Kabinet laat markt voor groene stroom inzakken

Het kabinet kiest de verkeerde weg om nieuwe schone capaciteit voor de opwekking van stroom te creëren. De kans is dan ook klein geworden dat Nederland erin zal slagen om in 2010 het aandeel van duurzame energie in de elektriciteitsproduktie tot vijf procent uit te breiden, vindt Wijnand Duyvendak.

Hoe kun je burgers zover krijgen dat ze gewenst gedrag vertonen? De verbluffend succesvolle introductie van groene stroom in Nederland bewijst dat het financiële instrument een niet te onderschatten stimulans kan zijn.

Toch kan de effectiviteit van de verstrekte subsidies nog stukken beter. Waar het is gelukt om de consumenten massaal voor milieuvriendelijke elektra te laten kiezen, daar moeten nu de stroombedrijven worden verleid om méér schone capaciteit bij te bouwen. Het kabinet-Balkenende vindt dat ook. Helaas kiest het daarbij voor de verkeerde maatregelen.

Groene stroom is een hype. In een periode van krap twee jaar is het aantal huishoudens dat meedoet gegroeid van praktisch nul naar nu al 1,3 miljoen. Dat is een op de vijf. Prognoses laten zien dat de totale groene-stroommarkt minimaal twee tot drie miljoen huishoudens kan omvatten.

Klaarblijkelijk speelt het duurzaamheidsimago van groene stroom in op de behoefte van consumenten om hun eigen `milieudaad' te stellen. Daarbij komt groene stroom gewoon uit het stopcontact. Als het dan ook nog betaalbaar wordt gemaakt, is men best bereid een kleine meerprijs te betalen.

Dat heeft de overheid destijds goed begrepen: om het gebruik van groene stroom te stimuleren heeft zij de afname ervan financieel aantrekkelijk gemaakt. Hoewel groene stroom duurder is om te produceren, zijn consumenten nauwelijks duurder uit. Zij betalen over groene stroom niet de zes cent ecotax per kilowattuur die gewone-stroomgebruikers wel betalen en krijgen zo een schoner product voor nagenoeg dezelfde prijs als de reguliere, meer vervuilende variant.

Naast de vraag stimuleert de overheid ook de productie van groene stroom. Producenten ontvangen een subsidie van twee eurocent per kWh, zodat zij kunnen inspelen op de vraag naar schone stroom. Helaas heeft de combinatie van beide maatregelen niet het gewenste effect.

Hoewel de vraag naar groene stroom exponentieel is gegroeid, houdt de productiecapaciteit hiermee geen gelijke tred. Nederland importeert op dit moment heel veel groene stroom uit buitenlandse installaties die niet nieuw zijn, maar alleen hun afzetmarkt hebben verlegd naar Nederland omdat hier zo'n gunstige regeling is. Voor het milieu treedt geen enkele verbetering op.

Hier zit een fout in het systeem, die duidelijker wordt naarmate de vraag naar groene stroom stijgt: in Nederland wordt elke kilowattuur groene stroom voor het volle pond gesubsidieerd, of de stroom echt schoon is zoals zonne- en windstroom of minder schoon zoals stroom uit afvalverbranding; of de installatie al zolang draait dat hij allang uit de kosten is of juist net nieuw is, allemaal krijgen ze hetzelfde voordeel. Terwijl de subsidie voor sommige installaties – de nieuwe en de schone – broodnodig is om uit de kosten te komen, is het voor andere – de oude en de minder schone – vooral makkelijk verdiend.

Nu wil het kabinet de producentenpremie afschaffen en de vrijstelling voor groene-stroomverbruikers op de ecotax halveren. Daartegenover schermt het met een nieuwe subsidiepot van 266 miljoen euro per jaar, waaruit duurzame energieproductie van Nederlandse bodem geld kan krijgen. Buitenlandse groene stroom is hiervan dan uitgesloten.

