Achterwaarts vergeten

Hoe moet het verder met links? De kiezers keerden de PvdA massaal de rug toe. Alle rampspoed komt `van links'. Twee studies geven richtsnoeren hoe de sociaal-democratie zich alsnog kan vernieuwen: niet meer mikken op een oude achterban, maar het oude ideaal aanjagen.

Laat in de avond van 6 maart 2002, tijdens de lange autorit van Heerenveen naar Hilversum, doet Ad Melkert een van de meest fatale dutjes in de Nederlandse politieke geschiedenis. De lijsttrekker van de PvdA komt erna onvoorbereid en chagrijnig aan in de tv-studio, verliest het debat met Pim Fortuyn over de gemeenteraadsverkiezingen, en ruim twee maanden later ook de Tweede-Kamerverkiezingen. De campagnestrategie van de sociaal-democraten, ook na het echec in Hilversum nog gericht op het positioneren van Melkert als de nieuwe minister-president, had volkomen gefaald.

In het veelbesproken rapport dat een PvdA-commissie onder leiding van commissaris van de koningin Margreeth de Boer schreef over de dramatische campagne, wordt het allemaal nog eens uit de doeken gedaan. Tegelijkertijd constateert de commissie dat achter de fatale electorale strategie een al veel langer durende crisis schuil gaat: de PvdA is een gesloten bestuurderspartij, te veel gespitst op de verkiezingscampagne, zonder antwoord op nieuwe maatschappelijke scheidslijnen, en zonder scherp ideologisch profiel. De diagnose zou nog veel verder uitgewerkt kunnen worden, maar het gaat de commissie-De Boer er uiteindelijk om `een intensief debat te starten over de brandende kwesties van de sociaal-democratie'.

Dat klinkt bekend in de oren. Hoe vaak is het de laatste tijd niet gezegd, dat de PvdA `een open, transparante partij moet zijn, waarin zonder taboes over politieke kwesties wordt gedebatteerd'? De brief van het PvdA-partijbestuur waaruit dit citaat afkomstig is, was bedoeld als introductie van het rapport van de commissie-De Boer, maar maakte het rapport meteen af met kwalificaties als `eenzijdig', `unfair', `analytisch zwak' en `feitelijk onjuist'. Met als resultaat: wederom geen debat, maar verwijten, excuses en een beledigd of juist schaamtevol zwijgen.

Als er zo vaak om een debat wordt gevraagd en er zo weinig van te vinden is, dringt de gedachte zich op dat de betrokkenen misschien niet zoveel meer te zeggen hebben. Is de sociaal-democratie niet domweg uitgepraat? Is de hele linkse beweging niet definitief ingedut?

Die conclusie lijkt onvermijdelijk na lezing van twee recente, omvangrijke publicaties over de geschiedenis van links. Bart Tromp, al dertig jaar luis in de pels van de PvdA en bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde afgelopen woensdag in Leiden alsnog op Het sociaal-democratisch programma, een dissertatie over de geschiedenis van het sociaal-democratisch beginselprogramma in Nederland. Zijn conclusie luidt dat de PvdA sinds de jaren tachtig niet meer op een zinnige manier over haar beginselen weet te spreken. Nog somberder is Geoff Eley. In zijn magnum opus Forging Democracy wekt deze marxistische historicus, verbonden aan de universiteit van Michigan, de indruk dat de linkse beweging in Europa ten dode is opgeschreven sinds het communisme werd verraden door Russische apparatsjiks en de sociaal-democratie zich via de Derde Weg heeft verkocht aan het kapitaal. Zijn boek bestrijkt een periode van anderhalve eeuw waarin communistisch, sociaal-democratisch en anarchistisch links een glorieus verleden hadden, en maar weinig toekomst. De terminale staat waarin links nu verkeert, onderstreept Eley met een reeks necrologieën van helden van de linkse beweging, die het hoogtepunt van hun politieke carrière veelal beleefden vóór de Tweede Wereldoorlog.

