Zwart-wit noch grijs

De geijkte voorstelling van Nederland als een consequent door de bezetter beroofd en voortdurend verarmd land, is een mythe. Dat blijkt uit een prachtige samenvattende studie over de economie en de Tweede Wereldoorlog.

Gebrek aan ambitie, kennis van zaken, durf, werklust, scheppend vermogen, volharding, intelligentie – gebrek daaraan valt Hein Klemann niet te verwijten. Integendeel: hij verdient op al die punten lof. Hij heeft een belangwekkend boek geschreven in een heldere stijl zonder tierelantijnen. Het is een vlot leesbaar, begrijpelijk boek. Het is ook dik. En het is een belangrijk boek. Geschiedschrijvers die zich bezighouden met de Tweede Wereldoorlog zullen er profijt van trekken. Waarom dat zo is, maken de eerste twee zinnen van het boek duidelijk. Daarin merkt Klemann namelijk op dat er wel `onvoorstelbaar' veel over de oorlog geschreven is, maar dat `in Nederland het economisch leven tot op heden goeddeels onbesproken is gebleven'.

Bingo!

Klemann belooft in deze lacune te voorzien. En het moet gezegd: hij doet het. De opzet en inrichting van zijn werk zijn gedegen. In Deel I verdiept hij zich in de huidige stand van de historiografie. Ik merk op dat er uit blijkt dat toch wel zo een en ander over het onderwerp is geschreven. Klemann is trouwens toch een tikkeltje schatplichtig aan de onvolprezen Loe de Jong, al spaart hij hem terecht niet. Ook Klemann staat op de schouders van degenen die hem voorgingen. Het is waar dat een samenvattend werk tot nu toe niet is geschreven. Vervolgens is het thema economie en oorlogsdreiging aan de orde. Daarover had Klemann al eerder onthullende, spitse woorden geschreven. Nu zegt hij daarover niet veel nieuws meer. Hij laat onder andere zien hoe Nederland toch vooral uit was op bevordering van zijn agrarische export naar Duitsland – een achterlijk beleid volgens hem dat ook anderen, onder wie ooit ik, zo getypeerd hebben – terwijl dat land juist Nederlandse industrieproducten wilde hebben. Zal Nederland zijn beleid op dit punt ooit opfrissen?

Deel III bevat zijn analyserende beschrijvingen van economische sectoren, de landbouw uiteraard voorop. Daarop volgen de industrie, de handel, het verkeer, de bankiers en de overige diensten, waaronder warempel ook de kerken en een klein stukje overheid. Voorzover ik kon zien is er weinig tegen in te brengen. Maar welk idee ligt eraan ten grondslag? Toen ik er kennis van nam leek ik terug te zijn bij de opsommende beschouwingen van een los samenhangend bestel van bedrijfstakken zoals die langer dan een halve eeuw geleden in de mode waren.

Hoewel het laatste hoofdstuk het geheel afrondt door het behandelen van wat het allemaal opleverde – productie, werkgelegenheid en welvaart – blijft de vraag naar de onderlinge samenhang daarvan onbeantwoord. Economen zouden benieuwd zijn naar de wederzijdse afhankelijkheid van variabelen als inkomen, investeringen, besparingen, consumptieve bestedingen en dat soort zaken meer die naar hun idee bepalend zijn voor de kringloop in het economische leven. Daarbij maken zij nog onderscheid tussen afhankelijke en onafhankelijke variabelen. Klemann doet dat niet: hij gooit ze op één hoop en dat is lastig als je causale of functionele relaties op het spoor wilt komen.

Het mooiste, belangrijkste en beste stuk van het boek is Deel II, `Exploitatie' geheten, zeker in zijn verband met Deel IV, dat het vraagstuk van de Nederlandse verarming aan de orde stelt. Overtuigend rekent Klemann daarin af met de geijkte voorstelling van Nederland als een consequent door de bezetter beroofd land dat als gevolg daarvan sedert mei 1940 voortdurend verder is verarmd. In dat verband gaat hij de chronologie van het gebeuren nauwkeurig na. Zo slaagde hij er in de ontwikkelingen te periodiseren. Wat blijkt? Zowel zij die alleen maar verarming zagen als degenen die volhouden dat er eigenlijk niets aan de hand was geweest krijgen een lesje.

Klemann onderscheidt op grond van deugdelijke argumenten en stevige gegevens een aantal op elkaar volgende fasen of perioden. Het beslissende keerpunt was in 1942-1943 aangebroken. Daarna was het anders – en slechter – dan voordien. Objectieve omstandigheden, zoals de loop van de oorlog, speelden daarbij een rol evenals als bijzondere figuren en personen. Dat waren aan Nederlandse kant bijvoorbeeld sleutelfiguren als Louwes, Hirschfeld, Trip en Rost van Tonningen. Dat is geschiedschrijving van de bovenste plank al ontbreken niet geringe ondernemers als Rijkens, Philips en – voor een Rotterdammer onverteerbaar – K.P. van de Mandele. Maar ja, zelfs in 699 bladzijden kun je niet alles hebben.