Het is nu al duidelijk dat uit deze pot zowel de schoonste als minder schone vormen van stroom subsidie kunnen ontvangen: ook stroom uit warmtekrachtkoppeling en uit afvalverbranding zal hieruit worden betaald. Waarschijnlijk blijft voor écht groene stroom niet meer dan pakweg 100 miljoen euro per jaar over. De schoonste installaties (wind, zon en schone biomassa) hebben deze compensatie hard nodig om te kunnen blijven renderen.

Je vraagt je af, waarmee het kabinet nieuw productievermogen in Nederland denkt te realiseren: ook het bouwen van nieuwe capaciteit wil het met diezelfde 100 miljoen voor groene stroom stimuleren. De spoeling wordt op die manier steeds dunner.

Erger nog, met zo'n gefixeerd bedrag aan subsidie hebben de stroombedrijven er geen enkel belang bij de productie van duurzame energie uit te breiden. Tegenover iedere extra geïnvesteerde euro staat immers steeds minder subsidie.

Op dit moment wordt voor 700.000 consumenten groene stroom geïmporteerd. Dat zal zo blijven, óók met de plannen van het kabinet: om alle 1,3 miljoen groene-stroomhuishoudens van `Hollandse stroom' te voorzien zou een verdubbeling van de Nederlandse productiecapaciteit nodig zijn.

Dit kan voor de korte termijn als totaal onrealistisch worden weggewuifd – wegens de beperktere subsidies, en wegens planologische belemmeringen. Met alle procedures kost een beetje windpark in het volle Nederland al gauw vijf jaar voorbereidingstijd. We mogen in Nederland met de nieuwe plannen dus niet rekenen op de broodnodige doorbraak in de productie van groene energie.

Ook in Europa zal onze nog steeds groeiende vraag naar groene stroom voor geen windmolen of zonnecel extra zorgen. Want wegens het terugschroeven van de vergoeding voor importstroom zal deze vooral uit oude installaties en minder schone bronnen zoals afvalverbranding blijven komen. De gesubsidieerde Nederlandse import is, en blijft, pure verdringing.

Al met al zijn de kabinetsplannen dus een contraproductieve strategie die niet zal leiden tot groei van productiecapaciteit voor groene stroom, noch in Nederland noch in het buitenland. Dat verkleint in ieder geval de kans dat Nederland een van zijn belangrijkste milieudoelstellingen (vijf procent duurzame energie in 2010) nog haalt. Het enige wat het kabinet wel realiseert, is een bezuiniging van ongeveer 300 miljoen Euro. Dáár zou het ze toch niet om begonnen zijn?

Ik voorzie dat met de nieuwe plannen de markt voor groene stroom fors zal inzakken, terwijl de groei juist zou moeten doorzetten en er nieuwe productiecapaciteit moet bijkomen. Met nieuwe financiële maatregelen moeten we nieuwe, de meest geavanceerde productiecapaciteit genereren. Zo kunnen we de subsidie laten afhangen van de ouderdom van de installatie of van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van vooroplopende techniek.

Of die capaciteit dan in Nederland of in het buitenland wordt gebouwd, doet niet ter zake. We halen onze olie of kolen toch ook niet allemaal uit ons eigen land?

Verder moet de ecotax-vrijstelling worden gedifferentieerd: een beperkte vrijstelling van nul tot twee cent voor de minst schone stroom (bijvoorbeeld `vuile' biomassa en afval), gemiddeld voor schone stroom (wind en schone biomassa, vier cent vrijstelling) en maximaal voor superschone stroom (zonne-energie, zes cent vrijstelling).

Daarbij is het ook van belang dat we kijken naar de subsidies die onze buurlanden geven, zodat we niet stroom wegkopen zonder dat er nieuwe capaciteit bijkomt.

Tot slot moeten de problemen met ruimtelijke ordening worden aangepakt, vooral op het terrein van windenergie. Ruim baan voor windenergie op zee!

Laat dan de groene-stroommarkt zijn werk maar doen.

Wijnand Duyvendak is woordvoerder energiebeleid van de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks.