Kunstenaars mogen alles

Midden in het Rouwjournaal III met werklieden die stellingen bouwden, treurstoet met motoragenten, drie bedroefde prinsen en enthousiast voor de camera klappende toeschouwers werd plotseling overgeschakeld naar een dorp in Portugal. Hoe nu? Stond daar een buitenhuis van prins Claus met rouwende buren? Nee, daar zat Gerrit Komrij op een schilderachtige plek in het dal voor een dichtbebouwde heuvel met nauwe straatjes.

Dichter des vaderlands.

Op oud-vaderlandse toon begon hij een poëem voor te dragen. Zoals dominees zich nog lieten gaan voor de EO bestond. De eerste twee strofen over de onwelkome ontvangst van Claus kon ik goed volgen, maar de laatste zinnen, een echte donderpreek aan ons adres, kon ik niet plaatsen: ,,Wrok en kleinheid maken opnieuw de dienst uit./ Tranen zie ik? Valt van dit volk de rouwklacht/ Nog te vertrouwen?'

Misschien dat hij zijn wantrouwen tegen de rouwklacht van dit volk heeft te danken aan een tv-satellietschotel op zijn dak. Maar ik heb sinds die tragische zondagavond geen wrok en kleinheid bezit zien nemen van het land. Ik zie eerder een Latijns-Amerikaanse neiging tot overdrijving. Presentator Philip Freriks was ook verbaasd over de laatste strofe en hij vroeg aarzelend aan rouw-correspondent Komrij: ,,De laatste zinnen van uw gedicht die klinken nogal als een... nou als een aanklacht wil ik niet zeggen maar als een... terechtwijzing. Wat bedoelt u precies?'

Komrij bewoog wat ongemakkelijk heen en weer. Zomaar een vraag over zijn kunstzinnige preek? ,,Oooh', zuchtte de ziener met lichte wanhoop. ,,U moet een dichter niet vragen wat hij bedoelt. Anders had hij dat gedicht niet hoeven te schrijven. Maar ik kan er wel een kanttekening bij maken dat al die dingen waarom hij zo charmant was, die discretie, en die intelligentie en die humor toch bijna talenten zijn waarvoor je in Nederland moet onderduiken. Dus ik vraag me af of de rouw van de meeste mensen wel oprecht is over zijn dood.'

Voor zulke scherpe inzichten moet je in Portugal zijn.

Aan de andere kant moest ik bij de eerste strofen over de ontvangst van de prins terugdenken aan Harry Mulisch, zo ruimhartig dat hij nooit zijn excuses maakte voor Bericht aan de rattenkoning. Gericht tegen de Duitse prins die later een goede kennis en gespreksgenoot werd.

In Barend & Van Dorp zei hij eergisteren op de hem eigen wegwuivende toon dat de prins die excuses ook helemaal niet nodig vond: ,,Ik denk dat als hij nog geleefd had, dan had hij dat belachelijk gevonden. Had hij niet gewild. En dat zelfde Bericht aan de Rattenkoning had hij vermoedelijk gelezen, dat moet je aannemen. Hij heeft er geen woord over gezegd', zei hij. Zijn inmiddels vergeelde pamflet-boek van vroeger lag voor hem op de tafel.

Dat is het mooie van kunstenaarschap: je mag alles. Je mag ook enthousiast meeschoppen en slaan met de tijdgeest, mits de recensenten het goed vinden.

Goden en gekeurde kunstenaars kennen geen schuld. Mulisch causeerde vorstelijk verder over zijn lunches met Claus, de gesprekken die hij met hem voerde, de diners, de briefwisseling die hij met hem had over een ander boek. En wat een causeur is hij. Hoe hij in de werkkamer van Claus werd ontvangen: ,,Hij zei, let maar niet op de rommel, en dan ga je op de rommel letten.' Mulish vatte samen: ,,We wilden geen Duitser. Maar deze Duitser bleek wel oké.'

Dankzij de anti-Duitse inspanningen van mensen als Mulisch zou zelfs zijn overwogen de prins om te dopen tot Klaas van Amsberg. Ook de niet geheel betrouwbare historicus Kikkert, kunstenares Marthe Röling en voormalig Duits ambassadeur Otto von der Gablentz reflecteerden. Omdat BVD uit piëteit niet werd onderbroken met reclames, kon alle aanwezigen hun gedachten afmaken. Normaal is er meer haast, presentatoren schreeuwen door elkaar en moeten onderbreken voor reclame en een muzikaal intermezzo. Dat was er maandagavond allemaal niet bij en zo werd het een aardig herdenkingsgesprek. Frits Barend: ,,Ik heb die verandering in die tijd ook meegemaakt met Van Dorp. Kijk naar Von der Gablentz. Je zag, verhip, er zijn nog hartstikke leuke Duitsers.'

    • Maarten Huygen