STEDELIJKE VERNIEUWING

De spruitjeslucht in het portiek is onlosmakelijk verbonden met het Nederland van de jaren vijftig. Spruitjes zijn nog steeds populair, maar als het aan de Nederlandse overheid ligt heeft de klassieke portiekwoning zijn langste tijd gehad. Twee jaar geleden is onder de naam `Stedelijke Vernieuwing' een grootscheepse operatie begonnen om de leefbaarheid in de steden te vergroten. Belangrijk onderdeel daarvan is de `transformatie' van naoorlogse wijken – vaak grauwe buurten met goedkoop gebouwde flats en portiekwoningen die door de oorspronkelijke bewoners meestal allang verlaten zijn.

De bedoeling is om een deel van de woningen in de naoorlogse wijken af te breken en te vervangen door huizen die beter in de markt liggen. Op deze manier wil de overheid bereiken dat de middenklasse, die in de jaren zeventig en tachtig massaal de stad is uitgetrokken, weer terugkeert en op die wijze bijdraagt aan verbetering van het economische en sociale klimaat in de stad. Omdat deze groepen niet alleen oog hebben voor hun woning, maar ten minste evenveel belang hechten aan bijvoorbeeld veilige speelgelegenheid voor hun kinderen, de bereikbaarheid van winkels en de aanwezigheid van voldoende openbaar vervoer, omvat de stedelijke vernieuwing ook investeringen in de `openbare ruimte'. Ook grote nieuw- en herbouwprojecten, zoals de Kop van Zuid in Rotterdam worden onder de stedelijke vernieuwing geschaard.

Het idee om via stedelijke vernieuwing te stad de `revitaliseren' dook eind jaren tachtig op. Vele conferenties zijn toen al gewijd aan de vraag hoe de politiek samen met corporaties en projectontwikkelaars zou kunnen investeren om de stad leefbaar te houden. Die discussies leidden in 1997 tot de nota Stedelijke Vernieuwing van toenmalig staatssecretaris Tommel (D66). Drie jaar later kwam zijn opvolger Remkes met de nota Mensen, wensen, wonen, waarin ook veel aandacht wordt besteed aan de noodzaak het woonklimaat in de steden te verbeteren. In datzelfde jaar is ook de Wet Stedelijke Vernieuwing aangenomen, waarin onder andere is vastgelegd dat de minister van VROM een investeringsbudget kan verstrekken aan gemeenten ,,ten behoeve van de uitvoering van het gemeentelijk beleid inzake deze stedelijke vernieuwing''.

Bij de operatie om de Nederlandse steden ingrijpend aan te pakken, gaat het om veel geld. De rijksoverheid stelt geld beschikbaar via het `Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing' (ISV). Dit budget, dat voornamelijk een bundeling is van regelingen die al bestonden, wordt om de vier jaar opnieuw vastgesteld. Voor de periode 2000-2004 is het budget vastgesteld op 1,81 miljard euro. De bedoeling van de regering is echter uitdrukkelijk dat andere betrokken partijen (gemeenten, corporaties, projectontwikkelaars) dit bedrag aanvullen. ,,Essentieel in de filosofie van het rijk bij het ISV is dat het ISV als smeermiddel moet dienen en niet als hoofdfinancieringsbron van stedelijke vernieuwing'', schrijft het kenniscentrum voor stedelijke vernieuwing KEI op de eigen website.

Die gedroomde bundeling van krachten, expertise en fondsen is direct ook de reden waarom de stedelijke vernieuwing zo moeizaam van de grond komt. Overheden, corporaties en projectontwikkelaars verwijten elkaar verantwoordelijk te zijn voor de vertragingen. Hoewel de doelstellingen voor de stedelijke vernieuwing al enkele keren naar beneden zijn bijgesteld, bleek eind april uit een publicatie van Onderzoeksbureau OTB (TU Delft) dat de vernieuwing van de naoorlogse woningvoorraad sterk achter blijft bij de plannen. Er is wel al veel gesloopt, maar daarvoor is in veel gemeenten nog maar weinig nieuwbouw in de plaats gekomen.

Hoewel het nieuwe kabinet het verbeteren van het woonklimaat in de stad hoog op de agenda heeft staan, is daar geen extra geld voor beschikbaar. Bij de presentatie van de Rijksbegroting 2003 bleek zelfs dat de stedelijke vernieuwing vanaf 2005 jaarlijks 84 miljoen euro minder krijgt van het ministerie van VROM. In de vorige begroting stond nog 524 miljoen euro ingeboekt als bijdrage van de rijksoverheid in 2005.