Sierlijke meubels van hout-origamie

Meubelmaker Michael Thonet kwam al in 1836 op het idee om laagjes fineer te lijmen en met een mal in de gewenste vorm te persen. Eind 19de eeuw was de houtindustrie in staat geperst multiplex te maken. Nog eens dertig jaar later reduceerde het persen onder hoogfrequente stroom de productietijd tot luttele minuten.

Toch duurde het na Thonets ontdekking bijna een eeuw voordat ontwerpers gelamineerd hout gingen zien als meubelgrondstof met eigen mogelijkheden. Pas nadat Ray en Charles Eames in 1942 een beenspalk ontwierpen van geperst laminaat, ontdekten Nederlandse ontwerpers het materiaal. De sobere, lichte meubels met een heldere lijn sloegen aan bij de stichting Goed Wonen, die de naoorlogse bevolking `opvoedde' in moderne interieurinrichting. Het was het begin van een nieuwe tak van meubelontwerp. Het Nationaal Vlechtmuseum in Noordwolde brengt onder de titel Wonderwood een bescheiden maar interessant historisch overzicht.

Dat de pioniersjaren van net na de oorlog goed vertegenwoordigd zijn is te danken aan de fascinatie van gastconservator Wiet Hekking voor deze onderbelichte periode. Vooral de bijna in vergeten Cees Braakman wordt in ere hersteld. Zijn op Amerikaanse voorbeelden geënte sierlijke stoelen en ranke theewagens zijn van uitzonderlijke kwaliteit. Maar het was Han Pieck die al in 1946 het plastische karakter van het nieuwe materiaal onderkende. Zijn stapelbare fauteuils uit één stuk hout hebben weliswaar nog twee metalen verbindingsstukken om de rugleuning te stutten, maar vormen het begin van wat dertig jaar later zou uitmonden in een bijzonder soort `hout-origami'. Alleen generatiegenoot Hein Stolle wist nog ingenieuzer te vouwen met hout, maar zijn driehoekige bijzettafel T-46 vond men zo futuristisch dat hij pas vorig jaar in productie kwam.

De nadruk lag in die jaren vooral op functionaliteit. De bekendste stoel uit de periode is dan ook Friso Kramers Revoltstoel met stalen onderstel en houten zit- en rugleuning, die nog in talloze kantoren en scholen te vinden is. In de jaren zestig en zeventig schoven de meubels op richting beeldende kunst. Ontwerpers als Gijs Bakker en Bruno Ninaber van Eyben ontwierpen hun stoelen op zo'n manier dat de constructie zichtbaar werd. Dat is goed te zien in Ninabers Demontabele Stoel, die bestaat uit twee grote houten scharnieren die bijeen worden gehouden met een forse pen. De jongste ontwerpgeneratie zoekt het in robuuste vormgeving. Zowel de Curved Chair van Job Smeets, die lijkt op een hoekige s waar een hoekje ontbreekt, als Richard Huttens toepasselijk getitelde Rhino zijn bijna meer beeld dan stoel. In hun zwaarte is iets terug te zien van waar het allemaal mee begon: een stevige boom.

Tentoonstelling: Wonderwood. T/m 15/11 in Nationaal Vlechtmuseum, Mandehof 7, Noordwolde. Inl. 0561-431885.