Stedelijk Museum kan met beperkt budget uitbreiden

Toen een halve eeuw geleden het Stedelijk Museum voor het eerst werd uitgebreid moet toenmalig directeur Sandberg buitengewoon verheugd zijn geweest met het resultaat. De glazen gevel aan de Van Baerlestraat met de extra toegang voldeden volledig aan zijn wens het museum meer te openen naar de stad.

Toch is deze uitbreiding geen meesterstuk van architectuur. Sterker nog, het was ontworpen door een ambtenbaar van Publieke Werken, meer constructeur dan architect. Het was de tijd van de bestedingsbeperking, maar toch werd deze uitbreiding gerealiseerd. Het bijbehorende budget week nauwelijks af van een in die tijd gangbaar utilitair project. De bevlogen directeur concentreerde zich volledig op zijn unieke collectie en spraakmakende tentoonstellingen, de huisvesting was voor dit doel toereikend. Het was de tijd dat het Stedelijk een begrip werd in de hele wereld.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was sprake van een spectaculaire opleving in het stichten en uitbreiden van musea. Met name in Duitsland, Japan en Amerika kon het niet op. Architecten wedijverden met elkaar in het ontwerpen van de meest prestigieuze gebouwen, de gemeentebesturen zagen hierin veelal een bevestiging van hun culturele ambitie, er ontstond zelfs het begrip museumarchitectuur.

Mijn herinnering aan al dit fraais, ik heb er veel bezocht, concentreert zich hoofdzakelijk op het gebouw. Mijn herinnering aan de collecties blijft hierbij veelal achter. In tegenstelling tot het Stedelijk of het Museum of Modern Art werd geen van deze nieuwe musea een begrip in de wereld.

Wat betreft het Stedelijk anno 2002: dat moet blijven waar het nu staat, aan het Museumplein. Het is uniek in de hele wereld dat rondom het Museumplein op korte afstand zo'n continue collectie schilderijen uit meerdere eeuwen aanwezig is. De onderlinge samenhang kan en mag niet worden doorbroken. De gedachte alléén al dat een totaal nieuw museum op de Zuidas, de IJ-oevers of elders in de stad levensvatbaar zou zijn, getuigt van absoluut onbegrip van de bestaande culturele samenhang. Er is sprake van een spectaculair gebouw aan de Zuidas, vergelijkbaar met Bilbao. Dit is het laatste waar Amsterdam op zit te wachten. De stad zelf is al spectaculair genoeg.

Wat zijn nu de mogelijkheden aan het Museumplein? Het gewijzigde bestemmingsplan `Het Museumplein 1995' laat een bebouwingshoogte toe van maximaal 17.50 meter en het terrein kan volledig worden volgebouwd. Binnen het gestelde budget moet het mogelijk zijn een complex te bouwen bestaande uit nieuwbouw, gecombineerd met sobere restauratie van zowel het hoofdgebouw als de vleugel langs de Van Baerlestraat. De nieuwbouw zou zich daarbij moeten richten op het realiseren van efficiënte vierkante meters binnen een zo compact mogelijke vorm, en vooral in de toekomst uitbreidbaar. Zoals reeds gezegd sluit een beperkt budget geenszins een bijzonder gebouw uit. De mogelijkheid is geopperd dat extra fondsen vrij kunnen komen vanuit de Zuidas. Het moet toch vanzelfsprekend zijn dat deze ook kunnen worden gebruikt voor de locatie aan het Museumplein, tenzij de gemeente Amsterdam er nu al van uitgaat dat de Zuidas gesepareerd wordt van de overige stad. Het kan en mag niet waar zijn dat een eventueel exploitatieoverschot op de Zuidas alleen maar dit stadsdeel ten goede zal komen.

Alles moet dus in het werk worden gesteld om op de huidige locatie te komen tot een functioneel complex. De aanwezige kunstcollectie is daarbij belangrijker dan het gebouw, want daaraan ontleent een museum in de eerste plaats zijn reputatie. Een meer bescheiden bebouwing met wellicht wat minder vierkante meters om nu binnen het budget te vallen moet mogelijk zijn, zeker als andere fondsen hieraan kunnen worden toegevoegd. Maar het complex moet dan wel uitbreidbaar kunnen zijn, dat maakt ook het functioneren van het museum in de toekomst mogelijk.

Aldus krijgt Amsterdam de kans over een flexibel museum te beschikken dat in elke periode in overeenstemming met de dan aanwezige inzichten ten aanzien van collectie en tentoonstellingen aangepast kan worden. Het terrein laat dit toe. De handicap van een afgerond prachtig gebouw zonder de mogelijkheid tot verdere uitbreidingen, zoals nu onder meer aan de orde is bij de renovatie van het Rijksmuseum, kan daarmee in de toekomst worden vermeden.

Hans van Olphen is architect en stedenbouwkundige.

www.nrc.nl/discussie: debat over Stedelijk Museum

    • Hans van Olphen