Zelfmoord op bestelling

Het lijkt een redelijk verlangen: het recht op een pil waarmee je een eind aan je leven kunt maken. Ook in geval van een depressie.

Joost Zwagerman fulmineert tegen de Nederlandse zelfmoordlobby.

'Het is veelzeggend dat wie zelf ooit suïcidaal is geweest, in de regel fel gekant is tegen het idee van hulp bij zelfmoord.'

Van doodsverlangen kun je uitstekend slapstick maken. In Hannah and her Sisters speelt Woody Allen een gedeprimeerde scenarioschrijver, Mickey Sachs, die steeds wanhopiger op zelfmoord zint. Op het moment suprème klungelt hij wat met een jachtgeweer en zet de geweerloop tegen zijn voorhoofd. Hij aarzelt of hij inderdaad zal schieten, totdat de geweerloop door het angstzweet op zijn voorhoofd wegglijdt en het geweer per ongeluk afgaat. Mickey Sachs vlucht in (een voor de toeschouwer hilarische) vertwijfeling de straat op, ten prooi aan nieuwe zelfmoordgedachten. Maar hoe? Hoe moet hij het doen? Uren zwerft hij door de straten van Manhattan. Op een gegeven moment koopt hij blind een kaartje bij een bioscoop. Eenmaal binnen blijkt een film van de Marx Brothers te draaien. Mickey raakt ondanks zichzelf gebiologeerd door de vrolijke anarchie van de Marx Brothers. Na de voorstelling is hij genezen van zijn depressie en bevrijd van zijn doodswens. Hij heeft weer zin in het leven.

In Hannah and her Sisters lijken depressie en doodswens nog het meest op een psychisch griepje. Een filmpje pakken volstaat bij wijze van weermiddel. Rits rats klik, en weg zijn mijn zelfmoordgedachten. Slapstick.

Ik las De dood in doordrukstrip (2001) van Karin Spaink en stelde me voor hoe het zou zijn afgelopen met deze Mickey Sachs, als hij zou hebben geleefd in het soort samenleving waar Spaink in haar boek voor pleit. Spaink wil dat voor 'iedere volwassene een zelfmoordpil in de apotheek te koop is', zonder dat de belangstellende klant een recept van een arts of psychiater dient te overhandigen. Omdat er voor zo'n zelfmoordpil û nog û geen naam is, linkt Spaink haar ideale doodsserum aan de pil van Drion, een pil die vooralsnog evenmin bestaat. Huib Drion, naar wie de virtuele pil is vernoemd, bepleitte zo'n tien jaar geleden dat een arts een dodelijke pil mag verstrekken aan hoogbejaarden die hun leven op fysieke of psychische gronden als onleefbaar en uitzichtloos ervaren. Als Karin Spaink de principiële beschikbaarheid van een dergelijke pil voor iederéén bepleit, denkt zij naar eigen zeggen in het bijzonder aan 'mensen met onoverkomelijke levenspijn'. Hoe en door wie de mate van 'onoverkomelijkheid' moet worden vastgesteld, is volgens Spaink niet relevant. Zij vindt dat uiteindelijk alleen de gepijnigde kan oordelen over de legitimiteit van zijn doodswens.

Zelf lijdt Spaink aan de ziekte ms. Zij vertelt in De dood in doordrukstrip niet langer te willen leven, zodra de spierziekte haar zodanig verlamt dat ze volledig afhankelijk wordt van derden. Na een intensieve speurtocht heeft zij via internet bij een leverancier op Cyprus een cocktail van zelfmoordpillen besteld. Sinds zij die pillen in huis heeft, leeft Spaink naar eigen zeggen een stuk rustiger.

Spaink is die rust van harte gegund. Minder ruimhartigheid roept ze bij mij op zodra ze lijkt te geloven dat ook lijders aan andere ziekten, óók psychische, datzelfde verlossende gevoel van rust zullen ervaren als zij in het bezit zijn van de soort cocktail die zij zelf heeft bemachtigd. De mensen van wie zij vermoedt dat een zelfmoordpil op het nachtkastje dat beoogde gevoel van rust zal brengen, omschrijft Spaink als volgt: 'Mensen met psychologische problemen bij wie therapie niet helpt, of mensen die zo diep getraumatiseerd zijn dat ze, zelfs indien therapie succesvol kan zijn, een zo lange weg hebben af te leggen dat de moed ze op voorhand in de schoenen zinkt.'

Clownerie

Volgens deze omschrijving zou Mickey Sachs in Hannah and her Sisters in aanmerking zijn gekomen. Bij hem liep het suïcidaal gedrag uit op slapstick û maar wie zijn wij, geredeneerd volgens Spaink, om te oordelen dat onder die clownerie geen hardnekkige en onbehandelbare depressie schuilgaat?