Beide auteurs, Eley en Tromp, begonnen al zo'n twintig jaar geleden na te denken over de nu gepubliceerde studies. Tromp verdiepte zich voor het eerst in de geschiedenis van sociaal-democratische beginseldiscussies nadat hij in 1977 in de Haagse Post een vernietigend oordeel had geveld over het toenmalige PvdA-beginselprogramma. Dat oordeel herhaalt hij nu, maar ingebed in een bredere analyse van ideologische hoogtij en teloorgang van de Nederlandse sociaal-democratie.

Tromp herleidt de ontsporing van de PvdA tot de gebeurtenissen van mei 1968, de opkomst van Nieuw Links en de groeiende invloed van buitenparlementaire bewegingen. De neerslag daarvan was terug te vinden in het beginselprogramma van 1977. De internationale oriëntatie gaf het programma een `sterk tiermondistische kleur', waardoor de indruk ontstond `dat de opstellers niet een beginselprogramma voor een politieke partij in Nederland voor ogen stond, maar voor de hele wereld'. Bovendien bevatte het radicale voorstellen, zoals invoering van een basisinkomen, maar ontbrak er oog voor de uitvoerbaarheid daarvan. Het stuk was volgens Tromp bovendien gebaseerd op een staatsopvatting `waarin de staat allerlei rechten toekent aan burgers' zonder aandacht voor de daarbij behorende plichten en onvermijdelijke keuzen. De nieuwe thema's die sinds de jaren zestig op de agenda zijn gekomen feminisme, ecologie, internationale solidariteit, welzijn, seksuele minderheden en vele andere hebben volgens Tromp de ideologische consistentie van de sociaal-democratie ernstig aangetast.

Eley heeft een heel andere analyse van `1968'. In tegenstelling tot Tromp bewondert hij juist de buitenparlementaire actie van nieuwe sociale bewegingen, die voor hem nog steeds de belofte belichamen van een vernieuwing van de linkse beweging. Die verschillende waardering van 1968 hangt samen met een diepgaander verschil van inzicht over de aard van de linkse beweging. Volgens Eley zijn linkse partijen de politieke uitdrukking van het verlangen van de arbeidersklasse naar opheffing van onrechtvaardige ongelijkheid, naar `democratie', al lijkt dat niet de juiste term. Maar Eleys grote probleem is dat die klassebasis van links, het industriële proletariaat, sinds de jaren zestig is verdwenen. Links moet daarom volgens hem aansluiten bij nieuwe strijdpunten over sekse en etniciteit, en zijn hoop stellen op nieuwe sociale bewegingen.

Tromp maakt zich helemaal niet druk om het verdwijnende proletariaat. De SDAP discussieerde immers al vanaf het begin van de vorige eeuw over de vraag hoe de aanhang van de partij kon worden verbreed naar kleine boeren en naar de nieuwe middenklasse. Bovendien bestond de aanhang toen ook al uit een zeer heterogene groepen, die juist pas door de socialistische ideologie aaneengesmeed werden tot een sociale klasse met eigen belangen en visies. Links heeft volgens Tromp dus nooit een vaste, objectieve achterban gehad, maar is steeds in staat geweest om op basis van beginselen een eigen achterban te creëren. Dat zou links ook nu nog moeten kunnen.

Tromp is op dit punt overtuigender dan Eley, wiens voorstelling van zaken wel erg door de Engelse geschiedenis gekleurd is, waar `class' tot voor kort de politiek bepaalde. Hij heeft zich klaarblijkelijk ook niet weten te ontworstelen aan het neo-marxistische debat van twintig jaar geleden; zoals hij zelf aangeeft, had hij de opzet voor Forging Democracy aan het begin van de jaren tachtig al klaar. Sindsdien is hij niet wezenlijk van gedachten veranderd, al vergde zijn voortschrijdend inzicht in toestand van links wel `a lot of letting go.'

