De boom der levenswetenschappen

Vanaf morgen tooit Wageningen zich met de titel `City of Lifesciences'. In navolging van vele universiteitssteden over de hele wereld wil het Gelderse stadje zich ontwikkelen tot een knooppunt van universitaire én commerciële biotechnologie, voeding en levenswetenschappen.

Aan de gemeentegrens van Wageningen verschijnt morgen naast het vertrouwde plaatsnaambord een nieuw bord: City of Lifesciences, stad van de levenswetenschappen. Het Gelderse stadje, dat nu al op 33.000 inwoners zo'n 8.500 kenniswerkers en evenvele studenten telt, wil zich ontwikkelen tot een knooppunt van wetenschap en bedrijven die onderzoek doen voor de boeren, de voedingsindustrie, de groene ruimte en het milieu.

Op de universiteit en in de laboratoria van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) werken al jaren honderden plantkundigen, dierwetenschappers, biotechnologen, microbiologen en ecologen. Maar dat de gemeente zich als knooppunt van wetenschap én bedrijfsleven op dit gebied wil manifesteren, is een opmerkelijke internationale ontwikkeling die zich in snel tempo voltrekt. In navolging van de grote Amerikaanse universiteitssteden maken nu haast alle universiteitssteden bedrijventerreinen vrij, science parks geheten, voor beginnende lifescience-bedrijven en R&D-laboratoria van multinationals. De gemeenten proberen actief laboratoria naar zich toe te trekken in de hoop daarmee de regionale economie te stimuleren. Ze profileren hun stad als City of Lifesciences (Wageningen), Lifescience City (Maastricht), BioMedcity (Groningen), BioValley (Maleisië) of BioPolis (Singapore). Zo ontstaan nu overal in de wereld knooppunten, hubs, met honderden, soms duizenden levenswetenschappers van universiteiten, onderzoeksinstituten en bedrijven op een kluitje.

Vergeleken met een snel groeiende hub als Cambridge in de Amerikaanse staat Massachusetts, is Wageningen een kleintje. Maar de nauwer wordende samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven is vergelijkbaar. Waar Wageningen zich in onderscheidt, is de nadruk op voeding en groene ruimte, een specialisatie die in het verlengde ligt van de Landbouwuniversiteit. Maar juist bij voeding roept de toenemende verstrengeling van publiek en privaat onderzoek vragen op. Zo vroeg de commissie Terlouw die vorig jaar het maatschappelijke debat over biotechnologie organiseerde, zich af of Wageningen nog wel onafhankelijk kan oordelen over de risico's van genetisch veranderde gewassen.

Het toekomstige science park aan de rand van Gelderlands City of Lifesciences is nu nog kaal weiland met wat proefvelden maïs. In één hoekje zetten bouwvakkers het dak op de eerste twee bedrijfsgebouwen: eentje voor de Stichting Houtresearch, en eentje voor startende biotechnologiebedrijfjes. Over twintig jaar, hoopt de gemeente, is dit een hypermodern terrein vol laboratoria en computerruimtes, met uitzicht op mooie tuinen.

Directeur Jef Gielen van het bedrijfsverzamelgebouw heeft science parks bezocht in Amerika, Europa en Azië. De starters, spin-offs van de universiteit of private laboratoria, spelen een belangrijke rol op zo'n park, zegt hij. ,,Een science park is als een neuraal netwerk.'' Vanuit de universitaire laboratoria ontstaan nieuwe bedrijven; die groeien door en zetten onderzoek uit bij de kennisinstellingen en de kennisinstellingen bij de bedrijven, waarvan de directeuren ook weer onderwijs verzorgen op de universiteit. Kortom, al die kleine en grote, publieke, private en half-private laboratoria nemen de innovatie straks samen ter hand, zo is het idee.