Spainks pleidooi voor de vrije verkrijgbaarheid van een zelfmoordpil vertoont in één opzicht een sterke overeenkomst met de slapstick-Woody Allen in Hannah and her Sisters. Ze beroepen zich allebei op snelheid û Woody Allen op een snelle, makkelijke 'genezing' van zelfmoordneigingen, en Karin Spaink op een snelle, makkelijke zelfmoord. Als het aan Spaink ligt, heb je, rits rats klik, in een handomdraai je zelfmoordtabletten op zak. Een apotheekje pakken volstaat. Doktersrecept is niet nodig, psychiatrisch rapport evenmin. Achterliggende gedachte: voor zelfmoord hoef je je niet door anderen te laten balloteren.

Om impulsslikkers niet al te driest te werk te laten gaan, pleit Spaink voor wat zij noemt een 'twee- of drievoudige combinatiepil'. Het betekent dat je na het innemen van de eerste pil slechts dan doodgaat wanneer je vervolgens een twééde pil neemt, die alleen maar werkt wanneer je tussen pil 1 en pil 2 een 'bedenktijd' van 24 uur in acht hebt genomen û een tijd die je nodig hebt om van een buikgriep of een loopoor te herstellen en die Spaink ook voldoende acht om een maanden- of jarenlange depressie af te ronden met de zelfverkozen dood.

De dood in doordrukstrip werd na verschijning niet overal met evenveel sympathie besproken. In Trouw werd haar boek weggezet als 'zelfmoordkitsch'. Het Vlaamse dagblad De Standaard noemde Spaink een zeloot. Inmiddels lijkt dat zelotisme meer salonfähig dan toen werd verondersteld. In België is sinds dit jaar een euthanasiewet van kracht die óók mensen die niet-terminaal ziek zijn en die uitsluitend op psychische gronden 'aan het leven lijden', in aanmerking laat komen voor levensbeëindiging. In ons land kondigde de nvve (Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie) aan een proef te willen beginnen waarbij niet-medici helpen bij zelfdoding.

De vereniging streeft ernaar 'vrijwilligers een centrale rol te laten spelen bij de beoordeling van de vraag naar zelfmoord'. Deze leken zouden in bepaalde gevallen een zelfmoordpil mogen toedienen, wanneer degene met een doodswens daartoe fysiek of psychisch niet of niet meer in staat is. nvve-directeur Jonquière lichtte de proef toe: 'Nu euthanasie wettelijk is geregeld, is het een logische stap verder te gaan met hulp bij zelfdoding.' Blijkbaar beschouwt de nvve de wettelijke euthanasieregeling, waar zij jarenlang û terecht û voor heeft gepleit, eerst en vooral als een verworvenheid die, koud nadat de Tweede Kamer haar in december 2000 had aanvaard, moet worden opgerekt.

Siberië

Een van mijn beste vrienden lijdt al jaren aan een chronische depressie. Al zo lang als ik hem ken, en dat is achttien jaar, slikt hij daar medicijnen tegen, variërend van kalmerende middelen en antidepressiva tot antipsychotica. Drie jaar geleden verergerde zijn depressie. Dwars door zijn medicatie heen braken zelfmoordgedachten door waartegen mijn vriend nauwelijks nog verzet kon en wilde bieden. In betrekkelijk korte tijd wist hij zich definitief van al zijn zekerheden beroofd, behalve van het voor hem onwrikbare gegeven dat hij niet meer verder kon leven. Mijn vriend werd voor maanden opgenomen in psychiatrische afdelingen van ziekenhuizen en onderging tal van behandelingen, waaronder een elektroshocktherapie.

Wanneer ik hem opzocht, wilde hij vrijwel alleen maar praten over zijn ideale manier van sterven: naar Siberië afreizen en daar doodvriezen. In de praktijk haalde mijn vriend de dichtstbijzijnde bushalte niet eens meer. Hij was nauwelijks nog in staat te bewegen, te eten, te drinken, te slapen. Artsen verklaarden hem in de loop van de tijd onbehandelbaar, ook nadat hij was verpleegd in een particuliere kliniek in Duitsland. Ook daar bezocht ik hem en merkte ik telkens dat hij zich al lang niet meer bezighield met de vraag of het leven de moeite waard was. Belangrijker was voor hem de onweerlegbare conclusie dat hij het niet meer waard was om in leven te zijn.

