De stad is soms smerig, maar wel altijd spannend

Het einde van de stad is vaak voorspeld, maar de vitaliteit van steden is groot. Veel gemeenten zijn bezig het stadsleven weer aantrekkelijk te maken.

`Steden zijn geen aardse utopia's, maar plaatsen met spanningen en conflicten. Soms betekenen ze zelfs ellende. Degenen die steden walgelijk en onaangenaam vinden, kunnen en zullen deze verlaten en trekken naar de arcadische suburbs en tuinsteden. Dat moeten ze vooral doen. Steden waren en zijn heel andere plaatsen, plaatsen voor mensen die tegen de hitte van de keuken kunnen; plaatsen waar de adrenaline door de lichamen van de mensen jaagt en door de straten die ze bewandelen; rommelige plaatsen, smerige plaatsen soms, maar niettemin plaatsen waar het leven superieur is.''

Met deze ode aan de stad eindigt de historicus Sir Peter Hall zijn indrukwekkende Cities In Civilization. In dit boek uit 1998 laat Hall zien dat steden als Londen, Berlijn, Los Angeles, New York, Parijs, Wenen en Florence over een creatieve energie beschikken die leidde tot grote vernieuwingen in kunst, politiek, techniek en economie. De geschiedenis van de westerse beschaving is de geschiedenis van de stad, zo laat Hall overtuigend zien in zijn magnum opus.

Net als Hall is de architect Sjoerd Soeters een liefhebber van de stad. ,,De stad is de beste uitvinding die de mens heeft gedaan'', zegt hij in zijn kantoor in het hartje van Amsterdam. ,,Je kunt er alles doen. Wonen, werken, een boekwinkel binnenlopen, ijsjes eten, in een café zitten, een museum bezoeken, in een restaurant dineren, in het park liggen, winkelen, noem maar op.''

Sjoerd Soeters, verbonden aan het bureau Soeters Van Eldonk Ponec, is in de jaren negentig uitgegroeid tot een stedendokter wiens hulp steeds vaker wordt ingeroepen door gemeentebesturen en projectontwikkelaars. Hij is betrokken bij tal van binnenstedelijke projecten in Nederland, zoals die in Zaandam, Helmond, Rosmalen en Den Helder. Twee jaar geleden werd in Nijmegen naar een ontwerp van zijn bureau het gebied rondom de oude, gotische Mariënburgkapel veranderd van een desolate parkeervlakte in een intiem, besloten plein en een ingenieuze winkelstraat met twee etages. Niet vaak is een binnenstedelijke vernieuwing in Nederland zo snel zo populair geworden bij de plaatselijke bevolking. Mariënburg, een verbeterde versie van het oude, vooroorlogse Nijmegen, is een architectonisch én publiek succes, waar wonen, werken, winkelen op voorbeeldige wijze met elkaar zijn vermengd.

Nijmegen is niet de enige stad die zijn binnenstad vernieuwt. Amsterdam heeft in de jaren negentig voor vele miljoenen guldens al zijn pleinen opnieuw ingericht met knus natuursteen en werkt gestaag verder aan de vernieuwing van oude in onbruik geraakte havengebieden. Rotterdam bouwt hard om de Kop van Zuid bij het centrum van de stad te trekken en heeft grootse plannen voor het Centraal Station en het gebied eromheen. Ook Utrecht wil het gebied rondom het Centraal Station grondig aanpakken en Arnhem is al jaren bezig met de vernieuwing van het stationsgebied in het centrum van de stad. Maastricht heeft op het terrein van de oude Sphinx-fabrieken een heel nieuw grootstedelijk stadsdeel gebouwd dat op het centrum aansluit en Den Bosch is druk doende het dode stuk stad aan de verkeerde kant van het station tot een levendige wijk te maken. In Den Haag is onlangs de Resident voltooid, een nieuw stadsdeel in het centrum dat bestaat uit hoge gebouwen aan besloten pleintjes en nauwe straten. Enzovoorts, enzovoorts: Nederland wordt overspoeld door binnenstedelijke vernieuwing die de traditionele stad moet versterken.

