Het goede leven van de joden in Turkije

Het nieuwe Joods Museum in Istanbul weerspiegelt de tolerante houding jegens joden in de Turkse geschiedenis. Maar in de seculiere republiek is het wel wat minder geworden.

Hij wordt wel de Turkse Schindler genoemd. Necdet Kent, de Turkse consul in Marseille tijdens de Tweede Wereldoorlog, zag met lede ogen aan hoe ook joden met een Turkse achtergrond uit de stad werden weggevoerd naar concentratiekampen. In een eerste poging hen te helpen, vervaardigde hij valse Turkse papieren maar de Duitse bezetters namen daar geen genoegen mee en pakten de Turkse joden toch op. Toen Kent hoorde dat de joden al in een trein zaten bestemd voor Auschwitz, ging hij naar het station in Marseille en stapte zelf ook in. Wat volgde was een verhit debat tussen de Duitse bezetters en Kent over hoe het nu verder moest. Kent won: de trein werd stilgezet en de Turkse joden mochten uitstappen. Kent had tientallen levens gered.

Het doortastende optreden van de Turkse diplomaat vult een van de panelen in het Joodse Museum in Istanbul. Het museum, dat sinds enkele maanden open is, geeft een overzicht van de geschiedenis van de joden in het Ottomaanse Rijk en, later, in de Turkse Republiek. Maar het museum verwijst niet alleen naar het verleden maar is ook doordrenkt met de politiek van het heden. De opening ervan, die plaatshad na de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten, was immers een signaal van Turkije aan de wereld dat niet alle moslims per definitie extremistisch zijn en dat er zelfs een tijd was dat moslims toleranter waren dat de christenen in West-Europa.

De geschiedenis van de joden in Turkije levert daar bewijs van. Het was de reconquista van Spanje door de (katholieke) Isabella en Ferdinand die maakte dat het leven voor joden daar onmogelijk werd. Sultan Bayazid II zette de poorten van het Ottomaanse Rijk open voor de joden en liet hen in steden als Istanbul ongestoord hun godsdienst beoefenen. ,,Aan Bayazid wordt de uitspraak toegeschreven dat Ferdinand ten onrechte als een wijze koning bekend stond, omdat hij Spanje armer maakte door de joden weg te sturen en de Ottomanen rijker'', aldus Nisya Isman, de directeur van het museum.

En verrijken deden de joden het Ottomaanse Rijk zeker. Zo waren het de joden die de drukpers naar Istanbul brachten. Ook maakten zij carrière als dokters, zakenlieden en diplomaten. ,,Omdat ze uit andere landen kwamen spraken ze veel talen en kenden ze de cultuur van overzee'', aldus directeur Isman. Een van de voorbeelden van hoe ver joden het konden brengen in het tolerante Ottomaanse Rijk was Joseph Nasi. De ondernemer en bankier Nasi kwam in 1554 vanuit Antwerpen naar Istanbul. Volgens de historicus Mansell bracht zijn vriendschap met prins Selim, die hij voorzag van geld en wijn, bracht hem, toen Selim sultan geworden was, in het centrum van de macht. Selim maakte Nasi hertog van Naxos. En hoe Ottomaans Nasi ook werd, hij vergat het onrecht dat Spanje de joden aangedaan had nooit: volgens Mansell ontmoette Nasi een vertegenwoordiger van Willem van Oranje in 1569 en Mansell sluit niet geheel uit dat Nasi ,,vanaf de oevers van de Bosporus'' de Opstand in de Lage Landen tegen de Spanjaarden heeft aangemoedigd.

Als de joden in Istanbul iets te vrezen hadden, dan kwam het gevaar van de christenen in de stad en niet van de moslims. Zo gebeurde het wel eens, aldus Mansell, dat (Grieks-orthodoxe) jongens tijdens de Heilige Week de lange baard van joden met teer insmeerden en in de brand staken. Omdat er van de kant van de moslims zo weinig gevaar te duchten was, namen de joden veel Ottomaanse elementen in hun cultuur over. Zo laat het museum in Istanbul, dat gehuisvest is in een oude synagoge, kleden en tapijten te zien waarop naast joodse motieven ook de halve maan te vinden is.

De joden kregen het pas moeilijker na het ontstaan van de Turkse Republiek. ,,Maar daar zul je in dit museum niets over vinden'', geeft Isman ruiterlijk toe. ,,Want dit museum gaat over dialoog en vrede.'' Maar van dialoog was er nauwelijks sprake toen de toenmalige autoriteiten in 1942 de zogeheten varlik vergisi invoerden. In een poging `Turkse' economische activiteiten te stimuleren moesten alle minderheden (dus naast joodse ook Armeense en Grieks-orthodoxe ondernemers) een extra belasting betalen van soms wel twee keer hun kapitaal. ,,Bedrijven werden in één klap vernietigd'', aldus Mansell, ,,hun eigenaren hielden niets anders over dan ogen om mee te huilen''. Veel joden verlieten, net als Armeniërs en Grieken, Turkije.

Tragisch was het lot van de Struma, een schip vol joodse vluchtelingen uit Bulgarije en Roemenië, dat in 1941 in Istanbul wilde aanleggen. De autoriteiten lieten dat (mede op instigatie van de Britten die dachten dat de joden naar het Britse mandaatgebied Palestina wilden) niet toe, met als resultaat dat het schip uiteindelijk op de Zwarte Zee door nog niet geheel opgehelderde oorzaak ontplofte: alle 769 joden kwamen om het leven. En in 1986 pleegden gewapende mannen een aanslag in een Neve Shalom-synagoge in Istanbul, waarbij 22 mensen om het leven kwamen. ,,Maar dat waren Palestijnse terroristen'', zegt directeur Isman. ,,Dat had niets met Turkije te maken.'' (Later is de aanslag overigens ook opgeëist door de Turkse moslim-extremistische Hizbollah-organisatie).

Maar dat zijn, hoe tragisch ook, voetnoten bij dat verhaal van tolerantie en gastvrijheid dat het Joodse Museum vertelt. In het museum hangt een babyjurk die gemaakt werd als de vrouw vijf maanden in verwachting was. De jurk moest altijd lang zijn om zo de wens uit te drukken dat de baby een lang en gezond leven tegemoet zou gaan. Zou iemand ooit zo'n jurk hebben gemaakt voor de joodse gemeenschap toen die naar Istanbul, om ook haar geluk te wensen? Isman glimlacht bij het idee. ,,Misschien wel'', zegt ze. ,,Vaststaat dat de joden hier een goed leven hadden. De joden zijn het oudste geloof. Tot het einde der tijden moeten ze deel uitmaken van Turkije en zijn cultuur.''

Joods Museum van Turkije, Karaköy Meydani, Perçemli Sokak, Karaköy

    • Bernard Bouwman