De literaire Mount Everest

Voor Thomas Manns `Toverberg' moet je de tijd hebben én nemen, stelt Pieter Steinz in zijn stoomcursus wereldliteratuur.

Eergisteren was het Duitslands Nationale Feestdag en volgende week wordt de Nobelprijs voor literatuur uitgereikt. Geen beter moment dus om aandacht te besteden aan Thomas Mann, de twintigste-eeuwse Duitse grootmeester die in 1929 door de Zweedse Academie gelauwerd werd. Mann kreeg de prijs `met name voor zijn grote roman Buddenbrooks', en inderdaad behoort de saga over de teloorgang van een koopmansfamilie in Manns geboortestad Lübeck nog steeds tot zijn meest gelezen werken. Maar al in 1929 begreep niemand waarom het Nobelprijscomité het toen vijf jaar oude magnum opus Der Zauberberg ongenoemd liet. De kolossale ontwikkelingsroman over een jongen in een Alpensanatorium was niet alleen het mooiste voorbeeld van Manns ironische vertelkunst, maar ook een knap beargumenteerd pleidooi voor het humanisme en de culturele vorming waarop de Zweden zo dol waren (en zijn).

Der Zauberberg is de Mount Everest van de wereldliteratuur; zelfs doorgewinterde literaire alpinisten, die zonder problemen hoge toppen als Moby-Dick en Anna Karenina hebben bedwongen, blijven vaak onderweg steken. Allereerst doordat Der Zauberberg bijna 1.000 pagina's dik is; in het voorwoord van de roman waarschuwt de alwetende verteller al dat hij met het verhaal van zijn hoofdpersoon niet `in een handomdraai' klaar zal zijn. Daarnaast omdat Mann zich weinig gelegen laat liggen aan een spannend plot of een hoog tempo. Het gaat om de karakterontwikkeling van de Hamburgse ingenieur Hans Castorp, en om de politieke en ethische discussies die door zijn leermeesters worden gevoerd. Af en toe lijkt het zelfs of de tijd wordt stilgezet – een toepasselijk effect in een roman die zich afspeelt in een sanatorium dat zijn patiënten dwingt tot rust en regelmaat, maar niet bepaald een aanbeveling in de op actie gerichte leescultuur van de 21ste eeuw. Het is misschien niet verwonderlijk dat verklaarde Toverbergbeklimmers als Bernard Haitink, Willem Brakman en André Spoor een dagje ouder zijn; P.F. Thomése (1958), die Der Zauberberg in een prachtig essay ooit uitriep tot zijn `meest gekoesterde boek', moet tot de jongste bewonderaars behoren.

Drie weken – dat is de tijd die de 23-jarige Hans Castorp heeft uitgetrokken voor een bezoek aan zijn tuberculeuze neef in Davos. Het worden uiteindelijk zeven jaren, want eenmaal in de onwezenlijke kalmte van de bergen voelt hij zich zelf ook niet al te vief meer. Tijdens deze bijbelse periode, die wordt gevuld met maaltijden, ligkuren en oeverloze gesprekken, verandert Hans van een enigszins naïeve jongeman in een mens van de wereld. Hij heeft gesprekken gevoerd met de Italiaanse humanist Settembrini en de reactionaire jezuïet Naphta; hij is hopeloos verliefd geworden op het Russische jongensmeisje Clawdia Chauchat; en hij heeft drinken en praten geleerd van de Hollandse (!) bonvivant Mynheer Peeperkorn. Met de meeste mensen in zijn omgeving loopt het niet al te best af (de Toverberg eist opvallend veel slachtoffers) maar zelf is hij uiteindelijk perfect gebildet. In een epiloogje zien we hem terug in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog – een laatste staaltje van de ironie waarin Mann grossiert.

Mann noemde Der Zauberberg een `tijdroman', aangezien hij niet alleen een beeld gaf van een voorgoed verloren tijd maar ook omdat zijn personages alle begrip van tijd in de beslotenheid van het kuuroord verliezen. Voor de lezers in de moderne zapcultuur is daar nog een derde duiding bij gekomen: Der Zauberberg is een roman waarvoor je de tijd moet hebben, én nemen.

Volgende week: `L'étranger' van Albert Camus.

Pieter Steinz: steinz@nrc.nl