Tegen de tirannie van het persoonlijke

`Gewoon jezelf zijn' is geen goed recept voor de publieke sfeer. Veel mensen zijn uit het oog verloren dat ze als burgers een rol moeten spelen in het theater van de wereld. Vervaging van het onderscheid tussen privé en publiek is gevaarlijk voor de democratie, vindt Dorien Pessers.

De staat heeft in de loop van de vorige eeuw een ingrijpende gedaantewisseling ondergaan. Het is geen hiërarchische, autoritaire en formalistische staat meer, die vanuit de hoogte gebiedt of verbiedt, maar een staat die gedoogt, luistert en interactief is. De staat wil zorgzaam zijn en begeeft zich tegenwoordig in een horizontale, communicatieve verhouding met de burgers, in een zogeheten wederkerige rechtsbetrekking.

Ook de burger is van gedaante veranderd. Als we de media en het publieke debat mogen geloven, zou de burger geen burgerschapsmoraal meer hebben, geen waarden en normen meer kennen. Hij wil vrijheid van handelen, maar stelt de overheid aansprakelijk voor de gevolgen, zoals vervuiling van het milieu, filevorming op de wegen, en een overbelaste gezondheidszorg. De burger wil zelf beschikken over zijn leven en over het moment van zijn dood, maar wil tegelijkertijd dat de staat het vuile werk opknapt. Kortom: de publieke rol van de burger is verdwenen achter zijn persoon. De bourgeois, een privé-persoon in de staatsvrije ruimte van burgerlijke vrijheden, heeft de citoyen, drager van politieke rechten die hij in overeenstemming behoort te brengen met het algemeen belang, verdrongen. De burger is een veeleisend kind geworden.

De burger bestookt de publieke sfeer van de politiek met persoonlijke aanspraken, die hij vertaalt als subjectieve rechten. Enerzijds duidt deze ontwikkeling op de juridische emancipatie van het individu. Anderzijds verandert het karakter van de politiek hierdoor ingrijpend. De persoonlijke sfeer is immers die van de onmiddellijke behoeftebevrediging, van het hier en nu. De sfeer van de politiek is daarentegen gericht op het algemeen belang en op een langetermijnontwerp voor de samenleving. Wanneer burgers politiek niet meer beschouwen als een strijd om sociale verandering, maar als een strijd om zelfontplooiing, vervaagt het constitutionele onderscheid tussen een persoonlijke en politieke sfeer.

Het ideaalbeeld van de burger kwam tot ontwikkeling in de achttiende en negentiende eeuw. Centraal staat daarin het begrip waardigheid, afgeleid uit de aristocratische normen van de hofcultuur. Typerend is de beroemde uitspraak van Marie Antoinette, op het moment dat zij naar haar executie werd geleid: ,,We blijven dame tot en met de laatste trede naar het schavot.'' De waardige burger betreedt het publieke domein – het theatrum mundi – als een acteur, met een masker op dat de persoon en zijn innerlijk leven verbergt. Aldus gedepersonaliseerd is de burger in staat te verkeren met medeburgers met wie hij in zijn privé-leven misschien niets te maken zou willen hebben.

Van dit ideaalbeeld is weinig meer over. Het innerlijk leven wordt niet meer afgeschermd voor anderen, maar juist uitdrukkelijk in de openbaarheid gebracht. De emotionele erupties rondom het optreden en de dood van Fortuyn waren geen willekeurig incident, maar uitdrukking van de `emotiecultuur'. Deze wordt gekenmerkt door de behoefte om woede en verdriet publiekelijk te uiten, bijvoorbeeld in witte marsen of fakkeloptochten. De emotiecultuur drukt zich ook uit in de media, die doortrokken zijn geraakt van collectief voyeurisme en exhibitionisme.

In dit verband spreekt de socioloog Van Stokkom over een ,,emotionele democratie''. Daarin vragen burgers niet alleen om respect, maar vooral om erkenning van hun hyperpersoonlijke identiteiten, levensstijlen, gevoelens en kwetsbaarheden. Van Stokkom legt een rechtstreeks verband tussen ontwikkelingen in de persoonlijke sfeer en die in de publieke sfeer. Ten gevolge van de `revolutie van het gevoel' zijn de emotionele verwachtingen in de liefdes- en gezinssfeer tegenwoordig hoog gespannen. Deze emotionele aanspraken zetten zich voort in het publieke domein van staat en burgerschap. Een duidelijk voorbeeld zien we in de behoefte bij verschillende bevolkingsgroepen aan excuses. Surinamers willen excuses van de staat wegens de slavernij. Joodse overlevenden uit de concentratiekampen willen excuses wegens de kille en bureaucratische opvang na de oorlog. Ook de slachtoffers van de rampen in de Bijlmer, Enschede en Volendam wilden spijtbetuigingen.