Aan de hiervoor nodige verzakelijking van de universiteit en de onderzoeksinstituten is hard gewerkt. In 1990 telde de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) nog een twintigtal ambtelijke onderzoeksinstituten die nauwelijks wisten wat de buren deden. De toenmalige Landbouwuniversiteit telde 70, op de eigen discipline gerichte vakgroepen. Onder leiding van de huidige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, prof. dr. Cees Veerman, is de afgelopen vier jaar vaart gemaakt met de integratie. De universiteit, de inmiddels geprivatiseerde DLO-instituten én de proefstations zijn gefuseerd tot Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR). Die bestaat nu uit één holding met vijf kenniseenheden: Plantwetenschappen, Dierwetenschappen, Milieuwetenschappen, Agrotechnologie en voeding en Maatschappijwetenschappen. Er is een ondersteunende afdeling gekomen voor de spin-offs en dit jaar zijn zelfs hoogleraren aangesteld om het ondernemerschap te stimuleren.

,,Een cultuur kan snel veranderen'', zegt prof dr. Hans Dons, deeltijd-hoogleraar Ondernemerschap in de biotechnologie en directeur van het groeiende biotechbedrijf Keygene. Dat merkte hij als directeur van het plantkundig DLO-instituut. ,,Begin 1995 moest ik als eerste de afdelingen voorlichten over patenten – terwijl ik er zelf ook nog geen ervaring mee had.'' Zeven jaar later is de voorheen nogal ambtelijke organisatie veranderd in een bedrijfsmatig werkend instituut met een flinke patentportefeuille.

Wageningen heeft de interesse gewekt van een aantal Nederlandse bedrijven. Aardappelzetmeelbedrijf AVEBE overweegt zijn onderzoeksvestiging van Groningen naar Wageningen te verhuizen. De R&D-afdeling van Campina gaat erheen. Seminis, het grootste groentenzaadbedrijf van de wereld, heeft al een onderzoeksvestiging vlak naast de universiteit. En Numico, marktleider in babyvoeding, klinische voeding en voedingssupplementen heeft in Wageningen vijf jaar geleden zelfs zijn hoofdvestiging neergezet, van waaruit de R&D-afdelingen elders in de wereld worden aangestuurd.

Voor de grote bedrijven kan deze cultuurverandering bij de kennisinstellingen niet snel genoeg gaan, zo leert een bezoek aan prof. dr. Wim van Gelder, directeur van de onderzoeksafdeling van Numico. Bij Numico zijn de R&D-inspanningen fors gegroeid afgelopen vijf jaar en daarmee ook de behoefte aan zakelijk opererende onderzoekspartners. Telde de onderzoeksvestiging voor de verhuizing in Zoetermeer nog 30 voedingsonderzoekers, nu werken er alleen al in Wageningen 200. Daarnaast besteedt Numico een kwart van het onderzoek uit aan 50 universiteiten wereldwijd.

Van Gelder zou graag meer willen samenwerken met Wageningen UR. Maar daar is, zegt hij, ,,vertrouwen, slagvaardigheid en begrip voor elkaars situatie'' voor nodig. Zijn die er dan niet? Liever dan rechtstreeks te antwoorden geeft hij als voorbeeld de befaamde Harvard Medical School bij Boston. ,,Zij zijn hier geweest, een maand later zat ik daar en een maand later kon het project starten. In Nederland duurt het soms een half jaar voor er een beslissing valt.'' Van Gelder adviseert Wageningen UR zich ,,nog beter in te leven in een bedrijfsleven dat moet concurreren op het scherpst van de snede''.

Die inleving wordt nu afgedwongen in structurele, omvangrijke publiek-private programma's. Het grootste is het Topinstituut Voedselwetenschappen, een van de vier grote publiek-private onderzoeksinstellingen die zich van de overheid `Topinstituut' mogen noemen. Sinds 1997 leggen de overheid, drie Nederlandse kennisinstellingen en 13 Nederlandse voedingsbedrijven elk jaar een bedrag bij elkaar voor voedingsonderzoek – vorig jaar was dat 14 miljoen euro. Drie keer per jaar komen ze bij elkaar om te besluiten over nieuwe onderzoeksprojecten die aan het in het business plan geformuleerde doel bijdragen: veilig, gezond, lekker en makkelijk klaar te maken voedsel. Inmiddels werken er 150 onderzoekers bij het Topinstituut Voedselwetenschappen, onder wie voedingskundigen, microbiologen, biochemici, psychologen en zelfs een tandarts.

