De sociale dimensie: hulp aan arme landen

Belangstelling voor landen in ontwikkeling, speciaal in Afrika, had Claus von Amsberg al vroeg gekregen toen hij tien jaar oud naar kostschool vertrok in Lushoto in het huidige Tanzania. Zijn ouders waren acht jaar eerder naar een plantage in Ndola geëmigreerd, waar op kleine schaal koffie, thee en cacao werd verbouwd. Later beheerde zijn vader een grote sisalplantage in Mjesani.

In het Nedersaksen waar Claus vandaan kwam, had het piëtisme binnen de protestantse kerk een sterke invloed: geen geloofsverkondiging zonder sociale dimensie. Dat geloof moest zichbaar worden in zending, liefdadigheid, bijbelverspreiding en kinderzorg. Ook adellijke families zagen dat als een bijzondere missie.

Tijdens zijn jaren als Duits diplomaat in de Dominicaanse Republiek en Ivoorkust kreeg ontwikkelingssamenwerking zijn speciale belangstelling. Na zijn huwelijk met prinses Beatrix was het haast vanzelfsprekend dat prins Claus gelegenheid zou krijgen dat werk voort te zetten. Bovendien was het een nette baan, beter controleerbaar in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid dan die van zijn schoonvader en diens schoonvader.

Eerst werd de prins voorzitter van de commissie-Claus, die de Nederlandse bevolking nog meer bewust moest maken van de noodzaak van ontwikkelingshulp, later als voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers en weer later adviseur van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en inspecteur-generaal op Buitenlandse Zaken.

Met die bewustwording zat het niet glad. Soms werden bevriende staatshoofden beledigd door uitspraken van de commissie-Claus. Ook weigerde de regering een advies van de commissie over te nemen voor acties van het Angola Comité en andere actiegroepen. In 1974 verliet Claus de commissie die zijn naam droeg en ging hij adviseren. Met minister Jan de Koning (CDA) lukte dat het beste.

Als het om de relatie tussen rijke en arme landen ging, gaf prins Claus zichzelf enige politieke ruimte. Hij hekelde het gebrek aan respect voor de eigen cultuur van landen in ontwikkeling. De bevolking daar heeft het recht om zelf te kiezen welke elementen zij wenst over te nemen van de westerse technologie en van de westerse rationaliteit om deze aan te passen aan het weefsel van de eigen samenleving, meende hij. ,,Men ontwikkelt een volk niet, het ontwikkelt zichzelf'', aldus citeerde hij een Afrikaanse vriend.

Bij zijn zeventigste verjaardag werd een speciaal fonds opgericht, het Prins Claus Fonds, met als doel tot een `culturele osmose' te komen: het bevorderen van een eigen identiteit door communicatie op voet van gelijkheid. Of in prins Claus' eigen woorden bij de instelling van het fonds in 1996: ,,Ontwikkeling en vooruitgang kan alleen door de mensen zelf worden voortgebracht in een omgeving waarin respect bestaat voor de eigen cultuur, de eigen taal en de eigen leefwijze.''

Bij zijn tientallen reizen valt hem als inspecteur te velde op dat de begeleiding van ontwikkelingsprogramma's meer in de ontvangende landen zelf moet gebeuren. In een interview met deze krant stelt hij in 1992 voor om tot oprichting van nationale ontwikkelingsmaatschappijen te komen. Daarin werken vertegenwoordigers van donorlanden, de internationale ontwikkelingsinstanties en het ontvangende land ter plekke met meer respect voor de eigen visie van de bewoners en hun noden.

Als hij de wekelijkse bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken, van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en van de staatssecretaris van Europese Zaken bijwoont, stelt hij twee zaken centraal: de kwaliteit van hulp moet verbeteren evenals de controle op de uitvoering. Nauwkeurig gaat hij na of de bevindingen van de Inspectie te Velde ook leiden tot maatregelen om de kwaliteit van al die hulp te verbeteren. Somber wordt hij nooit, hij waarschuwt al die jaren met humor en betrokkenheid. Zoals bij zijn zeventigste verjaardag: ,,Het heeft weinig zin om te verklaren dat de donorlanden `eigenaar' van de projecten zijn, wanneer zij cultureel en technisch niet in de gelegenheid zijn hun vaak alleen in de theorie bestaande recht uit te oefenen. Dat moet een donor weten. [...] Nationale hobbyismen vieren nog steeds hoogtij. Wij zijn de fase van steeds maar blijven experimenteren nog niet ontgroeid. Voor oude vraagstukken bedenken wij nieuwe begrippen en noemen het nieuw beleid.''