Een leven in dienst van het koninklijk huis

Na een rumoerige verlovingstijd en een nog rumoeriger huwelijkssluiting met kroonprinses Beatrix verwierf de Duitse Claus von Amsberg snel de sympathie van de Nederlandse bevolking. Prins Claus heeft er nooit een geheim van gemaakt dat de positie van prins-gemaal hem te beperkt was en dat de verplichtingen hem te knellend waren. Maar zijn dienstbaarheid was groter dan zijn opstandigheid. Pas toen hij ziek werd, in de jaren tachtig, trad hij minder aan als man naast en achter de koningin.

`Ik kan u verzekeren: het is goed'', zei koningin Juliana op 28 juni 1965, de dag waarop de verloving van kroonprinses Beatrix en de toen 38-jarige Duitse diplomaat Claus von Amsberg werd bekendgemaakt. En prins Bernhard, zijn aanstaande schoonvader en in veel opzichten zijn tegenpool, voegde daaraan toe: ,,Hij zal het goed doen.'' Al had menig landgenoot destijds twijfels, en al zou de huwelijksdag van Beatrix en Claus op 10 maart 1966 in Amsterdam daarvan op soms ruwe wijze blijk geven, het toenmalig koninklijk paar zou nog royaal gelijk krijgen.

Een paar jaar later al zou prins Claus, blijkens opiniepeilingen het meest gewaardeerde lid van het koninklijk huis zijn, ook en misschien wel juist bij degenen die `Het huwelijk' even eerder nog heftig hadden gekritiseerd. Bij zijn vroegere linkse critici en bij joodse maatschappelijke organisaties kan de omzichtig-bedachtzame Claus van Amsberg, inmiddels op Drakensteyn vader van drie prinsjes, geen kwaad meer doen. En dat zou de rest van zijn leven zo blijven. Meer nog: naarmate het constitutionele keurslijf dat voor hem in Nederland klaar lag knellender wordt, en zijn psychische gezondheid daarvan schade begint op te lopen, raakt de brede waardering voor zijn persoon versterkt met mededogen. Die emotie is aanvankelijk ingewikkeld geladen, veel Nederlanders zijn dan nog hevig anti-Duits en ons posterieure verzet tegen de vroegere Duitse bezetter draait in die jaren op volle toeren, zeker in intellectuele en journalistieke kring.

Maar de `arme' en verstandige Claus, die niet slechts de man maar ook de eerste raadsman van Beatrix gebleken is (en zal blijven), is dan zozeer `één van ons' geworden dat zijn geboorteland als het ware uit zijn curriculum verdwenen lijkt te zijn. Later zullen dergelijke ingewikkelde Nederlandse affecties voor `goede' Duitsers ook gelden voor president Richard von Weizsäcker en ambassadeur Otto von der Gablenz, niet toevallig trouwens vrienden van Beatrix en Claus. Zulke goede Duitsers staan als het ware apart van hun landgenoten, lijkt het soms, en maken het wat eenvoudiger die `gewone' Duitsers desgewenst op enige afstand te houden.

Zelf draagt Claus aan deze stemmingswisseling bij door niet alleen snel en goed de taal van zijn nieuwe vaderland te leren, maar ook door zich een bekwaam diplomaat te tonen in de omgang met het Nederlandse volk. In 1970 bijvoorbeeld, vier jaar na de rookbommen en de hevige protesten tegen zijn huwelijk met Beatrix, roemt hij de Nederlanders als ,,bijzonder tolerant''. ,,Dit is mijn land'', zegt hij in een tv-interview en hij voegt daaraan toe dat hij in het Nederlands droomt zolang het niet om rekenen gaat. In datzelfde jaar spreekt hij in interviews, onder meer met het vakbondsblad Ruim Zicht en het Nieuw Israëlitisch Weekblad, nogal relativerend over de monarchie als een staatsvorm die in Nederland nog wel lang zal bestaan maar waarvoor hij en de andere leden van het koninklijk huis heus niet de barricaden op zullen gaan als het draagvlak veel smaller zou worden.