Deze vernieuwing is des opmerkelijker omdat juist de laatste jaren het einde van de traditionele stad wordt voorspeld. Dat is niet voor het eerst. Zo lang de stad bestaat, roept zij weerzin op. Altijd zijn steden ook als oorden van verderf gezien, en altijd zijn er critici geweest die ze het liefst als Sodom en Gomorra in vlammen zouden zien opgaan. In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen Europese en Amerikaanse steden explosief groeiden door de trek naar de grote stad als gevolg van de industrialisatie, sloeg de weerzin om in regelrecht afgrijzen. De stad en dan vooral de erbarmelijke omstandigheden waarin een groot deel van de arbeiders in hun krottenwijken en huurkazernes moest leven, leidden tot een afwijzing van de grote stad. De stad was volgens critici als Friedrich Engels een kapitalistisch verschijnsel dat leidde tot ziekten en zedelijk verval. Het was voor arbeiders veel beter om in huisjes in het groen buiten de stad te wonen, vonden zij, of in grote flats in parken, zoals Le Corbusier, de invloedrijkste architect van de twintigste eeuw, voorstelde. De trein en later de auto maakten dit mogelijk. Massaal trokken de stadsbewoners in de twintigste eeuw naar buiten, in de Verenigde Staten naar de vrijstaande huizen van de suburbs, in Nederland naar de rijtjeshuizen en de flats van de buitenwijken.

Het antwoord van de oude steden hierop was: cityvorming. Aangezien de trek uit de stad in de twintigste eeuw toch niet te stoppen was, moesten de binnensteden maar winkel- en kantoorgebieden worden, zo was het idee van planologen. Maar de cityvorming werd in Nederland niet tot het einde toe doorgezet. In de jaren tachtig werden binnensteden herontdekt als plekken waar het volle leven kon worden genoten. De traditionele stad beleefde een renaissance.

In de jaren negentig doemden nieuwe gevaren op voor de traditionele stad. Digitalisering en internet zouden het einde betekenen van de stad zoals wij die kennen, predikten sommige stedenbouwkundigen en sociologen. Dank zij de digitale revolutie kunnen niet alleen bedrijven maar ook werknemers zich overal vestigen. Standplaats deed er niet meer toe, het enige dat de hedendaagse wereldburger nodig had, was een goede kabelverbinding.

In het laatste decennium van de vorige eeuw begonnen steeds meer planologen te spreken over de netwerkstad: voor de moderne mens is de traditionele binnenstad niet langer het vanzelfsprekende centrum waar hij voor ontspanning, winkelen en werken naar toe ging. Nee, hij stelt uit een groot aantal bestemmingen in de wijde omgeving zijn eigen stad samen. Hij woont bijvoorbeeld in een Vinex-wijk, werkt in een bedrijvenpark dertig kilometer verderop, tennist in een sporthal in een weiland, gaat naar een film in een megaplex langs de snelweg, winkelt in winkelcentra aan de rand van de stad en gaat uit eten in een Van der Valk. En ja, af en toe gaat hij naar een oud stadscentrum. Om de netwerkstedeling nog te verleiden tot een bezoek, krijgen de binnensteden steeds meer het karakter van een pretpark, zo valt tegenwoordig steeds vaker te horen. Binnensteden worden een aaneenschakeling van winkels, restaurants, cafés, bioscopen, waarbij de oude stad nog slechts dienst doet als een leeg, Disney-achtig decor.

