Dichter van verwondering

Zaterdag jongstleden stierf de Vlaamse dichter Eddy van Vliet in een ziekenhuis in het Belgische Roeselare.

,,Hou mij niet voor de gek met kwalen / waarvan niemand de namen durft te noemen'', schreef hij ooit aan de Dood. Dus weigerde hij, toen een hersentumor zijn einde bepaalde, het uitstel van het infuus. Voor Van Vliet waren de dingen eenvoudig wat ze waren. Zijn keuze voor de advocatuur als broodwinning had een simpele reden, vertelde hij zelf: ,,Ik had een boef willen worden, maar dat durfde ik niet, dus ben ik pleiter.''

Als dichter was hij bovenal Belg, maar de helft van zijn poëtische hart lag boven de Moerdijk, in Rotterdam en Amsterdam. In de Maasstad was hij jarenlang lid van de adviescommissie van Poetry International; in de Amstelstad zat zijn uitgever, De Bezige Bij. Voor het grote lezerspubliek was hij, meer dan dichter, de bloemlezer (samen met C. Buddingh') van Zuid- en Noord-Nederlandse poëzie in Poëzie is een daad van bevestiging (1978) en Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten (1982). Onder dichters was hij een collega als weinig anderen. En zijn poëzie was niet mis. Terecht werd die dan ook herhaaldelijk bekroond: van de Reina Prinsen Geerligsprijs (als eerste Vlaming in 1967) tot en met de Belgische Staatsprijs voor Poëzie in 1989.

In zijn gedichten was verwondering het vliegwiel. De verwondering van het kind en dus ook de verwondering van het kind dat we zelf ooit waren. Het is, zo stelde Van Vliet in 1994 in Poëzie, een pleidooi, de dichter in ons die sterft wanneer wij nuchter en onverschillig voorbijgaan aan dingen die ons als kind betoverden. En met die nuchterheid verliezen we het contact met de realiteit, ,,die als een ijsberg één kwart boven en drie kwart onder water drijft''. Deze romantische poëtica kon niet zonder relativering, vond Eddy van Vliet ook zelf. ,,In het vinden van de stoep die struikelen doet / ben ik heel goed'', stelde hij dan ook in zijn voorlaatste bundel Zoals in een fresco de kleur (1996).

Toen hij dat schreef stond al een tiental bundels op zijn naam. In het spoor van dichters als Paul Snoek had hij de poëzie aanvankelijk in het irreële gezocht, maar via politiek geëngageerde verzen belandde hij uiteindelijk bij het onderwerp dat de titel van zijn eerste bundel in 1964 al aankondigde: Het lied van ik. Vanaf Het grote verdriet (1974) werden zijn eigen levenservaringen het onderwerp. Met als climax het meesterlijk verbond tussen liefde en dood in de vorig jaar verschenen bundel Vader. Dat die vader, die zijn vrouw en Eddy in 1955 om een minnares verliet, het verschijnen van deze verzoenende ode niet meer heeft meegemaakt, bepaalt de slotregels van de zeventig pagina's lange cyclus. ,,Dichtgesmeten lot'', schrijft Van Vliet met een bittere ondertoon, ,,Voor schut gezet, zonder antwoord / schrijf ik tot aan de dood.''

Het zijn ook de slotregels van Gigantische dagen, een persoonlijke keuze uit zijn bij De Bezige Bij gepubliceerde gedichten van 1978 tot en met 2001. Die keuze verscheen ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag. Ook het gedicht Dood staat erin. ,,Veeg je voeten en wees welkom'', luidt het eind daarvan. Aan die uitnodiging is nu jammerlijk voldaan.