In die vraaggesprekken spreekt Claus voor het eerst ook openlijk over de problemen die hij heeft met de beperkingen van het constitutionele keurslijf dat voor hem geldt. Hij klaagt ook dat eigenlijk onvoldoende gebruik wordt gemaakt van zijn capaciteiten, die hij graag vaker zou inzetten. ,,De leden van het koninklijk huis zullen wat betreft inspraakmogelijkheden wel altijd onderaan de lijst staan. Dat is wel eens moeilijk te accepteren. Je zou soms dolgraag eens iets willen zeggen over een bepaalde zaak. Doodgewoon, omdat je meent iets zinnigs naar voren te kunnen brengen, dat een bijdrage kan zijn aan de meningsvorming. Maar in verreweg de meeste gevallen hoed je je voor zulke dingen, omdat er wellicht commentaren of interpretaties aan worden verbonden, die niet je opvattingen maar je status als lid van het koninklijk huis in het geding brengen. Ik zie daarvoor geen oplossing. Het is nu eenmaal een feit dat mensen die inspraak uitoefenen meestal een bepaald (groeps)-belang vertegenwoordigen. En dat is een positie waarin leden van het koninklijk huis niet verzeild behoren te raken. (...) Er kan en mag geen conflict ontstaan tussen het koninklijk huis en de regering, alle aanleidingen daartoe moeten worden vermeden. Maar met die grondregel als uitgangspunt zijn er misschien toch nieuwe en moderne formules te vinden voor het doen en laten van leden van het koninklijk huis, die misschien beter passen in de huidige maatschappij.''

Dit probleem zal Claus' tweede leven, als echtgenoot van de kroonprinses en vervolgens van het staatshoofd, blijven beheersen.

Wanneer het kabinet-Cals (1965-'66) kennis krijgt van het voorgenomen huwelijk, acht het niet alleen een onderzoek nodig naar de rol van de vroegere kortstondige Duitse soldaat Claus von Amsberg, die zich in 1944 als 17-jarige militair in Noord-Italië al na enkele weken bij de Amerikaanse troepen als krijgsgevangene heeft gemeld. Nee, Cals en zijn centrum-linkse kabinet, daarin geadviseerd door oud-premier en Oranje-intimus Beel, menen dat zij de grenzen van de zogenoemde afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid voor de aanstaande prinsgemaal nauw moeten trekken. Het waarschuwende voorbeeld van prins Hendrik, de in vele kleine en grote affaires voorkomende man van koningin Wilhelmina, alsook de beduchtheid voor de heersende anti-Duitse stemming zullen aan dat besluit hebben bijgedragen. Feit is dat daarmee een levensprobleem voor Claus is ontstaan.

Dat probleem wordt alom erkend en besproken. Dat leidt er in 1970 toe dat het kabinet-De Jong bij monde van minister Udink (CHU, Ontwikkelingssamenwerking) de prins-gemaal benoemt tot onafhankelijk voorzitter van de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie (NCO), een baan naar zijn hart op een terrein waarvoor hij grote belangstelling heeft. Meer nog: Claus, die als planterszoon zijn jeugd gedeeltelijk heeft doorgebracht in Oost-Afrika en nadien als jong Duits diplomaat in de Dominicaanse Republiek en Ivoorkust heeft gewerkt, is op dit terrein een erkend deskundige. Wat minister Herfkens in 1998 in het tweede kabinet-Kok aanbeveelt als vernieuwingen en verbeteringen op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking heeft prins Claus in belangrijke mate al vele jaren eerder aangeprezen. In een interview met deze krant pleitte hij bijvoorbeeld in 1990 al voor een minder grootschalige opzet van hulp, vooral in de armste landen. En voor een betere coördinatie tussen de donorlanden en meer eigen betrokkenheid en eigen plannen van ontwikkelingslanden bij de opzet van hulp. Die landen moeten zichzelf ontwikkelen, dáárbij moeten zij hulp krijgen, zij hoeven de westelijke wereld niet te kopiëren of zich in neokoloniale afhankelijkheid te begeven, waarschuwde Claus toen.

Niettemin, volgens sommigen gaat het juist door die deskundigheid al snel mis in die NCO-baan. Aanleiding is een positief NCO-advies over subsidie aan het Angola Comité voor een boycotactie tegen koffie uit Angola, dat dan nog een kolonie is van Portugal, het land van dictator Salazar. Dat advies, dat Claus als voorzitter heeft doorgeleid, weigert de regering (minister Udinks opvolger Boertien) over te nemen, wat in rechtse media niet alleen tot kritiek op de `linkse' NCO leidt maar ook tot discussie over het voorzitterschap van Claus.