Die melancholie blijft voelbaar in het hele boek, dat niet altijd aan de goede kant blijft van de grens tussen ontroerende evocatie van de linkse teloorgang en het valse sentiment van een stalinistische spijtoptant. Eley presenteert het Russische bolsjewisme van de jaren twintig bijvoorbeeld als noodzakelijke disciplinering van de communistische beweging en meent dat het communisme pas echt de fout inging na 1945. De stalinistische zuiveringen en repressie van de jaren dertig worden in twee alinea's afgehandeld en het grootste kwaad dat eruit voortkwam was dat deze episode `de politieke beleving van Links misvormde'. Eleys ideologische verblinding is des te opvallender, omdat de hoofdthese van zijn boek nu juist luidt dat links altijd zorg heeft gedragen voor de verbreiding van de democratie. Die stelling vloekt niet alleen met zijn communistische sympathieën, maar miskent ook de rol van het burgerlijk radicalisme bij de totstandkoming van het algemeen kiesrecht, en staat haaks op zijn voortdurende verkettering van de sociaal-democratie, die wèl vanaf het begin de ontwikkeling van de democratie heeft gesteund en bevorderd.

Ondanks hun verschillen in evaluatie en oordeel, lopen de historische analyses van Tromp en Eley wel voor een deel parallel. Beide auteurs gaan ervan uit dat de geschiedenis van links vooral moet worden gezien als die van de massapartij. Zo begint Tromps geschiedenis pas echt in 1882, met de oprichting van het Sociaal Democratische Verbond (later Bond), met een beginselprogramma dat was gebaseerd op het Duitse Program van Gotha, waarmee de socialistische voormannen Lasalle, Bebel en Liebknecht in 1875 hun partijen aaneen hadden gesmeed. Voor het daaropvolgende programma, opgesteld na de oprichting van de SDAP in 1894, stond het Erfurter programma van de Duitse SPD model. Daarmee voegde het Nederlandse socialisme zich in de Tweede Internationale, die onder invloed van Kautsky politieke actie overbodig verklaarde, omdat de geschiedenis vanzelf de bevrijding van de arbeidersklasse zou brengen.

Dat bleek al snel een illusie. Rond de eeuwwisseling ontwikkelde Lenin in Rusland een ideologie, waarin een voorhoede door discipline en wilskracht de revolutie tot stand moest brengen. Aan de andere kant stonden reformisten als Bernstein in Duitsland en Jaurès in Frankrijk, die via hervormingen binnen de parlementaire democratie en via coalities met leden van andere sociale klassen de weg naar het socialisme meenden te kunnen vinden. Beide vleugels waren wel even radicaal: het doel bleef een socialistische maatschappij.

Van deze hoofdstromen vond de eerste zijn bedding in het sovjetcommunisme en in de partijen die zich elders in Europa ondergeschikt maakten aan Moskou. Het reformisme kreeg op zijn beurt gestalte in wat Eley de `noordwest-Europese kern van de sociaal-democratie' noemt, waar ook Nederland binnen valt (al zegt Eley nauwelijks iets over ons land en is wat hij zegt niet altijd accuraat). Tromp is een veel betrouwbaarder gids en beperkt zich bovendien niet tot de Nederlandse sociaal-democratie, maar plaatst die in de context van de geschiedenis van politieke ideologieën in heel Europa en zelfs die van het `wereldsysteem'. Door de compositie en omvang van zijn boek doet zijn betoog wel een groot beroep op de welwillendheid van de lezer, maar wie pagina 400 weet te bereiken, krijgt waar voor zijn geld. In het slothoofdstuk trekt Tromp alle zorgvuldig uitgesponnen draden samen tot enkele overtuigende lijnen.

In navolging van zijn leermeester Immanuel Wallerstein, betoogt Tromp in dat slotdeel dat `1968' het einde inluidde van een liberale consensus, die sinds 1848 de westerse politiek had bepaald en waarin de sociaal-democratie zich had geschikt. De centrale gedachte was dat het kapitalisme gebreideld kon worden door sociale wetgeving en tegelijkertijd de welvaart zou scheppen die iedereen ten goede kwam. Na de jaren zestig maakte deze consensus plaats voor een linkse beweging die steeds kritischer kwam te staan tegenover de vruchten van de welvaartsgroei. Aan de andere kant ontstond na het Amerikaanse opzeggen van het verdrag van Bretton Woods, dat de internationale monetaire verhoudingen regelde, een agressief neoliberalisme, dat van geen beteugeling van de markt wilde weten. Als gevolg daarvan werd de sociaal-democratie heen en weer geslingerd tussen een radicaal antikapitalisme, dat vooral in het programma van 1977 doorklonk, en het meewaaien met de neoliberale wind van de Derde Weg en het paarse bewind. De partij verwerd ondertussen tot een verkiezings- en recruteringsmachine voor een nieuwe politieke elite, een punt waar Pim Fortuyn in zijn campagne goed garen bij spon.

