`De LPF mist organisatie en ideologie'

De parlementaire geschiedenis is bezaaid met voorbeelden van nieuwkomers die het moeilijk hebben, zoals nu de LPF. Behalve persoonstwisten zijn het volgens historicus Voerman een zwakke organisatie en ideologische tegenstellingen die nieuwelingen parten spelen.

Als alle ruzies binnen de LPF deze week iets hebben aangetoond, is het volgens Gerrit Voerman (45) het belang van een sterke partijorganisatie. ,,Die houdt herrieschoppers beter buiten de deur en vormt een selectiemechanisme voor leiders en Kamerleden'', meent het hoofd van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) van de Rijksuniversiteit Groningen.

,,Ook gevestigde partijen kennen persoonlijke conflicten, zoals vorig jaar bij het CDA nog tussen Marnix van Rij en Jaap de Hoop Scheffer. Maar omdat de instituties van de partij, zoals bestuur en fractie, door iedereen worden erkend, kunnen die toch worden opgelost. De organisatie en debatscultuur binnen een partij leiden ertoe dat de dingen niet zo snel uit de hand lopen en hebben over het algemeen een dempende invloed.''

Een sterk voorbeeld daarvan is volgens hem de Socialistische Partij (SP). Die is weliswaar pas sinds 1994 in de Kamer vertegenwoordigd, maar heeft een lange organisatorische geschiedenis – de SP was in de jaren tachtig begonnen als maoïstische kaderpartij. ,,Als er daar al eens herrie is geweest in de Kamerfractie, dan is dat niet naar buiten gekomen.'' Het lijkt Voerman dus niet zo verstandig dat minister Heinsbroek, als kandidaat voor het leiderschap van de LPF, zich deze week zo laatdunkend uitliet over de status van het bestuur van de politieke vereniging LPF. De sleutel tot de oplossing ligt juist in de opbouw van een partij waarin de mening van de leden tot uitdrukking kan komen, denkt Voerman.

De lijst van nieuwe partijen in de Tweede Kamer die aan interne troebelen ten prooi vielen, nog voordat zij aan partij-ideologie of politieke inhoud toekwamen, is lang, ook in het recente verleden. Voerman kent ze uit het hoofd: het Algemeen Ouderen Verbond kwam in 1994 met zes zetels in de Kamer en was binnen anderhalf jaar in drie fracties uiteengevallen; de Nederlandse Middenstandspartij (NMP) kwam in 1971 in de Kamer met twee leden die elkaar te vuur en te zwaard bestreden; ook de Boerenpartij, sinds 1963 in de Kamer, viel op den duur in drie stukken uiteen, al wist die partij het nog een aantal zittingsperioden uit te houden.

Soms verbinden persoonlijke rivaliteiten bij nieuwkomers in de politiek zich met ideologische vraagstukken. Zo viel de strijd tussen Drees jr. en De Brauw bij Democratisch Socialisten '70 (DS'70) – overigens net als de LPF een partij die na haar verschijning in de Kamer in 1971 deel ging uitmaken van een centrumrechtse coalitie (en al na een jaar voor een kabinetscrisis zorgde) gedeeltelijk samen met het debat over de algemene oriëntatie van de partij: sociaal-democratie in de stijl van de jaren vijftig of moderne hervormingspartij.

Ook D66, een partij die volgens Voerman in dit overzicht ,,moeilijk te plaatsen is'', kende in de jaren zeventig zeer heftige debatten over de te volgen koers en raakte in een electorale glijvlucht. D66 zou wellicht verdwenen zijn zonder het aantreden van Terlouw als leider in 1973. ,,Hij lanceerde onder de slogan `D66 - het redelijk alternatief' D66 als een `vierde stroming' in de Nederlandse politiek. De aandacht verschoof van staatkundige vernieuwing naar `sociaal liberalisme'. Maar ik denk dat het toch vooral Terlouws leiderschap, eerder dan de ideologische wending, is geweest die D66 gered heeft.''

Ideologische debatten, daar is de LPF helemaal niet aan toegekomen. Maar als het zover komt, voorziet Voerman grote moeilijkheden. ,,Een partij is gebaat bij een coherente ideologie. Het werk van Fortuyn vormt echter een cocktail van elementen, die verschillende richtingen uitgaan.

,,Er is om te beginnen de conservatieve, communautaire lijn in het werk van Fortuyn: normen en waarden, een beetje terug naar de jaren vijftig. Haaks daarop staat het liberale element: snoeien in de sociale zekerheid, afschaffen van de Bijstand, de WAO alleen voor beroepsziekten, dat soort gedachten. Fortuyn was weliswaar ook voor een basisinkomen, maar over het algemeen was hij op dit gebied toch zeer hard. Dat er niemand uit de boot mag vallen, zoals bij het CDA, dat zul je bij Fortuyn niet aantreffen.

,,Er is bij Fortuyn ook het nationalistische element: trots op je Nederlandse identiteit, migranten moeten zich aanpassen. En er is, een beetje verdwaald, nog een libertair element: seksuele vrijheid, vrijgeven van soft- en harddrugs. Het lijkt me sterk de vraag of deze explosieve mix kan werken. Hoe kun je snoeien in de sociale zekerheid en pleiten voor een beperkte taakopvatting van de overheid en tegelijkertijd strijden voor normen en waarden, bijvoorbeeld in het onderwijs?''

Hoe het ook verder gaat met de LPF, één conclusie laat zich vermoedelijk uit het wedervaren van deze groepering al trekken, meent Voerman. De `nieuwe politiek' naar LPF-model lijkt geen werkbaar alternatief voor de ernstige problemen waarmee de gevestigde partijen kampen, zoals afnemend ledenaantal en een steeds grotere financiële afhankelijkheid van de staat, die die partijen geacht worden te controleren. ,,De binding van de partijen met de maatschappij is veel losser geworden, zoals je ook kon zien bij hun reactie op de kritiek van Fortuyn. Die werd gewoon politiek incorrect verklaard. Maar problemen kun je niet wegdefiniëren. Die blijven.''

    • Raymond van den Boogaard