Toch is Soeters niet somber over de toekomst van de stad. ,,De netwerkstad betekent juist dat de traditionele steden nóg aantrekkelijker moeten worden om de concurrentie aan te kunnen met de andere bestemmingen van de netwerkstad'', zegt hij. ,,En dat betekent dat ze nog beter moeten doen waar ze goed in zijn: het bieden van stedelijkheid, compleet met alles wat daar bij hoort. Cruciaal hierbij is wel de bereikbaarheid. Het is een gegeven dat maar een klein deel van de bezoekers met het openbaar vervoer wil komen. En dus staat of valt het succes van de oude binnensteden met de aanwezigheid van voldoende parkeergarages die goed bereikbaar zijn.''

Het idee van de stad als pretpark wordt zwaar overdreven, vindt Soeters. ,,De stad heeft altijd een pretparkfunctie gehad. Die pret bestond vroeger alleen uit het in brand steken van Savoranola of een andere ketter. Of uit paardenrennen, zoals die nu nog steeds worden gehouden op het Piazza del Campo in Siena. Dat verschilt niet wezenlijk van strandvolleybal op de Dam in Amsterdam. De Franse chansonnier George Brassens heeft eens een liedje geschreven over grotestadsbewoners die neerbuigend doen over de provinciale dagjesmensen. Zo zijn de meeste pretparkonheilsprofeten nu ook binnenstadbewoners die met afgrijzen zien dat hun stad nu ook door toeristen en dagjesmensen worden gebruikt. Maar ze zouden er juist blij mee moeten zijn. Toeristen en dagjesmensen staan garant voor een hoog niveau van voorzieningen als restaurants, cafés waar ook bewoners van profiteren.''

Allard Jolles, architectuurhistoricus bij de Dienst Ruimtelijke Ordening in Amsterdam, bevestigt de stelling van Soeters. ,,Droge cijfers weerspreken dat de binnenstad van Amsterdam een pretpark wordt'', zegt hij. ,,In het oude centrum wonen nog altijd 80.000 mensen en dat worden er de laatste jaren niet minder. Het aantal arbeidsplaatsen is zelfs toegenomen in de jaren negentig, van 80.000 tot 93.000. De vrijetijdsprofessor Hans Mommaas heeft eens gezegd dat `stedelijkheid' wordt ervaren op plekken waar bewoners, werkenden, dagjesmensen én toeristen tegelijkertijd zijn. Deze groepen zijn in Amsterdam redelijk in evenwicht. Dat er zoveel werkenden en bewoners rondlopen, voorkomt dat de stad een Disney-decor wordt; in Disneyland wonen tenslotte geen mensen. Bovendien beslaat het deel waar winkels, fastfoodrestaurants en dergelijke overheersen, maar een klein stuk van de binnenstad. Je hoeft maar de hoek om te gaan en je hebt er geen last meer van. Nee, de Amsterdamse binnenstad is echt, er is geen sprake van Disneyficering of theming.''

Volgens Soeters geldt dat ook voor veel andere Nederlandse steden. ,,In Engeland en Frankrijk zijn veel steden binnenstebuiten gekeerd'', zegt hij. ,,Daar moet je voor je dagelijkse boodschappen naar zo'n grote doos buiten de stad. Dat is in Nederland dank zij de strakke planning van de ruimtelijke ordening veel minder het geval. Veel Nederlandse binnensteden hebben nog steeds veel winkels en voorzieningen. Als je er de laag van Blokkers, Etossen en andere winkelketens van afkrabt, heb je in Zwolle, Deventer en Zutphen prachtige stukken stad met grote mogelijkheden. Ik was laatst in Bluewater, een gigantische shopping mall buiten Londen. Die bevat niet alleen winkels, maar ook restaurants, bioscopen, cafés en al die andere dingen die een stad kent. Het was ook nog eens schitterend landschappelijk vormgegeven, echt knap gedaan. En toch wilde ik na een uurtje Bluewater maar één ding: onmiddellijk wegwezen. Zo'n kunstmatige stad haalt het uiteindelijk toch niet bij de echte stad. Nee, de stad gaat het helemaal maken in Nederland.''