Nobelprijs: onderzoek celdood

De Nobelprijs voor de geneeskunde gaat dit jaar naar de Britten Sydney Brenner en John Sulston, en de Amerikaan Robert Horvitz. Zij delen een prijs van 10 miljoen Zweedse kronen voor hun onderzoek naar de genetische regulatie van de orgaangroei en de geprogrammeerde celdood. Dit heeft het Nobel Comité vanmorgen in Stockholm bekendgemaakt.

Orgaangroei en geprogrammeerde celdood (apoptose) hebben met elkaar te maken omdat in hart, lever, darm, hersenen, huid of nieren, kortom in ieder orgaan, voortdurend nieuwe cellen worden gemaakt en oude, versleten of zieke cellen verdwijnen. Dit proces van celaanmaak en -afbraak moet in evenwicht zijn om de orgaanfunctie te behouden. Zelfs in een groeiend embryo verdwijnen alweer overbodige cellen door gerichte celdood. Het is een efficiënt proces: de bouwstoffen van de cel worden klaargemaakt voor hergebruik.

De grote verdienste van de oudste van de drie prijswinnaars, Sydney Brenner (1927), is dat hij begin jaren zeventig de platworm Caernorhabditis elegans (959 cellen groot, doorzichtig en 1 millimeter lang) als proefdier introduceerde. In dit dier kon het verband tussen actieve genen, celdeling en orgaanontwikkeling goed worden bestudeerd. In zoogdieren lukte dat slecht. Achteraf bleek dat veel van de regulerende genen ook bij de mensen dezelfde functie hebben, wat er op wijst dat celdeling en celdood in het hele dierenrijk op dezelfde wijze worden gereguleerd. Alleen de details verschillen. Sulston (1942) toonde aan dat alle nematoden (rondwormen) op dezelfde manier hun zenuwstelsel ontwikkelen. Horvitz (1947) vond genen die de celdood reguleren. Het werk van de drie is van belang voor de kennis over veel ziekteprocessen, zoals kanker, infecties, auto-immuunziekten en de gevolgen van een hartaanval en een beroerte.