Mijn vriend was al met al de gedroomde casus voor de hulpverlener uit de klaar-met-leven-school; voor de zelfmoordconsulent die het verstrekken van dodelijke medicatie aan zo iemand beschouwt als een daad van medemenselijkheid. Het enige dat hem een tijdlang weerhield van zelfmoord, was de sterke wil om, op filosofisch niveau, zijn 'gelijk' te halen. Streng en strak argumenterend over de legitimiteit van zijn op handen zijnde zelfmoord, hoopte hij op instemming van zijn dierbaren. Mijn vriend beriep zich op de bekende getuigen à decharge: Seneca, Socrates, E.M. Cioran. Hij wilde, kortom, dat wij zouden beamen dat hij inderdaad maar beter kon gaan. Hij vond ons egoïstisch en wreed dat wij dat weigerden te zeggen.

Maar wat zeg je wél tegen zo iemand? Wat doe je? William Styron, auteur van onder andere de roman Sophie's Choice, leed medio jaren tachtig aan een ernstige depressie. Hij schreef erover in Darkness Visible. Styron geeft in dat boek een advies aan vrienden en verwanten van een kandidaat-zelfmoordenaar. 'It is of great importance that those who are suffering a siege (..), be told û be convinced, rather û that the illness will run its course and that they will pull through. A tough job, this ''Chin up!ö from the safety of a shore to a drowning person is tantamount to insult, but it has been shown over and over again that if the encouragement is dogged enough û and the support equally committed and passionate û the endangered one can nearly always be saved.'

A tough job, inderdaad. Het werd steeds moeilijker om mijn vriend te wijzen op een, toegegeven, minimale maar nog altijd denkbeeldige kans op een herovering van levenswil. Hij vond iedere opmerking over een eventuele eindigheid van zijn depressie inderdaad 'beledigend' en beschouwde alle weerwerk die zijn vrienden en familie hem boden als het vergeefs uitventen van wandtegelwijsheden.

Leeggepompt

Toen Martin van Amerongen over zijn dodelijke ziekte schreef, citeerde hij Shakespeare: 'Nooit komen rampen eenzaam als verspieders.' Dat kwam me bekend voor. Omstreeks dezelfde tijd dat mijn vriend dood wilde, kreeg ik toen ik thuiskwam van een vakantie te horen, dat mijn vader was opgenomen op de intensive care. Hij had een zelfmoordpoging gedaan, was bij toeval en op het laatste moment gevonden, door mijn moeder, van wie hij niet lang daarvóór was gescheiden. Zij zou die week op vakantie gaan, maar had haar reis onverwacht geannuleerd, overigens om redenen die niets met mijn vader te maken hadden.

Mijn vaders maag werd leeggepompt, en hij werd, nog in coma, geopereerd aan zijn slokdarm die ernstig beschadigd was geraakt. Toen hij na tweeëneenhalve dag bijkwam, was het eerste dat hij tegen ons zei: 'Dit was niet de bedoeling. Dit was echt niet de bedoeling.' Wij, zijn familieleden, dachten nog even dat hij doelde op de ontzetting die zijn daad had teweeggebracht bij zijn ex-vrouw en twee kinderen. Maar dat hadden we verkeerd. Het was niet de bedoeling dat hij het had overleefd.

Mijn vriend kwam te weten van mijn vaders zelfmoordpoging. Die geschiedenis maakte het nog iets ingewikkelder om hem te bezoeken. In mijn vader zag hij een zielsverwant, in mij een pleitbezorger voor het leven, maar dan wel een met een geheime agenda.

'Je praat tegen mij, maar je hebt het natuurlijk tegen je vader. Wat heb ík daarmee te maken?'

Met deze en andere opmerkingen maakte mijn vriend het me zo goed als onmogelijk om nog iets tegen hem te zeggen. Dat deed ik dan ook maar niet meer. Ik wist dat hij ons stilzwijgen beschouwde als een vorm van doodzwijgen die hij het liefst zo letterlijk mogelijk wilde nemen.

In De dood in doordrukstrip maakt Karin Spaink de volgende afweging: 'Ik kan me goed voorstellen dat er situaties zijn waarbij ik daadwerkelijk iemand zou helpen zelfmoord te plegen, bijvoorbeeld door middelen te verschaffen. Als ik iemands wanhoop ken, zijn afweging solide vind, kan begrijpen waarom hij tot de conclusie komt dat sterven de enige oplossing is (...) zou ik mezelf eerlijk gezegd geen knip voor de neus waard achten als ik me niet naar vermogen voor hem zou inspannen. (...) Voorwaarde is wel dat ik mijn eigen afweging mag maken.'

Ik kende de wanhoop van mijn vriend, ik had een beperkt aantal argumenten in te brengen tegen zijn gitzwarte maar 'solide' afweging; kon, als ik me in hem verplaatste, zijn conclusie begrijpen en zelfs navoelen û en had mezelf geen knip voor de neus waard geacht als ik ook maar één moment met hem mee had gepraat, laat staan dat ik hem zou hebben 'geassisteerd' bij de voorbereidselen op zijn zelfmoord.

