – jongleren, goochelen, wat dan ook:,,Sluit jezelf op in je kamer en ga oefenen. Vijf jaar, tien jaar, tot je iets kunt.''

Gerard Duyns (1924-1980), de vader van VPRO-documentarist Cherry Duyns en de grootvader van theatermaker Don Duyns, werkte zijn leven lang onder de artiestennaam Gerrie Montagne – als goochelaar, jongleur, poppenkastspeler, clown de luxe met hoog opgetrokken wenkbrauw in een witgeschminkt gezicht, zakkenroller en bonnisseur, de naar het Franse bon annonceur verbasterde variétébenaming voor de man die op de kermis vóór de tent het publiek naar binnen praat. Zelf was Montagne de zoon van Toon Duyns, die optrad als de sterke man Long Tom. Als jongetje, in de jaren dertig, mocht hij al met vader mee naar de kermissen van Noord-Holland. Ze reisden per schuit. Op zijn zestiende, in 1940, debuteerde hij als goochelaar in de Broadway in Amsterdam, toenmalig trekpleister van het amusementsbedrijf. ,,En daar had je de grote mannen van toen'', zei hij later. ,,Willy Derby, Lou Bandy, dat waren mijn goden. Daar dróómde ik van.''

Het vak was zijn alles. ,,In zijn leven bestond niets anders, geen uur van de dag'', schreef Cherry Duyns in zijn verhalenbundel De bovenman (1989). ,,Als hij thuis was, verzorgde hij zijn kostuums, borstelde zijn hoge hoed naar de vleug, verfraaide zijn goocheltrucs en jongleerattributen.'' Zelfs aan tafel, thuis in Haarlem, bleef Gerrie Montagne aan het werk; dan jongleerde hij met het fruit van het dessert, of met het serviesgoed. Een paar keer kwam hij pijnlijk ten val door in de huiskamer op een laag tafeltje te klimmen en een plank op een grote deegrol te leggen, waarop hij dan jonglerend, ,,als een dronkeman staande op de golven'', in evenwicht trachtte te blijven. En als de jonge Cherry zijn huiswerk zat te maken, nam vader hem heimelijk zijn zakdoek af, de bretellen van zijn broek of de schoenen van zijn voeten. ,,Repeteren, repeteren en nog eens repeteren, anders kom je er niet'', hield hij zijn zoon voortdurend voor.

Wondervingers

,,De man met de 10 wondervingers levert 100.000 wonderen'', heette het op de affiches. Tot de groten in zijn vak heeft Gerrie Montagne echter nooit behoord. Tijdens en kort na de oorlog werkte hij met succes in de Duitse variététheaters – de Scala in Berlijn, de Apollo in Düsseldorf, Kristall Palast in Leipzig – maar toen hij eind jaren veertig terugkeerde in Nederland, was daar minder emplooi. Noodgedwongen richtte hij Montagne's Jeugdvariété op. Zo huurde hij jarenlang tijdens de zomervakantie het Rembrandttheater in Haarlem om daar dagelijkse kindervoorstellingen te spelen, met een accordeonist, een clownsnummer, een poppenkast, een sneltekenaar, een buikspreker of een nummer met gedresseerde hondjes. ,,Het programma is weer uitstekend verzorgd, afwisselend en vooral beschaafd'', prees de Nieuwe Haarlemsche Courant in die dagen.

Tot ook daarin de klad kwam. Naarmate er meer televisie werd gekeken, werden de kinderen steeds verwender en mondiger. Eén keer is hij zelfs bekogeld met kastanjes. Wel lukte het hem nog geruime tijd om kinderpartijtjes bij mensen thuis te verzorgen. Maar ook dan behield hij zijn trots, aldus Cherry Duyns: ,,Mijn vader noemde dat houding.'' Als er niet te ver van huis moest worden gewerkt, zette hij zijn goochelkoffer achterop de fiets en reed tot vlakbij het adres waar hij moest zijn. Daar vroeg hij of hij even een taxi mocht bellen, omdat zijn auto het had begeven. Zo kon hij goedkoop arriveren, en toch in stijl. En als hem na afloop een lift naar huis werd aangeboden, liet hij zich bij de Stadsschouwburg afzetten. Het laatste stukje liep hij liever, zei hij dan. Niemand mocht weten hoe klein hij woonde. Pas 's avonds, in het donker, ging hij dan te voet zijn fiets ophalen.

