Grimmmist

`Koeienmist' schijnen de meteorologen van het meteorologisch instituut in De Bilt de mist te noemen die de afgelopen dagen bij zonsopgang over de weilanden hing. Het is een soort mist waar een koe, als zij op haar tenen gaat staan, net over heen kijkt. Omdat een koe nogal eens op haar tenen staat komt het geregeld voor dat men een zee van mist ziet waarin koeienkoppen drijven. Vrediger beeld is nauwelijks denkbaar.

Vroeger heette koeienmist nog grondmist, laaghangende mist of stralingsmist. De mist ontstaat in heldere nachten als de temperatuur van de onderste luchtlagen door contact met de sterk afgekoelde bodem daalt tot beneden het dauwpunt. Het is een mooie subtiele mistvorm die heel precies in het landschap aanwijst waar de uitstraling het grootst was of waar koude lucht zich verzamelen kon. Vaak is er wèl grondmist boven weilanden maar niet boven versgeploegde akkers er vlak naast. En ook niet boven de relatief warme asfaltwegen, waar passerende auto's de lucht in werveling houden: misttunnels. Grondmist dringt meestal niet de steden binnen.

Voor het gevoel hoort de koeienmist net zo bij de maand oktober als de vogeltrek en de kermis en er zijn gelukkig geen tekenen dat we een van die drie in de toekomst moeten missen. Anders lijkt het met de potdikke mist die zich tot vele meters boven de waarnemer uitstrekt. De mist van het soort waarbij het veer Anna Jacobapolder-Zijpe (en dat van Kruiningen-Perkpolder) uit de vaart ging en waarbij fotografen erop uittrokken om sfeervolle opnamen te maken. Omfloerste straatlantaarns, glimmende straatstenen en veel zwarte, kale boomtakken. Want potdikke mist was er voor het gevoel vooral of uitsluitend in de winter.

Lang geleden, toen normale mensen nog kinderen waren, hadden de winters altijd wel een paar van zulke dagen. Dagen met een typische geur en een geheimzinnig geluid. Dagen die niet zouden misstaan in de sprookjes van Grimm, al zijn ze daar nu net niet te vinden. Zulke mist is tegenwoordig binnen de grote steden een zeldzaamheid. Of lijkt dat maar zo? Dit is het juiste moment om daar bij stil te staan want het mistmeetseizoen is zojuist geopend.

Om te beginnen kan het KNMI niet helpen, niet met statistiek, tenminste. Het instituut heeft geen langlopend meetprogramma binnen de grote steden, die zijn niet representatief. Bovendien hanteert men een definitie van mist waar geen mens wat aan heeft: mist is mist als het zicht op borsthoogte minder is dan duizend meter. Men is er in geslaagd zowel de koeienmist als de Grimm-mist buiten de boeken te houden.

In de duizend-meter-mist zit geen significante trend, meldt het instituut onverstoorbaar. In de dertig jaar tussen 1961 en 1990 kwamen jaarlijks 69 dagen voor met `mist'. In de dertig jaar tussen 1971 en 2000 waren dat er 65. Of het in die 65 dagen korter of langer mistte dan die 69 dagen vroeger, wie zal het zeggen. Of de mist dikker of juist dunner was, niemand die het opschreef.

Er zit niets anders op dan persoonlijke impressies van weerkundigen te verzamelen en inmiddels zijn twee van zulke impressies binnen. De ene meteoroloog heeft de stellige indruk dat er niets aan de hand is met het voorkomen van potdikke mist in grote steden, hij heeft heldere herinneringen aan oudejaarsavonden waarop er bijna geen vuurpijl te zien was. Waar het de laatste jaren aan schort, zegt hij, is voldoende sneeuwsituaties. De dikste dikke mist ontstaat boven sneeuw.

Maar de andere meteoroloog gelooft ook dat het niet goed gaat met de mist in de grote stad, los van de sneeuw zogezegd, en heeft ook een acceptabele verklaring: het `urban heat island'-effect. De grote stad is tegenwoordig te warm en te droog voor de ontwikkeling van mist.

Als het niet waar is! Op het stedelijk warmte-eiland komt geen mist meer voor, 't was het eerste waar de AW-redactie zelf ook aan dacht. De oude Minnaert constateerde al ver terug in de vorige eeuw dat het in de stad een paar graden warmer was dan op het platteland, overigens vooral op zonnige zomerdagen. De stedelijke steen- en betonmassa verzamelt meer warmte dan de akkers en weilanden er omheen. In de winter komt het verschil natuurlijk vooral van de verwarmingsinstallaties. Tegenwoordig is er veel belangstelling voor `urban climate' of `urban microclimate' en op internet is een mooie tabel te vinden van het Britse KNMI, de Met Office, die in detail het verschil tussen stad en land beschrijft. De grote stad heeft minder zon en meer regen, maar is toch warmer en droger. En de stad heeft méér mist, vooral in de winter: twee keer zoveel mist als op het platteland.

Hier klopt iets niet. `Ik denk dat die tabel een typisch Britse situatie beschrijft', zegt de KNMI-er die meent dat er niets mis is met mist in Nederland. Het gaat daar niet om fog, maar om smog. De lucht in de Britse steden was tot ver in de twintigste eeuw veel vuiler dan die in Nederland.

`t Begon toch een beetje een uitzichtloze situatie te lijken. Besloten werd ook deze kwestie, zoals zoveel andere, even te laten rusten. Maar nu het KNMI toch aan de praat was, en over mist nog wel, kon misschien nog even worden ingegaan op een andere kwestie die hier zes jaar geleden op de lange baan werd geschoven. Hoe komt het dat mist niet naar beneden valt? Elk waterdruppeltje, hoe klein ook, is zwaarder dan lucht en moet uiteindelijk naar beneden. In wolken worden de druppels door convectieve stromingen, turbulenties en dergelijke in de lucht gehouden, maar die ontbreken meestal in mist. Dus hoe zit dat?

Mist vàlt gewoon naar beneden, zegt de KNMI-er die meent dat er niks mis is met de mist. `In de koeienmist is dat misschien niet zo duidelijk, die bestaat altijd maar heel kort en de druppeltjes zijn er erg fijn, maar in omvangrijke zware mist kunnen de druppels zo groot worden dat ze wel met 1 cm per seconde naar beneden komen. Als je goed kijkt kun je het gewoon zien, en dan zie je ook dat de straat nat wordt van de mist.'

(Zie ook Google: hydrometeors + diameter)

    • Karel Knip