KOST EN INWONING

Nu Eddy van Vliet is overleden is dit gedicht een januskop geworden. Het kijkt naar twee kanten. Je kunt je voorstellen dat de dichter het schreef terwijl hij aan zijn eigen dood dacht. Je kunt je ook voorstellen dat je het gedicht leest terwijl je, als lezer, terugdenkt aan de maker. De maker is dood, het gedicht blijft voortbestaan. Het persoonlijk gedicht werd een algemeen gedicht. Maar wonderbaarlijke paradox daardoor ook een des te persoonlijker gedicht. De maker verdween en het gedicht gloeit dubbel.

`Heb geen angst' staat er in de eerste regel. Op z'n janboerenfluitjes associeer je zo'n zin met: `Heb geen angst voor de dood.' De mens hoort bang voor de dood te zijn, zoals een ongetrouwde juffrouw hoort te schrikken van een muis. Maar je realiseert je onmiddellijk dat de dichter hier de dood toespreekt. Het eerste woord `Dood' is een vocatief. In de volgende regels nodigt de dichter de aangesprokene uit zonder omhaal binnen te komen.

Dat iemand de dood adviseert om vooral niet bang te zijn is een flinke omkering van zaken. Het bevrijdt het gedicht meteen van elke verdenking van sentimentaliteit, een smet die aan zoveel doodsgedichten kleeft. Nogal vergeeflijk, overigens.

De dichter nodigt de dood uit zich onder zijn lezers te scharen. Nog een stapje verder. Meestal worden we geacht ons te laten opnemen in het eeuwige boek van de dood. Ook de dichters wacht dat boek. Keizer, koning, admiraal. Hier bevindt de dood zich in het boek van de dichter

Lees mijn boeken. In negen van de tien

kom je voor. Je bent geen onbekende

`Je bent geen onbekende' weer een doorbreking van het verwachtingspatroon. Een uitspraak die tegendraadser is dan de vertrouwelijke toon doet vermoeden. De dichter lijkt eveneens van angst bevrijd of wenst zich als van angst bevrijd te presenteren.

We raken opnieuw aan een paradox. Voor niemand is de dood onbekend. Er leeft geen mens, tenzij hij geparalyseerd is of drie weken oud, die de onomkeerbare nadering van de dood kan zijn ontgaan. In die zin is de dood voor iedereen een vertrouwde. In die zin klinkt het `je bent geen onbekende' als een mededeling die geen argwaan wekt. Maar de nuchterheid van de mededeling staat haaks op de gevoelens die er traditioneel bij worden gekoesterd. Bij negen van de tien mensen roept de dood paniek op. Negen van de tien mensen deinzen er voor terug de dood als een vertrouweling te zien. Er bestaat eigenlijk geen groter contrast ter wereld dan tussen de algemeenheid van de dood en de manier waarop mensen tegen de dood aankijken als tegen een vreemd, onmogelijk, wanstaltig, onacceptabel iets.

De dichter groet de dood. Oude bekenden onder elkaar.

Na het paaien in de eerste strofe klinkt in de tweede strofe toch een opstandige, gebiedende toon door. Geen opstandigheid tegen de dood, maar opstandigheid tegen het verzet. Via een laconieke omweg laat de dichter ons weten dat zijn trouwe makker toch niet zo'n al te toffe vriend is. Het is een vriend die hand in hand gaat met onuitsprekelijke ziekten, kindse grijsaards, louche geneesheren. Hoe meer je voor hem kiest, hoe minder je te duchten hebt van zijn handlangers. Daarom in de slotregel

Veeg je voeten en wees welkom

die mengeling tussen gebiedende en vriendschappelijke toon. De dood valt alleen te vrezen als we ons verzetten. Dood en angst zijn gescheiden zaken.

`Veeg je voeten' de dood was nog niet binnen.

Enkele dagen geleden is voor de dichter de dood daadwerkelijk binnengetreden. Zoals vaker in de kunst heeft de realiteit de fantasie gevolgd. Eddy van Vliet bleef zijn poëzie trouw. Hij heeft zich niet gepresenteerd als iemand die van angst bevrijd was, hij was het. Luttele weken voor zijn dood nog publiceerde Humo een interview met hem, haarscherp en op een respectabele manier onsentimenteel. Een dag na zijn overlijden schreef zijn vriend Remco Campert over hem: `Hij had besloten dat het geen zin had om langer in leven gehouden te worden. Het infuus kon wel weg. Hij weigerde om bang te zijn voor de dood.'

Een dichter hoeft zich vanzelfsprekend niet aan zijn gedichten te houden, zoals een dokter zich niets hoeft aan te trekken van zijn eigen voorschriften. Dat Eddy van Vliet het wel deed dwingt bewondering af, maar vooral het heeft dit gedicht definitief betoverd en gevuld met onbegrijpelijke kracht. De dood van de dichter heeft een gedicht over de dood verankerd in het geheugen. Het is nu een magisch doodsgedicht.

    • Gerrit Komrij