Maar veel werk was er niet meer; het publiek kon de beste artiesten nu gewoon thuis op de televisie zien en veel oude variététheaters kregen een andere bestemming. Nog een paar jaar reisde Gerrie Montagne de Duitse kermissen af met een nummer als zakkenroller, uitgedost in Volendammer klederdracht. Samen met een compagnon kon hij halverwege de jaren zestig bij toeval een kermistentje kopen. ,,Nou ja, 't was eigenlijk een hoop brandhout, 't was een berentest geweest, helemaal verwaarloosd en verrotzooid'', zei hij in een interview met de historicus G.H.Jansen, auteur van het kermisboek Een roes van vrijheid (1987). Zo werd het reizende variététheater Studio 7, waarvan hij zelf de bonnisseur was, zijn laatste werkkring.

Hoe was 't?

Op een bandopname die Jansen in de jaren zeventig maakte op de kermis van Tilburg, is te horen hoe Gerrie Montagne vóór die tent het publiek naar binnen stond te lokken. Eerst hield hij degenen die zojuist de vorige voorstelling hadden gezien en aan de voorkant naar buiten kwamen, de microfoon voor de mond: ,,Hoe was 't?'' Iedereen zei dat het prachtig en geweldig was geweest – het zal ook wel lastig zijn geweest in het openbaar iets anders te antwoorden op zo'n dwingend gestelde vraag. Zo lag de conclusie voor de hand: ,,U ziet, dames en heren, iedereen komt tevreden naar buiten.'' En voor wie toch nog aarzelde, kwam het laatste bod: een kaartje kostte vijf gulden en wie niet tevreden was, kreeg na afloop het vijfvoudige terug. Voorzover bekend, is dit bedrag nooit door niemand opgeëist.

Hij kwam nu al twaalf jaar in Tilburg, zei hij vol trots tegen Jansen, en hij had er veel vaste klanten die elk jaar weer kwamen kijken: ,,Dat heb ik dan toch maar bereikt.'' Maar zwaar bleef het wel. Elk jaar stegen de pachtkosten en de artiestensalarissen, terwijl tegen de televisie bijna niet meer viel op te boksen: ,,Zó mooi kun jij het op een kermis niet doen, of er is altijd wel een deel van het publiek dat ontevreden is. Want wanneer het op de tv is – al is het rotter, dan vinden ze het toch altijd beter.''

Het spektakel in Studio 7 duurde ruim een half uur; ze speelden 20 tot 24 keer per dag. ,,En dat doen ze met een glimlach'', zei hij. Heel wat anders dan die ,,zakkenwassers'' van de televisie. Je zou eens moeten proberen zo'n Willem Duys of Mies Bouwman of Berend Boudewijn op de kermis te zetten, dan bleef er niets van over.

Des te pijnlijker moet het voor vader Duyns zijn geweest, dat Cherry nu juist bij de televisie ging werken. Weliswaar in de journalistieke sector, maar toch. Het was hem niet gelukt zijn zoon als artiest op te leiden. Een poging om hem tijdens een optreden te laten assisteren, mislukte: de knaap deed alles verkeerd. ,,Kort voordat hij stierf, kwam hij bij me thuis'', zegt Cherry Duyns. ,,Hij wilde me een koffertje met goocheltrucs geven, dat ik dan onder mijn bed zou zetten. En als 't een keertje mis zou gaan bij die televisie, je wist 't maar nooit, dan had ik altijd nog die trucs, en dan kon ik altijd nog m'n vreten verdienen.'' Cherry heeft het aanbod van de hand gewezen.

Don Duyns, de kleinzoon, herinnert zich zijn grootvader als een man die naar zware shag en Afghaanse windhonden rook en een heel andere sfeer uitstraalde dan hij van thuis gewend was. ,,Veel meer show-achtig, en altijd perfect in het pak, anders dan alle andere mensen. Maar die fascinatie met zijn vak is bij mij pas veel later gekomen. Meer via mijn vader dan rechtstreeks van opa. Ik heb hem gekend tot mijn dertiende; als het me toen al zo had geïnteresseerd, had ik vast en zeker wel eens met hem willen meereizen. De kermis op.''

Voor zijn voorstelling heeft Don Duyns ,,met veel moeite'' een paar trucjes ingestudeerd. Hij tovert een satijnen doekje weg, propt andere doekjes in elkaar om ze verknoopt weer tevoorschijn te halen, en schenkt uit één glas eindeloos melk in steeds grotere glazen. ,,Mijn zoon heeft er niet veel sjoege van, van het artiestenvak'', zegt hij in de rol van grootvader Gerrie. ,,Is te onhandig. Laat alles uit z'n poten flikkeren. Misschien een kleinzoon, dat die het weer oppikt. Zou mooi zijn, zou mooi zijn.''

`Mijn opa, de artiest' gaat 18 oktober in première in theater Frascati, Amsterdam. Tournee t/m 17/3. Inl. 030-2761220 of www.growingupinpublic.nl.

Zo'n theatermaker heeft het maar makkelijk.

Een artiest, die moet écht iets kunnen

    • Henk van Gelder