Eigenbelang

Ik sta me niet voor op die weigerachtigheid, zoals ik ook nooit zal beweren dat ik uit een devoot altruïsme aan zijn ziekbed zat. Ik zat er ten dele uit eigenbelang, en niet alleen omdat ik mijn vriend niet wilde verliezen. Minstens zo belangrijk was deze overweging: als ík me er niet toe zet hem af te houden van een zelfmoord, van wie kan en mag ik dan nog verwachten zich over míj te ontfermen, zodra ik om een of andere reden in dezelfde positie kom te verkeren als waar hij nu in terecht was gekomen? Heden gij, morgen ik.

Het is mijn ervaring dat het betrekkelijk snel stil wordt aan het ziekbed van een extreem depressieve en suïcidale patiënt. De opgeruimden en levenslustigen onder ons haken doorgaans het eerste af. Hun is de herhaalde confrontatie met andermans hardnekkige doodsverlangens zó wezensvreemd dat ze er letterlijk sprakeloos door raken. Niet dat ze niet tegen andermans doodswens zijn opgewassen; ze missen ten enen male het vocabulaire om langer dan incidenteel met zo iemand om te gaan.

William Styron schrijft in Darkness Visible dat hij zijn depressie overleefde mede dankzij de blijvende interventie van een vriend die hem dagelijks opbelde en hem weerwerk bleef bieden. 'It was he who kept admonishing me that suicide was ''unacceptableö. I still look back on his concern with immense gratitude.' Die vriend was zelf ooit opgenomen geweest en had drie zelfmoordpogingen achter de rug û hij wist dus waarover hij praatte. Juist û en misschien wel uitsluitend û van déze vriend accepteerde Styron het dat die op zijn beurt zijn doodswens niet accepteerde.

Karin Spaink beweert: 'Niet alleen hebben mensen het recht om zich van het leven te beroven, ze hebben zelfs het recht om dit ten onrechte te doen.' Helemaal waar û in theorie. Het vervelende is dat Spaink dat recht volledig isoleert van andermans plicht de door depressie getiranniseerde zelfmoordenaar van zijn daad te weerhouden, is het niet uit oogpunt van moraal (waarover altijd valt te discussiëren), dan toch vanwege het onomstotelijke medische gegeven (waarover niét valt te discussiëren) dat niemand, ook geen enkele arts, over de kandidaat-zelfmoordenaar met honderd procent zekerheid kan vaststellen dat zijn depressie uitzichtloos, onbehandelbaar en onveranderlijk is.

Niemand die om redenen van depressie dood wil, zit te wachten op vrienden en familieleden die je bezweren dat het leven toch ook zo mooi kan zijn. Intimi en artsen hoeven heus niet als bij toverslag te veranderen in bedilzieke zielenherders die een pastorale Lebensbejahung van stal halen. Maar zolang er geen garantie bestaat û en die bestaat nooit û dat een door langdurige en zelfs 'onbehandelbare' depressie gevelde kandidaat-zelfmoordenaar niet ooit in de toekomst zal zijn verlost van zijn doodswens, is het wreed en hovaardig om andermans autonome domein van leven en dood te betreden.

Grieken

Met haar ethische principes over het recht op zelfmoord stelt Karin Spaink zich op als een geestelijk gezonde erfgenaam van de Grieken, voor wie de rationele, in vrijheid genomen beslissing tot zelfmoord een groot goed betekende. Spaink projecteert die ethiek op het doodsverlangen van de chronisch depressieve patiënt die, verkerend op de bodem van zijn wanhoop en zijn weerzin tegen de wereld en zichzelf, verondersteld wordt 'wilsbekwaam' te zijn. Spaink ontwijkt de essentiële vraag die ook de theoloog Johan Goud stelt, in de bundel Als de dood voor het leven: 'Doen de begrippen ''autonomieö en ''zelfbeschikkingö eigenlijk recht aan de situatie en de geestesgesteldheid van een zelfdoder'?

In The Noonday Demon. An Atlas of Depression (2001) geeft Andrew Solomon, die zelf ook ooit suïcidaal was, deze omschrijving van zelfmoord-door-depressieven: 'Zelf- moord is meer een reactie op angst dan een oplossing van een depressie; het is niet de handeling van het verstand op nul, maar van het gemarteld verstand. (...) Zelfmoord is de opstand van de geest tegen zichzelf, een dubbele desillusie, zo complex dat de depressieve geest het zelf niet kan bevatten. Hulp bij zelfdoding voor deze categorie mensen doet dus geen recht aan het verstand van de patiënt, maar beloont en bekrachtigt de marteling.'