Klemanns eigen uiteenzettingen zijn van een indrukwekkende overtuigingskracht, vooral omdat hij de nuance niet schuwt. Dat komt, denk ik, omdat hij nadrukkelijk heeft geprobeerd de kwestie te ontkoppelen van het oordeel over goed en fout. Het schrille moraliserende contrast tussen `zwart' en `wit' vermijdt hij zonder op zijn beurt te vervallen in het verhullende maar even moraliserende begrip `grijs'. Dat is knap. Het is daarom toch een beetje jammer dat hij de gretige bereidheid tot mede- en samenwerking met de bezetter, die het Nederlandse bedrijfsleven over de hele linie ten toon heeft gespreid toch rangschikt onder de term `aanpassing'. Die term is nu al weer decennia geleden gesmeed door de Groningse historicus Kossmann en de huidige directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Hans Blom. Dat was destijds een zeer nuttige term die een kanttekening zette bij De Jongs schildering van goed en fout. Toch kleeft ook aan `aanpassing' misprijzen, zeker waar het gaat om (bedrijfs-)economische activiteiten. Het lukt ook Klemannn niet zich daaraan te onttrekken.

Als Klemann zich rekenschap zou hebben gegeven van de theoretische economie zou hij hebben ingezien dat van aanpassing geen sprake is geweest. Houding en gedrag van het bedrijfsleven waren namelijk gelijk gebleven. Het deed of probeerde te doen wat het gewend was te doen en wat er, althans onder normale omstandigheden, ook van werd verwacht. Dat was streven naar winst, handhaven van de werkgelegenheid en zorgen voor de continuïteit van de onderneming. Juist door zijn normale houding en gedrag tijdens de bezetting niet te veranderen, paste het bedrijfsleven zich niet aan. Uit ethisch of moreel oogpunt pakten zijn daden daardoor naar het oordeel van velen blijkbaar verkeerd uit. Wie dat `aanpassing' wil noemen kan zijn gang zijn, maar gebruikt wel een verkeerd woord.

Echte historici als Klemann zijn gewend eclectisch te werken zonder zich druk te maken om logische consistentie en stelselmatige nauwkeurigheid. Oneerbiedig en niet helemaal fair gezegd kiezen ze wat in hun kraam te pas komt om vervolgens te zeggen dat de lacune gevuld is. Een ander kiest weer andere smakelijke brokken om op te kauwen. Goede economen tonen meer bescheidenheid. Zij werken aan de hand van theoretisch gefundeerde, logisch consistente modellen die ze vervolgens proberen te toetsen aan gegevens uit de historische werkelijkheid. Ze zijn er niet op uit lacunes te vullen. Liever slaan ze de plank mis. Dan weten ze tenminste waaraan ze toe zijn. Ik geef een voorbeeld: Klemann stelt herhaaldelijk met nadruk vast dat Hitlers expansie naar het oosten `ten diepste economisch gemotiveerd was'. Het is voor hem een waarheid als een koe waaraan zeer vergaande gevolgen verbonden waren voor de uitbuiting aldaar. Hitlers expansie naar het westen vond daarentegen lukraak en haast per ongeluk plaats. Vandaar dus het fundamentele verschil in de exploitatie van oost en west. De econoom fronst de wenkbrauwen. Ten diepste economisch gemotiveerd? Kom nou, is de geschiedenis niet altijd veel en veel ingewikkelder? Volstaat één diepe drijfveer om de geschiedenis te verklaren? Een econoom zou dus vragen: in hoeverre liet Hitler zich leiden door economische motieven? Ik denk dat de econoom dan al gauw tot de conclusie zou komen dat Hitler zich helemaal niet daardoor liet leiden. Dat maakte hem juist zo'n onberekenbare, kwaadaardige factor in de historie. Hij gebruikte de economie als middel, niet als doel.

Een ander voorbeeld. Klemann verdiept zich in de vraag waarom het Nederlandse bedrijfsleven gretig Duitse orders aanvaardde terwijl de Belgen zich terughoudend betoonden. Lag dat aan het verschil in volksaard? Nee. Klemann brengt heel genuanceerd een aantal factoren in het geding: het verschil in historische ervaring en de rol van bijzondere figuren. Het belangrijkste acht hij het verschil in mededingingsverhoudingen. Door de concentratie van macht was het Belgische bedrijfsleven makkelijker in het juiste gareel te houden dan het Nederlandse. Klemann heeft ongetwijfeld gelijk, maar hoe scherper en duidelijker, hoe eleganter ook, zou hij zijn gelijk hebben kunnen krijgen als daarbij ook enig begrip was getoond van de theorie van de marktvormen, van het ondernemers- en producentengedrag en van de economische groei. Ik zou bijna zeggen: dat is een lacune. Ik haast me daaraan toe te voegen dat hij een prachtig boek heeft geschreven.

H.A.M. Klemann: Nederland 1938-1948. Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting. Boom, 696 blz. €39,50

    • P.W. Klein