Koe met houdbaarheidsdatum

Holland Genetics, de organisatie waarin vrijwel alle klassieke KI-verenigingen zijn samengegaan, mag als dé rundveeverbeteraar van Nederland worden beschouwd. Ze houden stieren, die beter worden beveiligd dan het goud van Fort Knox, ze houden koeien, die zijn getekend door de hardheid van productie en competitie, en in Laren (Gld) hebben ze een bedrijf met alleen maar jongvee.

Schuchtere kalfjes groeien hier op tot zelfbewuste vaarzen. Heldere stallen, zonovergoten weiland en al die leuke jonge meiden om ons heen. De sfeer is ontspannen. Toch belichamen deze dieren de toekomst van onze melkveehouderij – of Holland Genetics moet er al heel erg naast zitten.

In 1996, toen ik het bedrijf leerde kennen, werd Etazon Annecy als de volmaakte koe gepresenteerd. Ze was als embryo ingevlogen uit Amerika, had in '95 haar eerste kalf op de wereld gezet en gaf met speels gemak 12.000 liter melk. Na haar tweede kalf zou ze met hetzelfde gemak 16.000 liter kunnen geven.

Dus: hoe ging het verder met Etazon Annecy?

Zo'n koe kun je beter embryo's dan melk laten produceren. Na om en nabij de 250 embryo's was zij uitgediend. Ze heeft de mensheid een schare hoogproductieve dochters nagelaten en twee zonen, die nog steeds meelopen in het programma van Holland Genetics. Hun sperma wordt echter uitsluitend in het buitenland vermarkt. De vet- en eiwitgehaltes van hun dochters zijn goed, maar niet daverend; ze beantwoorden niet aan de Nederlandse fokdoelen.

Etazon Annecy, kortom, was het bijna, niet helemaal. Of misschien doe je haar meer recht door te zeggen: zo was het in 1996, maar de tijd staat niet stil.

,,Toentertijd'', zegt Ate Lindeboom, de directeur, ,,lag de nadruk op verhoging van de melkgift – en dat was logisch. Op dit punt had de Nederlandse koe een enorme achterstand opgelopen en die moest eerst ongedaan worden gemaakt.'' Dat is gelukt. Nederland produceert weliswaar nog net zoveel melk als twintig jaar geleden (een kleine 11 miljard liter), maar het aantal koeien is intussen geslonken van 2,6 miljoen tot 1,6 miljoen.

,,Wij in de fokkerij'', zegt Lindeboom, ,,moeten bescheiden blijven, ook al valt ons dat niet altijd makkelijk.'' De koe is beter geworden, maar de boer is ook beter geworden. Voor driekwart moet deze productiviteitsstijging worden toegeschreven aan verbetering van de bedrijfsvoering (huisvesting, voedering en dergelijke).

,,Wat weer niet wegneemt'', zegt Lindeboom, ,,dat al die inspanningen de boer weinig zouden helpen als wij hem niet de best denkbare dieren ter beschikking stelden. De basis moet er zijn, en die ligt toch in de genetische aanleg van de koe.''

Hij bestrijdt overigens de door velen (ook door mij) verkondigde stelling dat de hogere melkgift ten koste is gegaan van de levensduur van de koe. De gemiddelde opruimleeftijd is 5,4 jaar, en dat was hij twintig jaar geleden ook al.

Er is dan ook nooit uitsluitend op productiviteit gefokt. Elke kwaliteit van de koe kan worden tenietgedaan door slecht beenwerk of een doorgezakte uier. Exterieurkenmerken hebben altijd een rol gespeeld en in feite gaven die al, zij het min of meer verborgen, een duurzaamheidsindex.

Toch zijn de accenten sinds 1996 verschoven. Noem het nieuw beleid. In 2011 moet er een koe zijn die tachtig dagen langer meegaat dan de huidige. Althans, in genetische aanleg. Wat de boer daarmee doet is dan natuurlijk zíjn zaak.

,,In onze selectie-index'', zegt Lindeboom, ,,wegen we nu voor 40 procent productie, voor 30 procent exterieur en voor 30 procent duurzaamheid en gezondheid. De productie blijft toenemen, maar die toename vlakt wat af.''

