Toen moest ik hem loslaten

Zeventien jaar en vijf maanden werd Rekel,de hond van Koos van Zomeren.

Nu is hij dood.

Deze week verschijnt bij De Arbeiderspers Het complete Rekelboek.

Hieruit vier prozagedichten.

DE WEKEN HIERNA

Hij lag op een oud dekentje. Er was misschien

nog tijd.

Ik schoof mijn hand onder zijn kop en ik

werd, na al die jaren, overrompeld door de

losheid waarmee die bewoog, het geringe

gewicht ervan.

Zo had ik hem nooit eerder gevoeld, zijn kop

zonder het gewicht van zijn wil, los van de

werkzaamheid van zintuigen en spieren,

ontdaan van elke weerstand en samenhang û en

dát zou in de weken hierna uitgroeien tot een

obsessie, draaikolkachtige gedachtegangen

over samenhang, de samenhang tussen

voorzieningen en processen in een dier, die

welbeschouwd de reflectie is van de samenhang

tussen het dier en de wereld om hem heen:

ieder dier een aanzet tot orde, een poging om

betekenis uit de chaos te wringen.

Toen moest ik hem loslaten.

HET STENEN DIER

Niet wat ik al vergeten ben,

maar wat ik nog weet,

wat ik nog vergeten zal.

Niet het onweer, niet de regen,

maar daarna, toen we in

een dampend wazige wereld,

alsof het ademen van levende

wezens nog maar net begonnen

was, langs de Lütschine naar

boven liepen, toen het geluid van

het ijzerkleurige water, razend,

stap voor stap door een ander

geluid verdrongen werd,

het ketsen van geweldige stenen

leek het wel, en toen we dichter

en dichter bij de oorsprong

kwamen: inderdaad, geweldige

stenen, rotsblokken die voor eeuwig op hun plaats waren gelegd,

die aan het rollen waren gegaan,

door de stroom werden

meegesleurd, bulderende stenen.

En pas toen ik zag hoe aandachtig hij zich op de hoge kant over

dit schouwspel boog, dacht ik

dat het een bikkelhard, in stukken gebroken dier kon zijn,

dat bezig was zich op te richten,

dat de bedding van het riviertje

zou verlaten om zich te verspreiden over de oevers.

Niet dat hij mij hoorde of

verstond. Ik wou daar weg,

hij volgde mij, mijn hond.

ER WAREN GRENZEN

Alles kon, alles mocht, alles werd op z'n minst in welwillende

overweging genomen û je moest alleen niet aan zijn voorpoten zitten.

Als je aan zijn voorpoten zat, bij de lichtste beroering al, reageerde

hij geschokt. Hij trok het betreffende pootje, links of rechts,

schielijk terug en keek je verwijtend aan.

Zat je daarna nog een keer aan dat pootje, dan probeerde hij

je grommend af te leiden, in een ánder spel te betrekken.

En dan nog een keer û dan draaide hij zich om, dan stond hij op,

dan had hij even helemaal genoeg van je.

Het waren maar plaagstootjes natuurlijk. Kijken of hij het nog deed.

Maar hém was het ernst. Via zijn voorpoten probeerde hij je

respect voor zijn persoon bij te brengen.

Ik denk dat het een kwestie van betamelijkheid was. Ik ervaar het

nu in ieder geval als onbetamelijk, pervers eigenlijk, als ik in aanraking kom met een hond die het niks bijzonders vindt dat je aan

zijn voorpoten zit.

WAAR WE ZIJN

Hij, schrijf ik.

Rekel, schrijf ik.

Woorden zijn het, woorden als schilderijhaken, woorden

waaraan je zinnen kunt bevestigen.

Het bevestigen van zinnen is mijn werk. Je kunt niet snikkend je

werk doen. Je kunt ook niet schaterend je werk doen. Maar soms

breekt er iets los, en dat ben jij.

Je hebt zojuist ontdekt dat we een beetje uit elkaar zijn geraakt,

je komt nu op een drafje naar me toe.

We zijn op het jaagpad, op de kade, op een paadje in de duinen,

in het bos, in de bergen û het doet er niet toe waar we zijn. Je bent

oud genoeg om te weten wat er te weten valt, jong genoeg om

niet door wat je weet gehinderd te worden.

Dat drafje, frivool op de momenten dat je voorpootjes, wit

gemarkeerd, beide van de grond zijn, het ene even vóór het andere.

Het deed er niet toe waar we waren, denk ik,

terwijl ik me weer over mijn werk buig.

VALLENDE BOMEN

In Angerenstein was een beuk

geveld û vorige week had je

hem misschien nog machtig

genoemd.

Je kon gaan staan waar zijn leven

lang een boom had gestaan.

Ik keek onwillekeurig naar de

lucht, waar de zon zou staan als

het niet geregend had. Met een

beetje geluk, dacht ik, had hij

zich met krakend geweld op zijn

eigen schaduw gestort. In deze

zin had het dan toch iets van een

boom die zijn bestemming vindt.

Uitgerekend aan de voet van

deze boom had ik de geplooide

woekering van zwammen geweten, net een verloren rokje.

Intussen tot hout verzaagd en op

transport gesteld. Het enige wat

de mannen van gemeentewerken hadden achtergelaten:

de indruk die de beuk bij zijn val

in het grasveld had gemaakt.

November was het.

Als de aarde toch al zo gevoelig voor indrukken is.

Koos van Zomeren is schrijver en medewerker van NRC Handelsblad.

Van hem verscheen in 2001 De man op de Middenweg (De Arbeiderspers).

Sylvia Weve (Artbox) is freelance Illustrator