Eigen belasting tegen natte voeten

De waterschappen moeten hun eigen belasting kunnen blijven heffen. Dat vindt directeur Van der Kluit van de 75-jarige Unie van Waterschappen.

De vraag is niet of er geld nodig is om water meer ruimte geven. Dat geld moet er komen, zegt directeur mr. R.J. (Rein) van der Kluit van de Unie van Waterschappen in Den Haag. De komende vijftig jaar is er vijf tot tien miljard euro nodig om de toenemende wateroverlast de baas te kunnen. Niet langer is het zaak om overtollig water zo snel mogelijk af te voeren, zo stelde het vorige kabinet al in navolging van de Commissie waterbeheer 21ste eeuw, voortaan moet het water lang worden vastgehouden, op akkers, weilanden en natuur, daarna moet het water geborgen worden, in meertjes en vijvers en waterpartijen, en pas daarna moet het water worden afgevoerd naar de boezemwateren, de grotere rivieren en de zee.

Het rijk voert al een groots programma uit om de rivieren meer ruimte te geven, door het verlagen van de uiterwaarden, het terugleggen van dijken en de aanleg van nevengeulen. Maar voordat de toenemende hoeveelheid hemelwater in deze rivieren is, moeten de waterschappen het verwerken. En voor deze maatregelen, zo constateert Van der Kluit, staat op de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat vooralsnog ,,nul euro''. Hij weet dat er stemmen opgaan om een nationaal waterschapsfonds op te richten, waaruit de waterschappen een uitkering zouden kunnen krijgen. Maar dat is niet wenselijk, zegt Van der Kluit. ,,Wij zouden afhankelijk worden van een nationaal fonds, en wie wil weten wat daarvan de gevolgen zijn, die moet maar eens een geschiedenisboek bij De Slegte kopen. Dan worden er andere prioriteiten gesteld. Er komt pas geld als het echt fout gaat en dan is het vaak te laat.''

De oplossing is relatief eenvoudig. Laat de waterschappen doen wat ze al eeuwen doen, namelijk op lokaal niveau ,,slagvaardig'' opereren en maatregelen nemen die nodig zijn: rivieren en beken laten meanderen, retentiegebieden inrichten, watergangen verbreden en zeker ook de gemaalcapaciteit vergroten.

Deze maatregelen kunnen wat de Unie betreft betaald worden uit de opbrengst van de waterschapslasten, een belasting die door waterschappen zelf wordt geheven. Van der Kluit: ,,De waterschapslasten zijn voor een gezin even hoog als een jaarabonnement op een krant. Dat is voor een basale levensvoorwaarde erg weinig.'' Een verhoging van de lokale waterlasten is alleszins verantwoord, met hoeveel is moeilijk te zeggen. Van der Kluit weet dat het verhogen van de lokale lasten gevoelig ligt in Den Haag, maar dat is volgens hem niet terecht. Van der Kluit: ,,Als een wethouder ergens te veel belasting heft, vinden we dat verkeerd, maar als de minister van Financiën te veel inkomsten uit belastingen krijgt, heet het een meevaller.''

Het is van tweeën een, redeneert de Unie: of je stelt als rijk geld beschikbaar voor een fonds, wat hij zoals gezegd niet verstandig zou vinden, of je doet dat niet, maar dan moet je niet ,,zaniken'' over lokale lasten. Een ander voordeel van een regionale belastingheffing is het draagvlak onder de bevolking. Van der Kluit: ,,Aan mensen in Winterswijk is het lastig uit te leggen dat er maatregelen in Noord-Friesland noodzakelijk zijn.''

Vandaag bestaat de Unie van Waterschappen precies 75 jaar. Van der Kluit twijfelt er niet aan dat ook deze kabinetsperiode weer zal worden gediscussieerd over het bestaansrecht van waterschappen. ,,Dat gebeurt al eeuwen.'' Er is al een schaalvergrotingsoperatie aan de gang, waarbij het aantal waterschappen is gedaald tot 53 en over enkele jaren zal zijn gereduceerd tot 25. Kort na de oorlog waren er 2.700 waterschappen. En er komt een interdepartementaal beleidsonderzoek naar de financiering van het regionale waterbeheer. Allemaal best, zegt Van der Kluit, ,,als de verborgen agenda maar niet is dat men greep wil krijgen op de waterschapsheffingen''. Uit de reorganisatie moeten de waterschappen wat de Unie betreft te voorschijn komen als ,,fulldressed overheidsinstellingen'' met veel bevoegdheden.

De waterschappen zijn groot voorstander van het nationaal bestuursakkoord, waarvoor in februari van het vorige jaar al de eerste afspraken zijn gemaakt. Dit akkoord moet leiden tot uitvoering van de maatregelen waartoe de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw al eerder had opgeroepen. Maar het is wel van belang dat staatssecretaris Melanie Schultz van Haegen (Verkeer en Waterstaat) dit proces ,,met grote voortvarendheid'' trekt, stelt Van der Kluit. ,,Haar verbale inzet is tot op heden groter dan haar financiële. Het programma moet nu uitgevoerd worden.'' Over de noodzaak om meer ruimte voor water te maken is geen discussie mogelijk, stelt de Unie van Waterschappen. Van der Kluit zet grote vraagtekens bij een onlangs verschenen rapport van het KNMI en het RIZA, dat stelde dat als de regenval van deze zomer in Midden-Europa zich in het stroomgebied van `onze' rivieren Maas en Rijn had voorgedaan, dit niet tot extreme wateroverlast zou hebben geleid, omdat de rivieren het water hadden kunnen verwerken. Van der Kluit: ,,Wat niet is onderzocht, is het effect van zo veel hemelwater op Nederland zelf. De rivieren zouden het water hebben kunnen verwerken, maar een enorme plensbui recht boven je hoofd kan wel degelijk fikse wateroverlast betekenen.''

De waterschappen kennen de weerstand tegen het watermanagement-nieuwe stijl, dat ertoe moet leiden dat water het uitgangspunt wordt voor de ruimtelijke ordening. ,,We hebben het allemaal zó goed geregeld, dat we ons niet meer kunnen voorstellen dat er iets fout kan gaan. Bovendien kunnen we geen risico's meer accepteren.'' Toch zullen we moeten leren leven met water, is zijn centrale stelling, want veel van de maatschappelijke bezwaren getuigen van ,,kortzichtigheid'', aldus Van der Kluit. ,,Je kunt niet doorgaan met het verhogen van dijken. Ook een hoge dijk heeft ruimte nodig, en het risico bij een doorbraak is niet minder. Als je een dijk bouwt van zes meter hoog en die begeeft het, dan krijg je ook zes meter water over je heen.''

    • Arjen Schreuder