Slachtofferschap, lijden en verdriet zijn sowieso belangrijke bronnen van een nieuwe publieke moraal geworden. Uitgangspunt van deze postmoderne moraal is dat in een individualistische en pluralistische samenleving als de onze geen overeenstemming meer kan worden bereikt over gemeenschappelijke waarden en normen. Het geëmancipeerde individu heeft zich bevrijd van normen die – vaak verstikkend – werden opgelegd door de gemeenschap, het geloof, traditie of door de staat. In plaats daarvan zoekt het individu naar een authentieke, eigen moraal, en maakt het zijn eigen morele afwegingen. In het verlengde van deze persoonlijke moraal ligt het recht op zelfbeschikking. Ieder mens heeft het recht zijn persoonlijk leven naar eigen voorkeur en in morele vrijheid in te richten.

Op het eerste gezicht lijkt alsof zo aan de hoogste norm van rechtvaardigheid wordt voldaan, die van het suum cuique tribuere: aan eenieder moet het zijne worden gegeven. Bij nader inzien rijzen er echter ernstige bezwaren. Een publieke moraal die bestaat uit de som van de subjectieve aanspraken van de burgers, leidt – in de woorden van de Belgische rechtsfilosoof Koen Raes – tot de `tyrannie van het persoonlijke'. Talloze maatschappelijke vraagstukken worden erdoor onoplosbaar. Zo kunnen in de gezondheidszorg geen keuzen meer worden gemaakt, omdat algemene regels van verdeling van de gezondheidszorg voorbijgaan aan de specifieke behoeften van het individu. Wanneer van het individu zelf geen afweging van zijn eigen belang tegen het algemene belang kan worden verwacht, en wanneer ook de staat zich niet meer bevoegd acht die afweging te maken, wordt het onmogelijk nog in termen van het algemeen belang te denken en te handelen.

Nergens komt de `tirannie van het persoonlijke' scherper tot uiting dan in de medisch-ethische dilemma's van tegenwoordig. Het verlangen naar de dood omdat men `klaar met leven' is, of wel het verlangen naar een kind, het verlangen naar een gezond kind, het verdriet om onvruchtbaarheid, homoseksueel ouderschap, bevruchting door middel van sperma- of eiceldonatie, draagmoederschap, preïmplantatiediagnostiek: het zijn alle kwesties die het hart van de persoonlijke levenssfeer betreffen. Maar inmiddels zijn deze hoogstpersoonlijke kwesties in het schelle licht van de openbaarheid gebracht. De vraagstukken van de bio-ethiek zijn het kristallisatiepunt van de kolonisering van de publieke sfeer door het persoonlijke leven van de burgers. Vanuit juridische optiek is het cruciale element van deze ontwikkeling de transformatie van het recht op zelfbeschikking als een afweerrecht in een claimrecht. Het zelfbeschikkingsrecht houdt niet meer alleen het recht in om met rust te worden gelaten, maar omvat tegenwoordig ook het recht op hulp van wetgever en overheid bij het realiseren van het intieme leven. Zou de staat deze hulp niet bieden – zo luidt de redenering – dan zouden de persoonlijke vrijheidsrechten van de burger – zoals het recht om zich voort te planten of het recht om een einde aan zijn leven te maken – illusoir worden. Waar het kunstmatige voortplanting en homoseksueel ouderschap betreft, worden deze claimrechten bovendien geschraagd door het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Deze persoonlijke claimrechten hebben principiële gevolgen voor de primaire taak van de staat: de bescherming van het leven als kernvoorwaarde voor een duurzame gemeenschap. Elke relativering daarvan draagt enorme risico's in zich. Fundamentele beginselen van onze rechtsorde, dat het leven niet mag worden gedood en de integriteit van het lichaam niet mag worden geschonden, zijn onder druk komen te staan. Stap voor stap wordt ons een nieuwe publieke moraal opgedrongen door individuele burgers die hun persoonlijke verlangens naar een kind, naar een gezond kind, naar nieuwe organen, naar een zachte dood ook buiten de stervensfase – met behulp van de staat – gehonoreerd willen zien.

Het gevolg is dat geen eenduidige definities meer bestaan van wat leven is, wat menswaardig leven, wat dood is. Dat wordt per casus vastgesteld, door medisch-ethische commissies, door middel van procedures en protocollen. Daardoor ontstaat het gevaar dat de definitie van leven en dood en van menswaardigheid uiteindelijk een kwestie van macht wordt. Een voorbeeld: orgaandonaties en euthanasie hebben de definities van de dood gedifferentieerd in hersendood, klinisch dood en ouderwets dood. Je hoeft geen aanhanger van de gedachte te zijn dat `taal de wereld en de wereld taal is', om te begrijpen dat relativering van begrippen als leven en dood ook relativering van de bescherming van het leven inhoudt.

De persoonlijke aanspraken van de burgers op de staat vinden hun oorsprong in de bloeiperiode van de verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat bood compensatie voor de sociale kosten van een kapitalistische economie. Sociale ellende als armoede, werkloosheid, beroepsziekten, arbeidsongeschiktheid en vernietiging van solidaire leefverbanden werd niet bij de bron aangepakt, maar van staatswege gecompenseerd.

