De prins en de pers

Het waren maar kleine berichtjes in de meeste kranten, vermoedelijk omdat de strijdende partijen al eerder in aanvaring waren gekomen. Maar nu was er een uitspraak. Het weekblad moest rectificeren en een schadevergoeding betalen. De klager, prins Claus der Nederlanden, zou die schenken aan een goed doel.

Het bewuste weekblad, Privé, had dit voorjaar ten onrechte melding gemaakt van (om niet te zeggen: van de daken geschreeuwd over) een ziekenhuisopname van de prins in een Duits hospitaal voor terminale patiënten. Een inbreuk in zijn persoonlijke omstandigheden maar bovendien onjuist, meende de prins, die het blad van vallende sterren keihard voor de rechter sleepte.

Het was een zaak van normen en waarden, zou je kunnen zeggen, waarmee de prins het hele debat dat men daarover op dit moment even verbeten als vrijblijvend zegt te voeren, in zijn eentje te snel af was. Maar bovendien was het een opvallend staaltje vastberadenheid in de nadagen van een slopende carrière, want het weekblad had meteen na de gewraakte publicatie al omstandig excuses aangeboden aan de prins, in een poging een rechtszaak te voorkomen.

Maar Claus zette door. De centurions van de celebrity-industrie die elk nieuw medisch bulletin lazen als een bijbelcode, en de schrijvende en fotograferende legionairs die zich al in het gelid drongen voor de grote dag van het heengaan, zouden nog even geduld moeten hebben. De rechter gaf hem gelijk en oordeelde dat de publicatie onjuist en misleidend was, maar bovendien inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van de prins.

Dat was een kleine maar belangrijke overwinning in de running battle die de prins in de loop der jaren uitvocht met de populaire media. Claus was, blijkt uit alle berichten, een kosmopoliet en een fanatiek krantenlezer, niet alleen geïnteresseerd in het rumoerige onbehagen dat soms buiten het paleishek de kop opstak, maar vooral in gebeurtenissen buiten de landsgrenzen, waar de echte wereld huishield. Zijn bezwaren tegen de journalistiek waren dan ook niet algemeen, zoals bij zijn echtgenote (`de leugen regeert'), maar gericht en concreet. Hij zette de strijd voort tegen wat in een grijs, links verleden, werd gehekeld als `vertrossing', de cultus van het amusement en de bijna religieuze fascinatie met de besognes van beroemdheden die trouwen, scheiden, en tegen een paal rijden.

Claus was wel in meer opzichten, merkwaardig maar onmiskenbaar, een laat kind van de jaren zestig: zijn morele bewogenheid, zijn oproepen tot internationale solidariteit, zijn belangstelling voor niet-westerse culturen, en beschaafde non-conformisme: zie het nu alom gecanoniseerde `stropdas-incident'. De neiging die je nu hier en daar ziet om toenmalig `links' de schuld te geven van de ongastvrije ontvangst van Claus, en de werpers van de rookbom daarvoor alsnog ter verantwoording te roepen, is daarom niet alleen gratuit, maar ook potsierlijk. Het kan trouwens averechts werken, dus pas op, jongens, het ging net zo goed met die hetze, maar zo wordt het een farce.

Maar was Claus met zijn lik-op-stuk-aanpak tegen Privé dan niet veel meer bij de tijd dan zijn wortels in de jaren zestig doen vermoeden? Na zijn juridische triomf werd hij in de Volkskrant om die reden opgenomen in een heel rijtje van eigentijdse klagers: de LPF over corruptie-beschuldigingen aan het adres van Mat Herben, Nova-presentator Willem Lust die zich beledigd voelt door een column in Het Parool over zijn vermeende haarstukje, en Anneke Grönloh, die niet kon lachen om de manier waarop Paul de Leeuw haar persifleerde.

Het is een bont rijtje, maar Claus hoort er niet in thuis. De prins mocht dan hard uit de hoek komen als het om de bescherming van zijn gezin en privé-sfeer ging, dat maakte hem nog niet tot een `mondige burger' naar moderne snit, een licht ontvlambare eigenheimer die na elke krenking van zijn opgeblazen ego terugslaat met een dagvaarding. Claus wilde niet zomaar zijn gelijk halen, hij voerde een achterhoedegevecht tegen de journalistieke principes van Showbiz City waar de complete Gooise populatie van poldersterren zich allang bij heeft neergelegd, getuige hun tandenparelende enthousiasme op het afscheidsfeest van Privé-aartsvader Henk van der Meijden.

Dat juist Claus zo kort voor zijn overlijden een overwinning heeft geboekt op een blad dat deuren opent die voor anderen gesloten blijven, is ook om een andere reden opvallend. Terwijl de roddelbladen wekelijks volstaan met welvarende, geslaagde Nederlanders die zich naar hartelust ontplooien en onder de hoogtezon van de openbaarheid `hun eigen veiligheid vieren', om met de schrijver V.S. Naipaul te spreken, was Claus juist een Nederlander voor wie zelfontplooiing om staatsrechtelijke redenen maar zeer beperkt was weggelegd.

Zijn depressieve toestand gaf een extra lading aan die tragische toestand, zoals in de beschouwingen na zijn dood alom is onderstreept. Ja, somber en gefrustreerd zijn we allemaal vandaag de dag, maar dan juist eerder door een teveel aan lege ruimte om onszelf te verwerkelijken, onze ambities, hobby's en lusten bot te vieren, en door overspannen verwachtingen van ons succes, dan door een tekórt daaraan, zoals bij de prins-gemaal. Nu alles mogelijk is, wil niemand natuurlijk een sukkel zijn, of nog erger, een loser.

Maar gemeten aan die criteria van heftige zelfontplooiing en grofgebekt ongeduld met alles wat je in de weg staat (en de deprimerende resultaten van die levenshouding waren de afgelopen weken bijna dagelijks te zien op en rond het Binnenhof) was Claus inderdaad een verliezer. Hij mocht niet aan de weg timmeren met zijn talenten, passies en interesses, althans niet buiten een cocon van constitutionele onmondigheid. In die zin was hij van staatswege veroordeeld tot levenslang loserschap.

De beschaving, moraal en onzelfzuchtige humor waarmee Claus dat lot de laatste jaren niet alleen heeft gedragen, maar er het beste van heeft gemaakt, zijn van veel kanten geprezen. Dat is terecht, en het maakt deze grootse verliezer ook, met zijn zogenaamd gedateerde interesse voor de Derde Wereld, zijn late hippie-gedrag met stropdas, en zijn blijvende respect voor anderen, vele malen relevanter dan de winnaars die zich tegenwoordig in dit land zo luidruchtig op de borst roffelen.

    • Sjoerd de Jong