Voorbeeldig cineast

De vrijdag in Valencia overleden Belgische filmer, musicus en docent André Delvaux regisseerde in 1988 zijn achtste en laatste lange speelfilm, een geraffineerde en zorgvuldige verfilming van Marguerite Yourcenars historische roman L'oeuvre au noir/Hermetisch zwart. Delvaux (Heverlee, 1926) stierf plotseling, na onwel te zijn geworden tijdens het houden van een lezing. Zelfs de nieuwsmedia in zijn eigen land besteedden dit weekeinde nauwelijks aandacht aan de dood van een van België's belangrijkste filmmakers; Delvaux, die voor een ontwikkeld publiek niet eenvoudig toegankelijke films maakte, blijkt al bijna vergeten.

In de jaren zeventig kwamen aspirant-regisseurs uit heel Europa naar Brussel voor de filmtheoretische lessen van Delvaux aan het opleidingsinstituut INSAS. Ook zijn eigen werk, dat vaak te gemakkelijk afgedaan werd als `magisch-realistisch', werd vaak voortgedreven door theoretische vragen over de verhouding tussen beeld en geluid, over tijd in film en over verschillende lagen in de filmrealiteit.

Delvaux had piano en compositie gestudeerd aan het conservatorium, voor hij zich specialiseerde in wat in Vlaanderen `Germaanse filologie' heet en docent werd. Met zijn studenten maakte hij documentaires, en zelf televisieprogramma's over onder meer Fellini, Rouch en de Poolse cinema. Ook begeleidde hij in de Koninklijke Cinematheek van Brussel zwijgende films op de piano.

In 1965 debuteerde Delvaux overrompelend met een verfilming van Johan Daisne's De man die zijn haar kort liet knippen. Vooral internationale critici prezen Delvaux' constructie, die een autopsie als metafoor gebruikt. Ook de tweede film naar Daisne, Un soir, un train (1968), de verfilming van Julien Gracqs novelle Rendez-vous à Bray (1971) en het op een origineel scenario gebaseerde Belle (1973) speelden met de spanning tussen verbeelding en realiteit.

Daarentegen leek het door Ivo Michiels geschreven Een vrouw tussen hond en wolf (competitie Cannes 1979), met Rutger Hauer als Vlaamse collaborateur, vooral bedoeld als sfeervolle politiek-historische reconstructie. De volgende speelfilms, Benvenuta (1983) en Babel Opéra (1985), waren weer minstens zo formeel en essayistisch als Delvaux' documentaires over schilder Dieric Bouts en over Woody Allen.

Je zou Delvaux een voorbeeldig cineast kunnen noemen, tegelijk verteller en essayist, een intellectueel, die zowel met Walen als Vlamingen in hun eigen taal voortreffelijk communiceerde. Hij had een visie, vele ideeën en wist deze met precisie en doortastendheid te realiseren. Hij was alleen niet goed in marketing en in populistisch amusement, en dus was hij in deze tijd een dinosauriër geworden.

    • Hans Beerekamp