Het is uiteraard niet de bedoeling dat daarop geld wordt toegelegd. Maar dat hoeft ook niet. Op een x aantal koeien dat langer meegaat hoef je een x aantal kalveren minder aan te houden; dat scheelt in de kosten. Ja, dít besef begint meer en meer in de melkveehouderij door te dringen: dat het bedrijfsresultaat niet alleen wordt bepaald door de inkomsten, maar ook door de uitgaven.

In ieder geval staat de duurzaamheidsindex (DU) sinds anderhalf jaar expliciet op de stierenkaart. Ieder punt boven de 100 betekent dat dochters van de desbetreffende stier twaalf dagen langer dan gemiddeld meegaan. Laurenzo, de meest gevraagde stier van het moment, scoort 108.

De stierenkaart wordt elk kwartaal door Holland Genetics opgemaakt en onder zijn leden verspreid. Het ziet eruit als een reusachtig uitgedijde consumententest: de namen van de stieren in de eerste kolom en de cijfers voor een stuk of veertig eigenschappen in de kolommen daarnaast. Vijfendertig stuks zwartbont, vijfentwintig roodbont.

De geoefende lezer, en iedere boer schijnt dat te zijn, kan daaruit opmaken dat de dochters van Laurenzo niet alleen worden gekenmerkt door een lange houdbaarheid, maar ook door een hoge productie, een prachtig frame, groot afkalfgemak en een ideale melksnelheid.

In 1996 werd het veld nog beheerst door de legendarische Sunny Boy. Die had toen 300.000 dochters in Nederland rondlopen. Van de stieren die op dat moment als opvolgers werden genoemd (Jabot, Labelle, Celsius, Cash en Lava) staat alleen Cash nog op de kaart. Die andere namen tref je overigens nog wel aan onder de vaders en grootvaders van de stieren die nu in productie zijn. De doorstroming is groot, maar de afstammingslijnen blijven zichtbaar.

En de biologie blijft weerbarstig. Als je vandaag je fokdoelen bijstelt, kun je morgen een geschikte stiervader en stiermoeder uitzoeken. Maar dan moet het stiertje eerst nog geboren worden en dan moet je wachten tot hij een dochter heeft verwekt en dan moet je wachten tot die haar eerste kalf krijgt en in productie komt en dán weet je pas wat de stier werkelijk waard is – dan ben je zes jaar verder. Door toepassing van KI (duizenden nakomelingen per stier) en embryo-implantatie (tientallen nakomelingen per koe), kunnen de gewenste eigenschappen zich vervolgens snel in de rundveestapel verspreiden, maar ook dat vergt nog eens een jaar of vier. Al met al vieren je fokdoelen van vandaag dan zo ongeveer hun tiende verjaardag.

,,Een probleem is'', zegt Lindeboom, ,,dat lang niet alle eigenschappen even sterk vererven. Beenwerk heeft een hoge genetische component, weerstand tegen mastitis maar een lage.''

,,Je zou willen'', vervolgt hij, ,,dat je de aanleg van een stier al op jonge leeftijd kon voorspellen. Dat zou een enorme versnelling geven. Onderzoek op DNA-niveau. Hoe identificeer je gunstige eigenschappen in het genetische materiaal, en hoe stel je vast dat er geen ongunstige aan vastzitten? Dat is nu over de hele wereld gaande, er is haast bij, je mag niet achterblijven bij je concurrenten, maar ik moet erbij zeggen: het staat overal nog in de kinderschoenen.''

Kalfjes, de vleesgeworden onschuld. En wij, de vleesgeworden bemoeizucht.

Holland Genetics neemt jaarlijks circa 500 kalveren op in het eigen opfokbedrijf. Na dertien maanden, kort na de eerste bevruchting, worden hun embryo's gespoeld om te gelegener tijd bij andere dieren geïmplanteerd te worden. Na vijftien maanden gebeurt dat nog een keer. Na zeventien maanden mogen ze werkelijk drachtig worden – dan zijn het die zelfbewuste vaarzen en dan gaan ze naar het volgende bedrijf. Na zesentwintig maanden krijgen ze zelf een kalf en dan staan ook de draagmoeders van hun embryo's op afkalven. Normaal leveren 500 koeien 500 nakomelingen op, in dit geval zijn het er meteen zo'n 2.000.

Boeren willen vaarskalfjes, bij Holland Genetics zijn ze juist gebrand op stierkalfjes,

Ergens, ergens moet toch de Sunny Boy, of op z'n minst de Laurenzo, van 2010 vandaan komen.

    • Koos van Zomeren