Volgens Tromp was er in al deze veranderingen ook sprake van een sterke ontideologisering. Kern daarvan is dat de partij gaandeweg de pretentie heeft opgegeven het kapitalisme te kunnen vervangen door een socialistisch stelsel. De PvdA wierp zich op als de beheerder van een gemengde, maar nog steeds kapitalistische economie, gebaseerd op enerzijds individueel eigendom en vrije concurrentie, anderzijds sociale wetgeving en een rechtsorde van de arbeid. Daardoor ging de sociaal-democratie zich sterk met de sociale rechtsstaat identificeren. Grote maatschappelijke veranderingen moesten voortaan tot stand worden gebracht in de cultuur, in de bevordering van individuele mondigheid en zelfontplooiing. Zo maakte socialistische gemeenschapszin plaats voor libertair individualisme en konden de kiezers niet langer aangesproken worden als collectief, maar louter als individuen met veranderlijke meningen.

Naarmate de vereenzelviging met de regeringsmacht en de voortdurende jacht op kiezers meer gingen overheersen, namen volgens Tromp de bereidheid maar ook het vermogen af om na te denken over sociaal-democratische beginselen. Terwijl in de programcommissie van 1959 nog de complete partijtop zat, werd er in de jaren zeventig gepraat door een onsamenhangende groep partij-intellectuelen zonder politieke verantwoordelijkheden. De opstelling van Joop den Uyl, die de beginseldiscussie in 1974 `een beetje negentiende-eeuwse bezigheid' noemde, maakte school. Vorige week liet ook kandidaat-partijleider Wouter Bos weten geen zin te hebben om naast een `mission statement' ook nog een `traditioneel beginselprogramma' te schrijven. Hij heeft het liever over `concrete problemen', onder het motto `Alleen het resultaat telt!'. Daarmee neemt hij de paarse illusie over dat politiek een kwestie is van praktisch beheer, in plaats van het verdedigen van keuzen op basis van beginselen waarmee je een achterban aan de partij bindt.

Tromp maakt daarentegen overtuigend duidelijk dat beginselprogramma's een onontbeerlijk middel zijn voor een partij om zich te onderscheiden van andere politieke stromingen, om de achterban te mobiliseren en om kiezers zich met de partij te laten identificeren. Maar zijn epiloog, waarin hij het onvermogen van de PvdA schetst om zich hiervan rekenschap te geven, lijkt niet de beste manier om die houding te veranderen. Hij heeft die terecht buiten de dissertatie gehouden, maar ook als slot van de handelseditie is zijn toon te schril. Geheel in de traditie van Karl Marx zelf, die niet schroomde het werk van Lasalle en Bebel als `verwerpelijk' of `nonsens' af te doen, hanteert Tromp kwalificaties als `incompetent' en `bizar'. De enige tegenstander die op waardering mag rekenen is Lolle Nauta, die meermalen geprezen wordt om de moed dat hij als enige van de opstellers het programma van 1977 nadien heeft willen verdedigen. Maar dat klinkt nogal als het compliment van de overvaller die zijn slachtoffer prijst voor de grootmoedigheid waarmee hij zijn geld afgeeft.