Het is veelzeggend dat wie zelf ooit suïcidaal en depressief is geweest, in de regel fel gekant is tegen het idee van hulp bij zelfmoord om psychische redenen. Schrijfster Betsy Udink is een goed voorbeeld. In Klein leed (2001) doet Udink verslag van de û jarenlange û depressie waar zij onder leed. Udink noemt pleitbezorgers van de 'maakbare dood' afgezanten van de 'zelfmoordlobby'. Die lobby ervaart zij letterlijk als levensbedreigend: 'Ikzelf was in mijn depressieve fase zeer ontvankelijk voor de klaar-met-leven-gemeenschap, maar ik ben er door goede hulp aan ontsnapt. Voorlopig tenminste, want een depressie kan altijd terugkomen en de daarmee samenhangende bekoring die uitgaat van clubs die pleiten voor een schone en snelle zelfmoord.' Ook verzet Udink zich tegen het argument afkomstig van deze 'lobby' dat een relatief makkelijke dood door middel van een zelfmoordpil humaan is, omdat je mensen anders veroordeelt tot de treinrails of het dak van de torenflat. Juist het vooruitzicht van zo'n gruwelijke, pijnlijke en 'smerige' dood weerhoudt mensen ervan zelfmoord te plegen, beweert Udink.

Spaink is niet van dat û bekende û argument onder de indruk. 'Ik geloof niet dat zelfmoord hard en gewelddadig hoeft te zijn om mensen af te schrikken', schrijft ze. En: 'Een vrije toegang tot middelen om zelfmoord te plegen zal (...) niet snel tot massale sterfte leiden.' Cijfers wijzen uit dat Spaink dat maar beter wél kan geloven. Andrew Solomon deed voor zijn boek onderzoek naar een mogelijke samenhang tussen 'zelfmoorddichtheid' in de diverse staten van de vs en de verkrijgbaarheid van zowel vuurwapens als slaappillen. Zijn bevinding: waar vuurwapens en slaapmiddelen moeilijk te krijgen zijn, blijken de zelfmoordcijfers aanzienlijk lager dan elders.

Bij de oprichting in 1910 van het Weense Psychoanaly- tisch Genootschap zei David Oppenheim: 'Een geladen pistool zal de gedachte aan zelfmoord regelrecht opdringen bij de bezitter van zo'n wapen.' Uit de zelfmoordcijfers in Amerika blijkt hoe váák zich die gedachte kan opdringen. Een pistool wordt in de vs vaker voor zelfmoord dan voor moord gebruikt. En in de tien staten met de ruimste vuurwapenwetten ligt het aantal zelfmoorden gemiddeld tweemaal zo hoog als in de tien staten met de strengste wetten. Als deze cijfers al gelden voor het plegen van een 'harde' zelfmoord via de kogel, dan kan het niet anders of het zelfmoordpercentage zal navenant stijgen zodra het gaat om 'klantvriendelijke' middelen waarmee je in de gelegenheid wordt gesteld om een snelle, gemakkelijke zelfmoord te plegen.

Dodelijke cocktails

Ondanks die cijfers ziet Karin Spaink een actieve rol voor de Nederlandse staat weggelegd als bevoorrader van de zelfexecutie-per-pil. In De dood in doordrukstrip citeert zij de theoloog H.M. Kuitert, die in NRC Handelsblad stelde dat 'ons menselijk leven niet het eigendom [is] van de staat'. Nee, natuurlijk is het dat niet; maar om vervolgens, zoals Spaink, van diezelfde staat te verlangen dat zij haar burgers naar believen bevoorraadt met dodelijke cocktails, is een onnavolgbare gedachtesprong. Met het pleidooi voor zelfmoordpillen-op-recept legt Spaink het door haar benadrukte individuele recht op zelfmoord in handen van diezelfde staat die zij betutteling verwijt zolang die pillen niet voorhanden zijn. En stel dat de zelfmoorddichtheid in Nederland inderdaad explosief zal stijgen, nadat de overheid de beschikbaarheid van zulke pillen bij wet heeft geregeld? Moet de overheid dan in tevredenheid concluderen dat zij kennelijk heeft voorzien in een dringende behoefte onder haar burgers?

Voor artsen ziet Karin Spaink weer heel andere taken weggelegd. Zij wil dat artsen zich ontpoppen tot lobbyisten die 'de staat' moeten vermurwen een, ze zegt het letterlijk, 'gedoogbeleid' in te stellen voor de zelfmoordpil. Verder moeten deze lobbyende artsen er bij farmaceutische bedrijven op 'aandringen een Drion-achtige pil te ontwikkelen'. Want, aldus Spaink: 'Er is immers een markt voor.'

