Samen achter de slagboom

Burgers proberen steeds vaker om zelf een veilige leefomgeving te scheppen. Ze sluiten zich op in hun eigen woonerf en winkelen in centra met bewaking.

Al lang voor de opkomst van Pim Fortuyn en de LPF was veiligheid een thema in het vastgoed. Niet toevallig is de LPF dan ook voor een groot deel gefinancierd door vastgoedondernemers: zij weten hoe je veiligheid moet aanpakken.

Neem bijvoorbeeld een willekeurige maandag van Bert Henselman, een alleenstaande accountant van begin dertig. Om zeven uur verlaat hij zijn spiksplinternieuwe woning in een vestingachtig appartementencomplex. Met de lift gaat hij naar de parkeergarage onder het gebouw. Zittend in zijn auto opent hij de schuifdeur van de garage met een magnetisch metalen staafje, dat hij door een sleuf moet halen.

Vijf minuten later rijdt hij de snelweg op, die voor een groot deel van de omgeving is gescheiden door geluidsschermen. Een uur later gaat hij de snelweg af en rijdt naar een bedrijventerrein waar een witte, armzalige kantoordoos staat die wordt omgeven door een groot privé-parkeerterrein. De slagboom voor dit terrein krijgt Henselman omhoog door een kunststof kaart voor een kastje aan een paal te houden. Als hij zijn auto heeft geparkeerd, gaat hij het kantoorgebouw binnen. Om bij de lift te komen moet hij door een tourniquet dat hij weer met zijn kunststof kaart kan ontgrendelen.

In zijn lunchpauze gaat Bert Henselman voor wat boodschappen naar het winkelcentrum vlakbij zijn kantoor. Dit is vrij toegankelijk, maar de openbaarheid is slechts schijn. Het winkelcentrum heeft zijn eigen regels – doelloos rondhangen is bijvoorbeeld verboden en ook skaters zijn niet welkom – en een eigen veiligheidsdienst ziet toe op naleving hiervan.

Na een lange dag werken gaat Henselman naar een megaplex vlakbij een snelweg waar hij met een vriend heeft afgesproken. Hij parkeert zijn auto in de garage onder de megabioscoop, ontmoet zijn vriend in de hal en koopt een kaartje en wat te eten en te drinken. Na de film gaat Henselman terug naar zijn yuppenburcht – het is morgen weer vroeg dag. Hij parkeert zijn auto in de garage en gaat met de lift naar zijn appartement.

Veel mensen brengen de dag door als de gefingeerde Bert Henselman. Op openbaar terrein begeven ze zich nog nauwelijks. Met de auto bewegen ze zich via wegen die steeds meer op tunnels lijken van de ene privé-enclave naar de andere. Appartementencomplexen in de steden, bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen, winkelcentra in de periferie én in binnensteden en vakantiedorpjes met slagbomen: het kost weinig moeite in Nederland een bestaan te leiden zonder al te veel in de openbare ruimte te komen.

Het onversneden, voor iedereen toegankelijke openbare gebied, waar volgens een oud stedelijk ideaal de `uitwisseling' tussen alle burgers plaats vindt, verliest gestaag terrein in Nederland. En de gebieden die nog wel openbaar zijn, worden steeds meer gedomineerd door deelgroepen, zoals de funshoppers die ervoor zorgen dat niet-winkelenden de winkelstraten gaan mijden. Bovendien worden deze winkelstraten steeds vaker dag en nacht bewaakt door camera's die het doen en laten van de passanten registreren.

Natuurlijk kent elke stad van oudsher gebieden en gebouwen die niet openbaar zijn. Oude hofjes in steden als Leiden, Haarlem en Amsterdam waren en zijn geen openbaar gebied en bedrijven en kantoren worden al tientallen jaren lang bewaakt door portiers. Maar dat winkelcentra private gebieden zijn of worden, is van recenter datum. Een mooi voorbeeld hiervan is de Koopgoot in Rotterdam. Deze oogt als een gewone verdiepte openbare winkelstraat, maar is in werkelijkheid een privé-gebied met een eigen bewakingsdienst.

Van nog recenter datum is het verschijnsel dat steeds meer appartementencomplexen in Nederland een soort kastelen worden. Zelfs hele Vinex-wijken krijgen de vorm van vestingstadjes en kastelen. Het mooiste en interessantste voorbeeld hiervan is Haverleij, de door architect Sjoerd Soeters ontworpen Vinex-wijk bij Den Bosch. Het centrum van Haverleij wordt gevormd door een vestingstadje compleet met gracht, de rest van de woningen worden geconcentreerd in negen `kastelen' die ook door een gracht worden omgeven. Dank zij de geconcentreerde kasteelbebouwing blijft een groot deel van het gebied onbebouwd. Hier zijn openbare parken, bossen, golfbanen enzovoort gepland. Ook de binnenhoven van de `kastelen' zijn officieel openbaar, maar aangezien ze slechts via één weg toegankelijk zijn, zullen degenen die er niets te zoeken hebben, zich wel bedenken voor ze een binnenhof betreden.

Echte gated communities, ommuurde wijkjes met eigen voorzieningen zoals Amerika die al sinds de jaren zeventig kent, zijn er nog niet in Nederland. Maar wel wijken die er sprekend op lijken. Zo bestaat Parc Sandur bij Emmen uit twee-onder-een-kappers en vrijstaande huizen, die achter een aarden wal liggen. De wijk heeft slechts één toegangsweg en het enige dat er aan ontbreekt om Parc Sandur een gated community te kunnen noemen, is een slagboom. Binnen de wijk is het openbaar gebied tot een absoluut minimum beperkt. Elk huis heeft twee privé parkeerplaatsen, en de straten zijn zo smal dat er onmogelijk kan worden geparkeerd. Stoepen, bij uitstek het openbare terrein van de straat, zijn geheel afwezig: in Parc Sandur worden de bewoners niet geacht te lopen.

Het is geen toeval dat de appartementenvestingen en bijna gated communities als Parc Sandur in de jaren negentig in Nederland zijn verschenen. In dit decennium is de woningbouw in Nederland geprivatiseerd. Terwijl vroeger de door de staat gesubsidieerde woningcorporaties het grootste deel van de woningproductie voor hun rekening namen, bouwen nu projectontwikkelaars veruit de meeste woningen in Nederland.

En meer dan de vroegere, veelal paternalistische woningbouwverenigingen, die zelf nu ook projectontwikkelaars zijn, komen de projectontwikkelaars tegemoet aan het verlangen naar veiligheid dat veel Nederlanders al veel langer hebben dan de LPF bestaat. Zo kreeg de Nederlandse obsessie met veiligheid die onlangs in de politiek doorbrak, al eerder gestalte in de stedenbouw en de architectuur van de angst.

    • Bernard Hulsman