Afgelopen zomer kregen de plantbiotechnologen het groene licht voor een tweede omvangrijk publiek-privaat onderzoeksprogramma. Het gaat om een genomics programma van in totaal 54 miljoen euro voor vier jaar, gericht op verdere analyse van het genetisch materiaal van de aardappel en de tomaat. Onder leiding van Wageningen UR hebben liefst 21 partijen een business plan gemaakt. ,,Dat wordt nog best complex'', denkt directeur en hoogleraar Hans Dons. ,,Welke afspraken maak je over de eigendomsrechten van de kennis en het plantmateriaal dat de partners inbrengen? Daar zullen we juristen voor nodig hebben.''

Het concept van de City of Lifesciences, en van life-science hubs in het algemeen, past bij alle moderne theoriën over innovatie: hoe vloeiender de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, hoe sneller de innovatie, hoe beter voor de (regionale) economie. Niemand wil terug naar het wetenschappelijk hobbyisme, de kennishiaten en de doublures van de vorige eeuw. Maar de toenemende gerichtheid op het bedrijfsleven baart sommigen zorgen over de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het fundamenteel onderzoek.

Hans Dons maakt zich géén zorgen, hij kan zijn studenten voorbeelden geven van uitmuntend onderzoekers, die op basis van hun vernieuwende onderzoeksresultaten nu een bloeiend bedrijf hebben. Ook prof. dr. Rob Hamer, een van de drie wetenschappelijk directeuren van het Topinstituut, gelooft dat een structureel publiek-privaat programma de wetenschappelijke kwaliteit juist ten goede komt. ,,Elders moeten hoogleraren voortdurend achter onderzoekspotjes en promovendi aan. Wij stellen op een project tien tot vijftien onderzoekers tegelijk aan en we hoeven niet achter alle modegrillen aan te lopen.''

En de zorg van de commissie Terlouw, dat een onafhankelijk oordeel straks niet meer uit Wageningen is te verwachten? Is het bijvoorbeeld wel juist dat het biotechnologisch onderzoek, dat veelal samen wordt gedaan met bedrijven, door alle fusies in dezelfde kenniseenheid is beland als het ecologisch georiënteerde risico-onderzoek? De directeur van deze kenniseenheid, gewasecoloog prof. dr. Martin Kropff, vindt dat juist zijn eenheid onafhankelijk is: de plantwetenschappers hebben de samenwerking versterkt niet alleen met het bedrijfsleven, maar ook met de overheid, de boeren, maatschappelijke groeperingen en internationale organisaties. ,,Door voor veel organisaties te werken, maak je je onafhankelijk van één belangenpartij.''

De VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP uitte in zijn jaaroverzicht van 2001, gewijd aan technologie, de zorg dat de lifescience hubs zich te veel gaan richten op de globaliserende multinationals en zo niet toekomen aan de problemen in arme gebieden, ook niet in hun eigen regio. Kropff, die jarenlang in de tropen werkte, deelt die zorg niet, in ieder geval voor zijn eigen kenniseenheid. Zo is het aantal promovendi uit ontwikkelingslanden afgelopen jaren alleen maar gegroeid. ,,Je merkt dat mensen op je resultaten zitten te wachten en dat is heel motiverend.''

Maar ir. Wiebe Aans van het Studium Generale, dat de reflectie binnen Wageningen UR wil bevorderen, ziet in die gretiger wordende vraag naar onderzoeksresultaten juist een probleem. ,,Het onderzoek wordt efficiënter. Maar efficiëntie verwacht je meer van productiemedewerkers in een fabriek dan van universitair onderzoekers. De vraag is of er nog tijd over blijft om originele, nieuwe concepten te ontwikkelen, en om complexe lange termijnvragen te beantwoorden die voor de hele samenleving belangrijk zijn.''