Er is een markt voor. Zelfmoord als handelswaar. Spaink beoordeelt andermans doodsverlangen naar de criteria van vraag en aanbod; zelfmoord als een consumptieartikel dat 'de staat' ons nu ten onrechte onthoudt. Tegelijkertijd vindt ze het niet juist dat het 'monopolie' van assistentie bij zelfdoding nu bij de medische stand ligt. Een zestienjarig meisje dat op dezelfde afdeling verbleef als mijn vriend, zei een keer tegen me: 'Als ik dood wil, ga ik toch niet naar de dokter?' Spaink zou antwoorden: nee, dat moet anders. Zij ziet een utopisch-necrofiele verzorgingsstaat voor zich. Als je dood wilt, ga je naar de sociale dienst.

Naar schatting zes van de zeven zelfmoordpogingen 'mislukken'. Die schatting is nog uiterst voorzichtig. Het Amerikaanse National Institute of Mental Health concludeerde dat tegenover één geslaagde zelfmoord twintig tot vijfentwintig mislukte pogingen staan. De verklaring voor die cijfers moet zijn dat de meeste zelfmoordenaars halfbewust of onbewust een 'risicofactor' verdisconteren wanneer ze hun poging ondernemen.

Pleitbezorgers van de zelfmoordpil en van hulp bij zelfdoding bij langdurig depressieven negeren altijd het feit dat het overgrote deel van de potiëntele doelgroep vaak wel dood wil zíjn, maar tegelijkertijd niet dood wil gáán. Vaak gebeurt het dat iemand die een zelfmoordpoging onderneemt en inderdaad op de rand van de dood verkeert, op de valreep een levenswil in zichzelf ontdekt die hij vóór zijn poging voor onmogelijk had gehouden. Dat blijkt tenminste uit getuigenissen van overlevenden. En daarom ook zijn het juist degenen die, zoals de vriend van William Styron, zélf ooit een poging hebben ondernomen, die tevens het hardnekkigst pogen anderen van zelfmoord te weerhouden. Zij zijn 'er' geweest en kennen de onvermoede keerzijde van het doodsverlangen.

Medio 2000 publiceerde de Volkskrant de uitkomsten van een onderzoek onder mensen die ooit een zelfmoordpoging hadden ondernomen. Van degenen die een zelfmoordpoging overleven, bleek minder dan 30 procent ooit een tweede poging te ondernemen. En: 80 procent was uiteindelijk blij dat de poging niet was geslaagd. 'Dat is nu een domme conclusie', beweert Spaink, en noemt het onderzoek niet wetenschappelijk. De controlegroep ontbrak immers. Inderdaad, een tevreden dode is geen onruststoker. Maar door de nadruk te leggen op de mogelijke voldoening en tevredenheid van de door zelfmoord overleden 'controlegroep', wordt het eens te meer duidelijk waar en bij wie Karin Spaink haar prioriteiten legt. Zij vindt de bevindingen van zelfmoordenaars die het hebben overleefd minder zwaar wegen dan de af te dwingen rechten voor de moderne zelfmoordconsument.

Kun je de 'belangen' van die twee groepen û de doden en de overlevenden û tegen elkaar afwegen? Spaink doet het. Andrew Solomon doet het in The Noonday Demon ook, maar met een andere uitkomst: 'Het is volgens mij beter te veel mensen te redden dan te veel mensen te laten gaan.' De afgezanten van de zelfmoordlobby zouden dit klare zinnetje eens tot zich door moeten laten dringen en vervolgens hun motieven van medemenselijkheid tegen het licht houden.

Weloverwogen

Diezelfde afgezanten zullen tegenwerpen dat die onvoorziene levenswil-op-het-nippertje vooral voorkomt onder plegers van de zogeheten 'impulssuïcide'. Tegenover die categorie bevinden zich de plegers van 'balanssuïcide'. Plegers van een balanssuïcide nemen weloverwogen het besluit een einde aan hun leven te maken. Zij leven doorgaans al jaren met een doodswens; mensen uit deze categorie zullen, wanneer het moment van de dood daar is, heus niet ineens veranderen in een spijtoptant, luidt de redenering.

Ook dat is niet waar. De dichter en essayist A. Alvarez was zo iemand voor wie zelfmoord jarenlang de onvermijdelijke afronding van zijn leven betekende. Alvarez publiceerde in 1971 The Savage God, over kunstenaars en zelfmoord. In de epiloog schrijft hij over zijn eigen zelfmoordpoging en benadrukt dat zijn leven zich al sinds zijn vroege jeugd ontwikkelde als een soort kroniek van een aangekondigde zelfmoord: 'Ik heb lange tijd met een soort wezenloze volharding naar de zelfmoord toegewerkt. Het was het enige, onveranderlijke middelpunt van mijn leven; al het andere leek irrelevant.'