De sociale grondrechten die vooral na de Tweede Wereldoorlog werden gecodificeerd, en burgers onder andere recht gaven op onderwijs, huisvesting, een leefbaar milieu en sociale zekerheid, versterkten de gedaanteverandering van de staat. De staat verdween achter de overheid, de wetgever verdween achter het bestuur. De staat werd dienstverlener. Regeren werd zorgen. Dit ging gepaard met vergaande interventie in het persoonlijk leven. Als een bezorgde moeder waakte de staat over het geestelijk en lichamelijk welzijn van de burgers. Zie bijvoorbeeld het dwingende preventiebeleid op het terrein van de volksgezondheid.

De onvrijheid, afhankelijkheid en passiviteit van de burger als negatieve effecten van de verzorgingsstaat zijn uitgebreid aan de orde gesteld. De verzorgingsstaat is inmiddels afgeslankt en de overheid probeert op onderdelen de eigen verantwoordelijkheid van de burger te herstellen, onder meer door de tucht van de markt te introduceren. Maar de staat kan zich niet zo snel van zijn imago als zorgende moeder ontdoen, temeer niet daar de menselijke verhoudingen in snel tempo harder en anoniemer aan het worden zijn. In een samenleving waarin sociale verbanden verzwakken en gezinnen steeds meer op een economische eenheid gaan lijken, dreigen emotionele verwachtingen en verlangens, zoals het verlangen naar veiligheid en geborgenheid, te worden geprojecteerd op de staat.

De grensvervaging tussen de persoonlijke en politieke sfeer blijkt verder bij de zogeheten `vraagsturing' in de publieke sector. Hier is de gedachte dat burgerschap een publieke dimensie heeft, helemaal verlaten. De burger wordt als een consument, cliënt, student of cultuurliefhebber uitgenodigd zelf `achter het stuur' te gaan zitten, en met behulp van persoonsgebonden budgetten, vouchers en `rugzakjes' het aanbod van publieke diensten te sturen. Het marktmechanisme dat aldus in de publieke sector wordt ingevoerd, heeft tot gevolg dat over omvang en kwaliteit van de publieke sector niet meer democratisch wordt beslist.

Zodra de burger zijn huis verlaat, behoort hij – volgens het klassieke burgerschapsideaal – zich aan te passen aan zijn formele rollen in de publieke sfeer. Deze inauthenticiteit is geen kwestie van misleiding of een valse voorstelling van de eigen persoon. Integendeel, de publieke sfeer is het theatrum mundi waarin mensen niet als hun hoogstpersoonlijke zelf verschijnen, maar in hun rollen als werknemer, docent, arts, ambtenaar, politicus, of burger. De grensovergang van het persoonlijke naar het publieke wordt geaccentueerd door een verandering in kleding, taal, gedrag en moraal.

De arts trekt een witte jas aan, de agent een uniform, de rechter een toga. Met de verandering in kleding verandert ook de taal. Die wordt de taal van het beroep. Zonder dergelijke gedragscodes zou er geen sociaal en politiek leven mogelijk zijn. In die publieke sfeer kent het burgerschap zijn eigen moraal. Als burgerdeugden noemde Plato – zo'n 2400 jaar geleden – moed, wijsheid en gematigdheid. Tegenwoordig spreken we van zelfkritiek, zelfbeperking, tolerantie, en kritische loyaliteit aan de rechtsstaat. Alleen onder die condities krijgt het burgerschap zijn democratische functie: burgers die bijeenkomen om in een sfeer van openheid en ontvankelijkheid te beraadslagen over de toekomst en belangen van de gemeenschap.

Het belang van deze grenzen tussen de persoonlijke en publieke sfeer komt aan het licht wanneer deze grenzen worden opgeheven. Toen huisartsen hun witte jas uittrokken en tegen hun patiënten zeiden: `zeg maar Jaap', nam de agressie in de spreekkamer toe. Op het moment dat aannemers en ambtenaren samen naar het bordeel gingen, is een praktijk van bouwfraude ontstaan. En verwacht mag worden dat het respect voor de rechterlijk macht zal afnemen zodra leden van de rechterlijke macht verschijnen met hoofddoekjes die uitdrukking geven aan hun persoonlijke geloofsovertuigingen.

In de fascistische en communistische regimes uit de eerste helft van de vorige eeuw was het onderscheid tussen een persoonlijke en publieke sfeer opgeheven. Het persoonlijke leven werd door het politieke systeem gekoloniseerd. In de tweede helft van de vorige eeuw zien we, in ieder geval in de Nederlandse staat, opnieuw een vervaging van het onderscheid tussen beide sferen, maar deze keer wordt het politieke door het persoonlijke gekoloniseerd. Maar het klassieke burgerschapsideaal heeft alleen een kans wanneer burger en staat een principieel onderscheid maken tussen de persoonlijke en publieke sfeer. De tirannie van het persoonlijke ondermijnt het publieke belang en holt de democratie uit.

Dorien Pessers is rechtsfilosoof. Dit is een bewerkte versie van haar oratie als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

    • Dorien Pessers