De politieke ironie wil dat een pro-monarchistische krant als De Telegraaf in dat voor Claus' ambities schadelijke debat een hoofdrol speelt en dat minister Jan Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) namens het `linkse' kabinet-Den Uyl in 1974 prins Claus ertoe brengt zijn NCO-functie te verruilen voor een politiek neutralere baan bij de SNV (Stichting Nederlandse Vrijwilligers). Zoals de ironie ook wil dat de fervente aanhangers van de monarchie zo beducht blijken te zijn voor schade daaraan, dat zij via een strikte toepassing van de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid de levensruimte van de leden van het koninklijk huis zó beperken dat de betrokkenen menen dat zij eigenlijk geen leven meer hebben.

Van dat dilemma heeft Claus voortdurend weet gehad. In de jaren zeventig zal hij openlijk vertellen dat hij ooit heeft overwogen om een einde te maken aan zijn verloving met Beatrix en naar Duitsland terug te keren. Zoals hij vertelt dat hij ook wel eens heeft gedacht dat het wellicht mogelijk zou zijn om als man van de kroonprinses zijn diplomatieke loopbaan voort te zetten, in Azië, Afrika of Zuid-Amerika, zij het dan in Nederlandse dienst. ,,Dat was naïef'', heeft hij nadien toegegeven.

De gelukkigste jaren van het huwelijk van Beatrix en Claus, zij zijn daarover eenstemmig, zijn de jaren op Drakensteyn, waar Claus als vader en als spil van een jong gezin in veel gevallen de toon zet en de richting aangeeft. Zoals op het punt van de sociaal-culturele ontplooiing, via contacten met andersdenkenden of meer of minder avantgardistische kunstenaars. Of aangaande de opvoeding van de drie prinsen, die een `zo gewoon mogelijke' jeugd moeten hebben en krijgen. Beatrix die neigt naar het formeel-afstandelijke, vindt en aanvaardt in Claus een van het protocollaire afkerig tegenwicht. Eén zijn de echtelieden in een hang naar perfectionisme en in het bewustzijn dat zij, of dat nu altijd aangenaam is of niet, samen geroepen zijn om iets belangrijks te doen.

Na 1980, het jaar waarin Beatrix in een opnieuw contesterende hoofdstad wordt ingehuldigd als koningin, wordt het constitutionele bestaan van Claus in feite nog moeilijker. Dan verandert zijn positie van gewaardeerd partner en raadsman van de kroonprinses in de positie van de man van het staatshoofd, zo men wil: aanhangsel, op twee pas rechts achter haar in het openbaar. In 1982 noemt de Rijksvoorlichtingsdienst de prins, die niet meer aan alle reizen en andere verplichtingen kan meedoen, aanvankelijk ,,oververmoeid''. Even later wordt de RVD, naar het heet op verzoek van het koninklijk paar zelf, duidelijker: ,,De prins lijdt aan klachten van depressieve aard.'' Er volgt een behandeling die zo'n twee jaar zal duren, in Zwitserland, Nederland, Duitsland. Na ommekomst daarvan, en na medische communiqués die hoop geven, worden Claus nieuwe functies aangeboden. Zoals commissariaten bij De Nederlandsche Bank en de PTT en taken bij instellingen op het gebied van milieu en biotechnologie.

Uit de keuze voor deze functies blijkt het politieke bestuur van Nederland te beseffen dat er meer zin aan het bestaan van de prins-gemaal moet worden ge-

geven. Maar als verbindend kenmerk hebben die functies toch nog steeds dat de prins-gemaal erdoor niet in controversiële situaties, laat staan in de buurt van politieke strijd, mag raken. Dat betekent, in zoverre er een verband is tussen Claus' bezigheden en zijn psychisch welbevinden, dat die goedbedoelde nieuwe functies dus geen remedie zijn. In het afgelopen decennium wordt alles voor Claus nog verder bezwaard door ernstige somatische klachten, waarvan een prostaat-operatie en een weggenomen nier voorbeelden zijn.

In 1970, in de hierboven al aangehaalde interviews, heeft de prins zelf al gezegd dat hij voor het vraagstuk hoe hij zinvol kan werken zonder risico's voor de ministeriële verantwoordelijkheid eigenlijk ook geen oplossing weet. Het is de vraag gebleven of er in een constitutionele monarchie die een, meer of minder breed uitgelegde, ministeriële verantwoordelijkheid kent, wel enige echte oplossing denkbaar is.

Prins Claus heeft prachtig, soms aangrijpend, met dat in feite onoplosbare vraagstuk geworsteld. Die constitutionele monarchie, die een meerderheid van de Nederlanders nog steeds wil, kan zeer hard zijn.

    • J.M. Bik