Toen zijn huwelijk strandde, was het voor hem zover. Na een avond van dronkenschap en ruzie met zijn vrouw verdween Alvarez met een koelbloedigheid die hij zich voordien ook precies zo had voorgesteld naar de badkamer en slikte vijfenveertig slaappillen. Drie dagen later kwam hij bij, in het ziekenhuis. Er werd hem zuurstof toegediend via een buis, omdat zijn longen nog geblokkeerd waren. Voedsel werd intraveneus toegediend.

Na die poging overheerste bij Alvarez de teleurstelling. 'Ergens voelde ik mij door de dood bedrogen.' Hij had de dwingende verwachting gekoesterd dat de dood verheldering, inzicht, het finale 'antwoord' op knellende en neerdrukkende levenskwesties zou brengen. Dat bleek een illusie. Hij had de dood in de ogen gezien, zonder ook maar een glimp van een 'antwoord' te hebben ontwaard. In plaats daarvan bleek de dood 'een ronde nul', 'een gat in het geheugen', een onaanzienlijk en onttakelend niets. The Savage God besluit als volgt: 'Zelfmoord is een verschrikkelijke, maar volkomen natuurlijke reactie op de moeilijke en onnatuurlijke omstandigheden die wij soms voor onszelf scheppen. En het is niets voor mij.'

F. Scott Fitzgerald schreef: 'There are no second acts in American lives.' Een uitspraak die misschien is uit te breiden naar alle levens buiten de vs. Met een Spainkiaanse zelfmoordpil binnen handbereik was Alvarez geen 'tweede akte' vergund geweest en was hem niet het inzicht toegevallen dat de zelfverkozen dood 'niets voor hem' was. Nu leeft hij wél in die 'tweede akte', en in The Savage God schrijft hij er het volgende over: 'Toen ik eenmaal had aanvaard dat er nooit een antwoord zou zijn, zelfs niet in de dood, merkte ik tot mijn verbazing dat het niet meer zo belangrijk was of ik gelukkig of ongelukkig was. (...) En dat is op zich een begin van geluk.'

In Klein leed is Betsy Udink veel minder terughoudend dan Alvarez. Net als Alvarez was zij er ooit zeker van dat de dood 'verlossing' zou brengen: 'Ik was bereid als mijn eigen rechter het vonnis, de doodstraf, uit te spreken en als mijn eigen beul op te treden (...) Ik ga nog lang niet, denk ik nu, ze zullen me naar de dood toe moeten slepen.' Het hoofdstukje waarin ze dit schrijft heet 'Blij dat ik leef'.

Weinigen die een zelfmoordpoging hebben overleefd, zullen het Udink vermoedelijk zó direct en jubelend durven nazeggen. Ik heb het mijn vriend tenminste nooit horen beweren. Hij ondernam uiteindelijk drie zelfmoordpogingen. Ook de derde mislukte. Mijn vader is nooit helemaal genezen van de beschadigingen aan zijn maag en slokdarm. Wel gaat het hun inmiddels allebei betrekkelijk goed. Ze hebben tegen mij nooit gezegd dat ze blij zijn dat ze nog leven û ik heb hun dat ook nooit gevraagd û maar wél dat ze blij zijn dat hun zelfmoordpogingen indertijd mislukten. Een gradueel maar essentieel verschil. Het betekent natuurlijk niet dat na een mislukte zelfmoordpoging altijd een catharsis optreedt; een mislukte zelfmoord is niet een ingrediënt voor een blij-dat-ik-leefserum. Aan de andere kant: de zelfmoordenaar wiens poging mislukt, hoeft ook niet dezelfde euforische conclusie als Betsy Udink te trekken om zichzelf toch enigszins te kunnen verzoenen met die 'tweede akte'.

Toeval

Ik denk nog vrijwel dagelijks aan het toeval dat mijn vader destijds net op tijd was gevonden. Mijn moeder had hem in geen weken opgezocht. En ze had nog geaarzeld: eerst naar de Albert Heijn, of eerst nog wat spullen ophalen in het huis van mijn ex-man? Artsen hebben me verteld dat mijn vader het niet had overleefd als zij een kwartier later was geweest. Een kwartier! Was ze dus boodschappen gaan doen, dan had ik mij voortaan moeten rekenen tot de door therapeuten meer dan gemiddeld behandelde categorie, met een meer dan gemiddelde neiging tot suïcide: kinderen van zelfmoordenaars. In een bepaald opzicht ben ik dat nu natuurlijk ook. Ik ben kind van een zelfmoordenaar wiens poging niet slaagde. Met dat naakte gegeven beland je in statistieken die niet mis zijn. Kinderen van een vader of een moeder die ooit een zelfmoordpoging ondernam, lopen 64 keer vaker dan het gemiddelde de kans om chronisch depressief te raken. Verder plegen die kinderen op hun beurt 17 keer vaker dan 'normaal' zelfmoord.

