Godsbeelden

Dat gelovigen altijd geprobeerd hebben een bewijs voor het bestaan van God te vinden en dat die pogingen mislukt zijn, schreef Piet Borst een paar weken geleden. En dat het daarom geen zin heeft om het er verder nog over te hebben. Het is een feit dat er geen toetsbare aanwijzingen zijn voor het bestaan van God of goden. Het zou heel goed kunnen dat er geen enkele werkelijkheid correspondeert met dat wat wij als `god' aanduiden. Nu zijn er wel meer woorden die geen betrekking hebben op een aanwijsbare werkelijkheid, `het goede' bijvoorbeeld, `het kwade', dat zijn woorden waarmee we een complex van begrippen aanduiden. `Liefde', ook zo een, `vriendschap'. We kunnen er wel voorbeelden van geven en we weten ook heel goed wat we ermee bedoelen, maar de vriendschap zelf aanwijzen of definiëren, dat kost moeite. Nu zou het flauw zijn om te doen of daarmee ook het woord 'god' van elk probleem is ontdaan. Weten we bij liefde en vriendschap, en zelfs, zij het in mindere mate, bij `het kwade'of `het goede' nog wel min of meer waar we het eigenlijk over hebben, bij 'god' is dat een stuk minder duidelijk. Er zijn ongehoord veel invullingen van dat begrip in omloop, van hele nare tot hele vage, zowel intelligente als domme, als lelijke als ontroerende.

Ongelovigen hebben nogal eens de neiging gelovigen extreem stupide godsbeelden toe te schrijven, zoals rond 11 september te lezen was in deze krant, toen in de bijlage Leven iemand zich vol verbazing afvroeg hoe gelovigen iets aan de god konden hebben die 11 september toch maar mooi had laten gebeuren. Het is, ook onder gelovigen, een goed gebruik om te onderscheiden wie wat doet. Als de buurman zijn hond op uw stoep uitlaat dan is noch de hond, noch God verantwoordelijk voor deze daad, maar de buurman. Bush is er dan ook niet op uitgetrokken om God te straffen.

Tahar ben Jelloun geeft in zijn buitengewoon indrukwekkende boek Een verblindende afwezigheid van licht het woord aan een van de Marokkaanse onderofficieren die na een mislukte aanslag op de koning in 1971, ruim achttien jaar opgesloten geweest zijn in een ondergrondse gevangenis, te laag om rechtop in te staan, afgesloten van elk licht. Ze hadden altijd pijn, werden slecht gevoed en slecht gekleed en meer afleiding dan dat ze met elkaar konden praten was er niet. In dergelijke omstandigheden worden de dagelijkse gebeden of geheel overbodig of van levensbelang. Voor Ben Jellouns hoofdpersoon Salem, die aan de schrijver gevraagd heeft om zijn verhaal te boek te stellen, worden ze van levensbelang. En nooit vraagt hij God om iets. Hij bidt om niet te verzinken in haat, hij bidt tegen de uitputting, de vermoeidheid, de neiging om het op te geven. ,,Bidden is absolute belangeloosheid'', zegt hij. Voor hem is God de redding, en tegelijkertijd de leegte, de stilte, hij vraagt niet: `waarom heeft u mij dit aangedaan', maar hij zoekt naar een plaats waar hij kan overleven. Die vindt hij in bijna mystieke ervaringen, afgedwongen door een verschrikkelijke, noodzakelijke discipline. Zo kan een godsbeeld ook zijn.

Dit neemt niet weg dat gelovigen er soms alles aan doen om de afkeer van ongelovigen – of van verlichtere gelovigen – te wekken, door te pas en te onpas God erbij te halen en deze god wensen en verlangens, ja zelfs bevelen toe te schrijven die uitgesproken weerzinwekkend zijn. Allerlei vijanden moeten dan weer een kopje kleiner gemaakt worden ter meerdere eer en glorie van het opperwezen, dat in deze voorstellingen altijd zo partijdig is als de pest. De bijbel geeft bovendien stof genoeg voor een dergelijke godsvoorstelling – ook daar eist een bloeddorstige god dat de vijanden tot de laatste man worden afgemaakt en straft hij degene die aan een enkeling genade wil schenken. God als het zuiver goede kan nauwelijks een aan de schrift ontleende voorstelling zijn.

Met godsvoorstellingen is het lastig, en zeker aan de God van de christelijke religie kleven veel beelden en voorstellingen die niet alleen onhoudbaar, maar ook onwenselijk zijn – hetzelfde geldt trouwens voor Allah. Dat wil niet zeggen dat alle religie onzin is, maar wel dat er voorzichtiger omgesprongen moet worden met het woord god.

In zijn nieuwe boek Voor een tijd een plaats van God probeert H.M. Kuitert met bewonderenswaardige eerlijkheid het godsbegrip te ontdoen van de vele al te benauwde voorstellingen die eraan zijn gaan kleven, en van God zoiets als een lege plek te maken, zuivere transcendentie die soms door mensen ervaren wordt. Het goddelijke zoekt hij dan in de mens, en wel in het vermogen van de mens om door woorden een wereld te scheppen. De belangrijkste zin uit de bijbel lijkt voor hem nu te zijn: ,,In den beginne was het woord.''

In de Proloog van zijn boek De Zoon van de Panter liet Paul Claes zich bij monde van Paulus de Anachoreet ook uit over die eerste zinnen van het Johannes-evangelie en liet hij zien hoe wanhopig ingewikkeld die zijn. Alles in de godsvoorstellingen, in de bijbelverhalen, in de evangeliën is ingewikkeld en tegenstrijdig – behalve voor hen die enkele zinnen uit hun context lichten en daar een waarheid aan ophangen. De waarheid, ook zo'n begrip dat niet naar een bestaande werkelijkheid verwijst, is niet uit de bijbel, noch uit de godsdienstige traditie, noch uit de individuele ervaring te distilleren. Misschien is de waarheid te vermoeden, nooit meer dan dat. Vangen we glimpen van haar op. De Anachoreet van Claes zegt: ,,God is onbekend: elk van ons maakt zich een God naar zijn beeld en gelijkenis. Geen van onze geschriften kan hem bereiken, geen van onze namen hem noemen. Alleen in de eeuwigheid zullen onze woorden samenvallen met zijn waarheid. In deze wereld is elke spraakverwarring ene getuigenis voor hem en ieder woord, hoe arm, dwaas en duister ook, een woord van God.''

Een prachtig citaat, en het sluit tamelijk precies aan bij wat Kuitert over god zegt in zijn boek. Het steun zoeken en vinden bij deze god, bij die grote leegte, is wel heel moeilijk geworden. Maar zelfs dat kan. Mits geheel belangeloos. Zie Ben Jelloun.