Het ontbreken van een wat constructievere opstelling is jammer, want Tromps boek biedt daarvoor voldoende aanknopingspunten. Hij laat zien dat de discussies over beginselen steeds draaiden om de verbinding tussen abstracte idealen, analyses van de maatschappij en praktische voorstellen voor politieke hervormingen. In het licht van deze drieslag valt niet alleen de zwakte van de huidige sociaal-democratie op, maar komen ook nieuwe uitwegen in zicht. Om te beginnen valt op hoe weinig oog linkse partijen hebben voor de manier waarop hun achterban tot stand komt. Ze blijven te veel steken in de verzuchting van Eley dat het proletariaat zoek is, en dat men dat weer moet opzoeken in de `oude wijken'. De geschiedenis van links zoals beschreven door Tromp, leert nu juist dat links nooit een vaste achterban heeft gehad, maar een zich ontwikkelende, die altijd tot stand kwam door de inspiratie van het socialistisch ideaal. Pas door de vereenzelviging met dat ideaal waren uiteenlopende individuen in staat elkaar te herkennen als leden van dezelfde ideële gemeenschap. Dat gezichtspunt biedt mogelijk een uitweg uit de huidige,vastgelopen discussie over de integratie van minderheden. Links zwalkt daarin tussen een liberaal kosmopolitisme, dat in naam van culturele diversiteit het onrecht van religieuze onderdrukking tolereert, en een conservatief nationalisme, gebaseerd op de illusie dat de belangen van de autochtone bevolking gediend worden door nieuwkomers een fictieve Leitkultur voor te houden. Links zou deze keus tussen liberalisme en conservatisme moeten weigeren en de socialistische erfenis in stelling moeten brengen: links verenigt groepen die strijden tegen onrechtvaardige ongelijkheid, of die nu wordt veroorzaakt door de markt, door religie of door de staat.

Ook valt op hoezeer links de economische dimensie van ongelijkheid heeft laten liggen. Terwijl de breideling van het kapitalisme de hele twintigste eeuw tot de kern van het socialisme behoorde, is die aandacht de laatste twintig jaar verloren gegaan. Dat is des te opmerkelijker omdat juist die periode een trendbreuk zag, van toenemende gelijkheid naar sterk groeiend verschil tussen arm en rijk en objectieve verarming van de laagste inkomensgroepen. Daar komt bij dat links sinds de jaren zeventig een sterk meritocratische opstelling heeft gehad: mensen moesten zichzelf leren redden. Maar bij al die nadruk op scholing en vorming is vergeten dat zo'n meritocratie een nieuwe tegenstelling creëert, die tussen intellectueel getalenteerden en ongetalenteerden. Zoals de commissie-De Boer constateert: er is een nieuwe klassenstrijd ontstaan, waarbij links geconfronteerd wordt met het ongemakkelijke feit dat het aan de kant van het establishment is komen te staan. Links zou daarom niet alleen de inkomenspolitiek, maar ook de cultuur- en onderwijspolitiek nieuw leven moeten inblazen. Dat zou een opwaardering van het beroepsonderwijs kunnen inhouden (tégen de race naar hogere diploma's, vóór het vakmanschap); maar ook een expliciete verdediging van cultureel leiderschap. Als conservatieven zich gaan opwerpen als moraalridders, zouden socialisten de muren van de vrijzinnige beschaving kunnen verdedigen.

Tenslotte is links blijven steken bij de constatering dat de politiek zich heeft verplaatst en de staat niet alles vermag. De commissie-De Boer komt met de al te bescheiden suggestie om de lokale politiek meer aandacht te geven. Die gaat voorbij aan het feit dat een groot deel van de onvrede over publieke diensten te maken had met semi-geprivatiseerde sectoren als het openbaar vervoer of met sectoren waarin sommige marktpartijen een onevenredig sterke positie hebben, zoals de specialisten en verzekeraars in de gezondheidszorg. De tijd lijkt met andere woorden rijp voor een herwaardering van de rol van de staat. Ook hier zou nog wel eens over doorgepraat kunnen worden. Al was het maar om aan te tonen dat links niet dood is, maar nog steeds iets te melden heeft.

Geoff Eley: Forging Democracy. The History of the Left in Europe, 1850-2000. Oxford University Press, 698 blz. €44,25

Bart Tromp: Het sociaal-democratisch programma. De beginselprogramma's van de SDB, SDAP en PvdA, 1878-1977. Bert Bakker, 682 blz. €35,-

Margreeth de Boer e.a.: De kaasstolp aan diggelen. De PvdA na de dreun van 15 mei. Werkgroep Politiek Inhoudelijke Koers. Partij van de Arbeid, 45 pagina's, te vinden op www.pvda.nl

    • Ido de Haan