Nou, dat weten we dan. Voorbeelden te over, ook in de literatuur. Door zich met een jachtgeweer door zijn hoofd te schieten, bootste Ernest Hemingway de manier na waarop zijn vader zelfmoord had gepleegd. De dichter John Berryman werkte de laatste acht jaar van zijn leven aan de cyclus The Dreamsongs, met als telkens terugkerend levensfeit de zelfmoord van zijn vader. In 1972 deed Berryman het zijn vader na.

Met deze literaire wapenfeiten en statistieken solliciteer ik niet naar enig medegevoel. Ik wil er alleen mee verduidelijken dat het op termijn onvermijdelijk is dat je je, in de omgang met kandidaat-zelfmoordenaars die je na staan, niet alleen tegen hun doodswens keert, maar dat je je er op bepaalde momenten ook mee identificeert, al was het maar om de helse kloof tussen jou en de ander te slechten. Mijn vriend én mijn vader betraden destijds een terrein waar ik een hoog hek omheen plaats. Maar ik zou liegen als ik zei dat het terrein mij onbekend is.

Dit laatste lijkt spectaculairder dan het is. Wie durft over zichzelf te beweren dat hij nooit van zijn leven in een soortgelijke situatie en geestesgesteldheid zal raken als William Styron, A. Alvarez, mijn vriend, mijn vader? Ik niet. En het ligt natuurlijk voor de hand dat degenen die zich, zoals Betsy Udink, verzetten tegen de beschikbaarheid van een zelfmoordpil, dezelfden zijn die van zichzelf weten dat ze weleens de eersten zouden kunnen zijn die op een gegeven moment naar die pil zullen talen en er misschien ook naar zullen grijpen. Dit besef tekent ook het verschil in inzet tussen het boek van Karin Spaink en dat van Betsy Udink. Spaink polemiseert uit oogpunt van ideologie en libertijnse moraal. Udink polemiseert uit zelfbehoud.

Remco Campert schreef eens een verhaal dat heel gemoedelijk begint, maar waar zonder aanwijsbare oorzaak ineens de gekte toeslaat bij de hoofdfiguur. Die gekte lijkt eerst nog tamelijk gezellig en bijna cabaratesk. Maar al snel verandert die gekte in een redeloze razernij waar niets gezelligs meer aan is. Campert eindigt het verhaal met: 'Soms denk ik dat ik maar een paar woorden van de waanzin verwijderd ben.'

Een laatste cijfer uit de statistieken: 80 procent van de mensen schijnt ooit op enig moment in zijn leven zelfmoord te hebben overwogen (*). Gegeven dat percentage is het dus niet zo uitzonderlijk als iemand over zichzelf zegt: soms denk ik dat ik maar een paar woorden van de zelfmoord verwijderd ben. Voor A. Alvarez verpulverden op een gegeven moment die laatste paar woorden, net als, ooit, voor Andrew Solomon, William Styron, mijn vriend, mijn vader. Hun crises zijn natuurlijk niet inwisselbaar en niet eens onderling vergelijkbaar, evenmin als de mate van betrekkelijke verzoening waarmee ze hun 'tweede akte' zijn ingegaan. Wat ze wél gemeen hebben, is dat ze zich zonder voorbehoud zullen herkennen in deze zin van Betsy Udink uit Klein leed: 'Wat ik wilde zeggen is dat als ik dood wil, ik nog lang niet dood hoef.' M

Joost Meerloo: Suicide and Mass Suicide. New York, 1962

Joost Zwagerman is schrijver. Begin dit jaar verscheen bij De Arbeiderspers zijn roman Zes sterren.

Anna Ostrowska is freelance beeldmaker.

[streamers]

Spaink wil dat voor 'iedere volwassene een zelfmoordpil in de apotheek te koop is'.

Mijn vriend wilde dat wij zouden beamen dat hij inderdaad maar beter kon gaan.

Het wordt betrekkelijk snel stil aan het ziekbed van een extreem depressieve patiënt.

Waar vuurwapens en slaapmiddelen moeilijk te krijgen zijn, blijken de zelfmoordcijfers aanzienlijk lager dan elders.

Spaink ziet een utopisch-necrofiele verzorgingsstaat voor zich. Als je dood wilt, ga je naar de sociale dienst.

Een mislukte zelfmoord is niet een ingrediënt voor een blij-dat-ik-leef-serum.

    • Joost Zwagerman