Het spoorkarrenpark van Bong Torindo

,,Iedereen eraf'', zegt Bong Torindo werktuiglijk. Het commando van de Filippijn is zinloos, want we waren allemaal al van zijn zelfgemaakte kar opgestaan toen we de felle lamp van de aanstormende trein van half acht steeds groter zagen worden. Met opmerkelijk gemak tilt Bong zijn kar van de rails en samen met zijn passagiers wacht hij naast het spoor totdat de trein voorbij is geraasd en Manila, de hoofdstad van de Filippijnen, achter zich laat. Verderop wachten vergelijkbare groepjes. Nóg verder, waar de trein nog moet komen, maken forensen en bestuurders aanstalten om van hun kar te stappen. Over het andere spoor zoeft het ene na het andere wagentje voorbij.

Dan zet Bong zijn treintaxi weer op de spoorbaan en gaan zijn klanten weer zitten. Het lijkt alsof geen enkele passagier de onderbreking geregistreerd heeft. Niet de twee almaar kletsende vrouwen met kegelvormige hoeden die de inhoud van een paar boodschappentassen gaan verkopen op de markt. Evenmin de drie mannen in versgestreken overhemden-met-stropdas die op weg zijn naar het financiële district. ,,Wij reizen elke dag zo'', zegt een van hen, en hij klopt bij het woordje `zo' op de bamboe latten waarop hij zit. ,,Met de auto of de bus duurt het zó lang. Dit kost bijna niets en gaat veel sneller.'' Even later glijdt de kar onder de snelweg door en inderdaad: het verkeer staat volkomen vast.

Soms lijkt het wel of alle wegen van Manila lang geleden vol met voertuigen zijn gezet die er nimmer meer vanaf zijn gehaald. Wie 's avonds de gordijnen sluit en nog een laatste blik werpt op de straat, ziet geen verschil als hij de volgende ochtend de gordijnen weer open doet. Alle Zuidoost-Aziatische hoofdsteden kampen met congestie, maar nergens is die zo erg als in de hoofdstad van de Filippijnen, een van de armste landen van de regio.

Nog een overeenkomst tussen die steden: de allerarmsten wonen pal naast het spoor. Als ze althans nog een plekje kunnen vinden. Geld verdienen is voor hen een dagelijkse worsteling. Ook voor Bong Torindo die net als honderden van zijn buren met bamboe en afvalhout zijn spoorkarretje heeft gebouwd. Het geheel lijkt op een bezorgkar waarop in het midden twee tuinbanken ruggelings tegen elkaar zijn gezet. Het duurst waren de twaalf kogellagers: vier voor de bovenkant van de treinrails en acht voor de zijkant ervan om te voorkomen dat de kar links of rechts van de baan valt.

De motor is Bong zelf. Afwisselend stept en rent hij op één van de rails terwijl hij z'n kar voortduwt. Dat is zwaar. Zeker in die altijd brandende zon en helemaal als de stalen weg omhoog loopt. De Bong droomt van het moment dat hij alleen de huur van zijn karren hoeft te innen en met Gods hulp kan leven van een eigen winkeltje langs het spoor. Een zaak waar mensen boodschappen kunnen doen als ze van hun werk komen.

Zijn werkplek ligt nu al pal voor zijn deur en zijn wekker is de toeter van de trein van kwart voor zeven. Met een beetje geluk en verkeerscongestie stept Bong in één dag tien euro bij elkaar. Zijn eerste kar had hij in iets meer dan een week terugverdiend. Dus maakte hij er nog een en nog een en nu zoemen overal in Manila de verhuurde karren van Bong's spoorkarrenpark over de rails.

Aan Bong ligt het niet, maar helemaal veilig is de door hem aangeboden vorm van transport niet. Per slot ligt de rails er voor de echte trein. ,,Er gebeuren hier voortdurend ongelukken'', zegt hij met een half lachje. ,,Als dat gebeurt, breng ik zo iemand toch naar het ziekenhuis. Want ik heb medelijden met zo iemand en ik geloof in God. Als het geen zin heeft om naar het ziekenhuis te gaan'' – weer dat lachje – ,,brengen we ze naar het lijkenhuis. Maar dat zijn alleen domme passagiers. De trein toetert heel hard en nóg horen ze hem niet.'' Zijn passagier die duidelijk niet in Bongs categorie `dom' wil vallen: ,,Natuurlijk is het veilig. Je ziet zo'n enorme trein toch? Want hij komt altijd recht op je af.''

Niet alleen de spoorkarren met passagiers rijden consequent tegen het reguliere treinverkeer in, ook alle toeleveranciers van alle huizen aan het spoor doen dat. De bakker, de vishandelaar, de man van het kookgas, zelfs de postbode, ze hebben allemaal hun eigen spoorkar. ,,Ik woon al mijn hele leven aan het spoor'', zegt Valerie Villanueva, baliemedewerkster bij een bank. ,,Ik doe mijn deur open, stap op een kar en voor vijf pesos (ruim tien eurocent) ben ik vlakbij de bank. En ik ben áltijd als eerste op mijn werk. Altijd.''