Bellen blazen

De LPF levert zoveel puinhopen op, dat de economische onderbouw aan het zicht wordt onttrokken. In een periode van zorgeloze groei zou dat niet zo'n ramp zijn, maar die tijd hebben we gehad. De economie is knarsend en piepend tot stilstand gekomen. Het financiële stelsel kraakt, het consumentenvertrouwen keldert, bezuinigingen hangen in de lucht. Voorzover er licht gloort aan het einde van de tunnel, is dat de koplamp van een tegemoetkomende trein. Want er komt alleen maar meer slecht economisch nieuws op ons af.

Wereldwijd staan de grote economieën op een zijspoor. Een situatie van gelijktijdige stagnatie in alle grote economische blokken heeft zich decennialang niet voorgedaan. Dat is de eerste reden om bezorgd te zijn. De tweede reden is dat er geen sprake is van economische afkoeling na oververhitting, maar na het leeglopen van een financiële luchtbel. Nieuwe investeringen blijven uit, oude schulden worden afgeschreven. Winstwaarschuwingen zijn voorbodes van ontslagen. Banken gaan gebukt onder leningen die niet worden afgelost. De effectenbeurzen zijn gekelderd. Op de Amsterdamse beurs is in twee jaar tijd 410 miljard euro aan aandeelhouderswaarde in rook opgegaan – bijna twee keer zoveel als de totale staatsschuld (230 miljard, 2002) die dit rechtse kabinet in een generatie wil aflossen. De pensioenen van de babyboomers worden inderdaad bedreigd – maar niet door de staatsschuld.

,,Een doorgeprikte luchtbel is een ander verhaal dan een conjunctuuromslag'', zegt Henk Brouwer, directeur van De Nederlandsche Bank en oud-thesaurier-generaal bij het ministerie van Financiën. De internationale economische beleidsmakers zitten met hun handen in het haar. Ze weten niet hoe ze een leeggelopen bubbeleconomie moeten reanimeren. De centrale bankiers hebben het rentebeleid tot hun beschikking en de ministers van Financiën het begrotingsbeleid, maar die instrumenten zijn bot als een neergaande spiraal van deflatie dreigt. Dit is de verwerking van de excessen van wat bejubeld werd als de Amerikaanse `nieuwe economie'. Zoals The Economist het onlangs noemde, de wereld maakt ,,the bursting of the biggest bubble in America's history'' mee.

Bijna drie eeuwen geleden, in 1720, deed zich de eerste grote financiële luchtbel* in de geschiedenis voor en de parallellen met de tegenwoordige tijd van de ICT-gekte, schandalen bij bedrijven, omkoping en waardedalingen zijn te frappant om onopgemerkt te blijven. De Hollandse tulpenbollenmanie van 1636 viel daarbij in het niet.

Het begon in Frankrijk, waar de Schotse avonturier, gokker en briljante economische denker John Law in 1716 de kans kreeg de failliete boedel na de dood van Lodewijk XIV te saneren. De Zonnekoning had het geld er doorgejaagd met zijn luxueuze levensstijl, de Franse economie was geruïneerd na een halve eeuw van oorlogen. De nationale schuld was onbetaalbaar. Aangezien er nauwelijks meer (gouden en zilveren) munten circuleerden, kwam Law met het voorstel om bankbiljetten te introduceren die door zijn eigen bank werden uitgegeven. Het was de eerste keer dat geldschepping gebruikt werd om de economie te stimuleren en het succes was fenomenaal. In 1719 lanceerde Law een tweede plan. Een noodlijdende Franse handelscompagnie, de Compagnie des Indes, beter bekend als de Mississippi Company, zou de Franse staatsschuld opkopen. De Mississippi Company stelde zich ten doel om de kolonisatie van Louisiana, toentertijd een Franse kolonie in Noord-Amerika, ter hand te nemen. Er werden kolonisten op afgestuurd aan wie gouden bergen waren beloofd. Met de opbrengst van nieuwe aandelen in de handelscompagnie zouden de financiële problemen van de Franse overheid in één klap zijn opgelost.

Het was een even geniaal als krankzinnig plan. Law verkocht de aandelen op krediet, zijn bank gaf papiergeld uit waarmee de aandelen konden worden betaald. Frankrijk raakte in de ban van een speculatieve gekte. De koers van de Mississippi Company steeg in enkele maanden tijd tot astronomische hoogtes.

In Engeland, waar de schatkistbewaarder ook tegen onbetaalbare schulden aankeek, sloeg men de Franse financiële wondermachine jaloers gade. John Blunt, een sluwe zakenman, imiteerde het schema van Law met de South Sea Company, een firma die het Spaanse monopolie op de handel met Zuid-Amerika beloofde te doorbreken. Het parlement gaf toestemming de staatsschuld te verkopen aan de South Sea Company. Deze gaf ter financiering aandelen uit en vervolgens raakte Engeland in 1720 in een speculatieve verdwazing met de South Sea Company als middelpunt. Inclusief financiële schandalen, omkoping van parlementariërs, betrokkenheid van de politieke elite en vervalste boekhouding.

Het liep dramatisch af. Frankrijk belandde in een spiraal van hyperinflatie door Laws waardeloze papiergeld. De koers van de Mississippi Company stortte in; daarna die van de South Sea Company in Engeland. Beleggers bleven geruïneerd achter. Het politieke en economische stelsel wankelde in beide landen. Law en Blunt vluchtten naar het buitenland.

Uiteindelijk herstelden Engeland en Frankrijk zich van de klappen die de Mississippi- en South Sea-bubbles veroorzaakt hadden. Tegenwoordig zijn nationale economieën nauwer met elkaar verweven. Wat bij Enron gebeurt, of in Brazilië, heeft zijn weerslag op de effectenkoersen in Amsterdam en op de macro-economische ramingen in Den Haag. Ook zonder de puinhopen van de LPF zou er een beurscrash zijn en zou de economie stagneren. Maar de ranzige ruzies en het stuitende provincialisme van de verweesde erfgenamen van Fortuyn hebben Nederland in een staat van verlammende navelstaarderij en internationaal isolement gebracht. Stilstand is achteruitgang.

*Malcolm Balen: A very English deceit, the secret history of the South Sea bubble and the first great financial scandal. London 2002.

rjanssen@nrc.nl

    • Roel Janssen