Weerbarstig en met zwier

`Minority Report', de nieuwe film van Steven Spielberg, gaat terug op een sciencefiction-verhaal van Philip K. Dick: een zonderlinge schrijver die zich door God ingestraald voelde.

Op zijn minst was hij gek, moest hij zelf toegeven. En anders had God zich aan hem geopenbaard in februari en maart 1974. Of een wezen van een andere planeet. Of de Russen die met een communistisch stralenapparaat bezit hadden genomen van zijn geest. Dagelijks brak sciencefictionschrijver Philip K. Dick zich het hoofd over de sensaties die hij beleefde sinds in februari 1974 zich een vreemde wereld voor hem opende na een straal van intens roze licht. Hij beheerste plotseling het Griekse dialect van de apostel Petrus. Hij zag Romeinse steden over het Californische landschap verschijnen en begreep de diepste verbanden tussen woorden en muziek. Maar het verhaal dat over hem de ronde doet dat hij eens een kat doodde met de kracht van zijn geest is niet waar. Wat is echt, is de vraag die zijn leven en werk bepaalde.

Philip K. Dick werd geboren in Chicago op 16 december 1928 en overleed na een hartaanval op 2 maart 1982 in Californië, waar hij vrijwel zijn hele leven woonde. Zijn tweelingzusje stierf 41 dagen na haar geboorte aan ondervoeding. Ook zelf was hij door zijn moeder uit onwetendheid verwaarloosd en bijna van de honger gestorven. Het gemis van zijn zus en de nalatigheid die hij zijn moeder verweet tekenden zijn leven. Als kleuter was hij al in behandeling bij psychologen en psychiaters en kreeg hij medicijnen voorgeschreven, later, in de jaren vijftig, waren dat vaak amfetamines. In de jaren zestig experimenteerde hij volop met drugs – van hasj tot LSD – en toen hij daarmee stopte was zijn gestel enigszins ondermijnd. En toen kwam dat felle roze licht.

Philip Kindred Dick – Kindred is de familienaam van zijn moeder – was enigszins paranoïde. 's Avonds bleef hij steeds controleren of de voordeur wel op slot zat. Ook in zijn huwelijksleven was hij onzeker, hij trouwde en scheidde vijfmaal, kreeg drie kinderen en had vele relaties. Na zijn laatste echtscheiding deed hij in 1975 een zelfmoordpoging. In 1982 werd hij volgens zijn wens begraven naast zijn zusje.

Philip K. Dick is de schrijver van de verhalen waarop de klassieke sciencefictionfilms Blade Runner en Total Recall zijn gebaseerd. Hij schreef meer dan veertig romans en vele tientallen verhalen. Vooral in de jaren zeventig was hij zeer populair, ook in Nederland. De laatste jaren is zijn werk gewild in Hollywood. Zijn invloed is herkenbaar in allerlei films en er zijn diverse producties op komst die gebaseerd zijn op zijn werk. Vorige week verscheen al Minority Report, de nieuwe film van Steven Spielberg.

Zijn ouders scheidden in 1934 en daarna leefde Philip in vaak krappe omstandigheden bij zijn moeder. Op zijn zevende noemde een psychiater hem ,,mogelijk schizofreen'. Philip was een redelijk goede leerling op de middelbare school, maar zijn studie filosofie aan de Universiteit van Californië in Berkeley brak hij na een paar maanden af. Hij verveelde zich te veel tijdens de colleges, beweerde hij later. Belangrijker is dat hij al sinds de lagere school vaak last had van pleinvrees en andere kwalen waardoor hij moeilijk tussen mensen in openbare ruimtes kon verkeren.

Platenzaak

Al jong ontwikkelde hij een grote liefde voor de Duitse cultuur: Wagner, en vooral Beethoven die hij beschouwde als het grootste genie aller tijden. Hij wist veel van muziek en werkte tijdens zijn schooltijd en daarna enkele jaren fulltime bij een platenzaak. Hij speelde zo goed piano dat hij overwoog klassiek pianist te worden, maar die carrière was een van de dingen die niet mogelijk waren gezien zijn psychische toestand.

Hij was al jong een verwoed lezer, ook van sciencefiction. Begin jaren veertig verslond hij de destijds populaire pulpbladen met sf-verhalen van schrijvers als Isaac Asimov, Robert Heinlein en A.E. van Vogt, inmiddels klassiekers in het genre. Hij ging zelf schrijven en sinds zijn veertiende werden verhaaltjes van hem gepubliceerd in de Young Authors Club, een rubriek in een plaatselijke krant. In een daarvan schrijft hij over androïden als slaven en niet, zoals toen gebruikelijk, als vrienden van de mens. En hij schreef eens op de clubpagina: ,,I AM GOING TO BE A SCIENCEFICTION WRITER.'

In 1951 werd dat werkelijkheid: hij verkocht zijn eerste verhaal aan het tijdschrift Fantasy & Science Fiction. De veertien verhalen die hij naar diverse bladen had gestuurd waren allemaal teruggekomen, maar F&SF had er een briefje bijgedaan met herschrijftips. Van de meer dan 8.000 woorden schrapte Dick er 6.000 en Roog werd geaccepteerd. Toen het in februari 1953 werd gepubliceerd, hadden al zes andere verhalen van hem gestaan in bladen met namen als Planet Stories, If, Galaxy en Imagination. Hij zegde zijn baan op bij de platenwinkel en was voortaan professioneel schrijver.

In een interview legde hij eens uit dat het idee voor een boek hem in een flits bereikte – naast zijn bed lag altijd een notitieblok klaar. Daarna verzon hij de karakters. ,,Ik probeer altijd iemand te vinden die de dupe is van het idee en iemand die er de baas over is, zodat je een gepolariseerde wereld krijgt.' Met het bedenken van de structuur kon hij maanden bezig zijn, zonder dat een letter op papier kwam. Als hij eenmaal schreef, schreef hij snel: hij haalde 130 woorden per minuut en in dat tempo ramde hij in een paar weken een roman uit zijn machine. Amper tijd om te eten en, tot hij begin jaren zeventig de drugs afzwoer, vaak op stoom gehouden door speed.

In bijna al zijn verhalen wijkt hij af van het gangbare in de sciencefiction. Hij beschrijft niet de ondergang van de wereld, maar neemt die als uitgangspunt. ,,Stel het vast in de eerste paragraaf en zorg dat je er vanaf bent [...] Maak van de poging van de karakters een oplossing te vinden voor het probleem hoe te overleven na de oorlog het centrale thema of idee.'

Zijn hoofdpersonen zijn zelden helden. Meestal zijn het werkende mannen die een situatie het hoofd moeten bieden en dat zonder superkrachten en met tegenzin doen. Dat maakt ze interessant, ook voor films, zoals de grote belangstelling van regisseurs voor zijn werk bewijst.

Dick was een groot bewonderaar van meer literaire schrijvers als Guy de Maupassant, James Joyce, Henrik Ibsen en E.T.A. Hoffmann. In zijn boeken zit onder het avontuur altijd diepgang, waaruit zijn levenslange fascinatie voor filosofie, religie en wetenschap spreekt. Heraclitus, de Bijbel, Hume, Freud en vooral ook Jung – hij las en bestudeerde hun werk. Ruimte, tijd, de mens: wat was het en waartoe? Het maakt Dicks werk soms vergelijkbaar met wat bijvoorbeeld Michel Houellebecq in Platform doet: wat kan zijn, is werkelijkheid geworden, en het boek onderzoekt de gevolgen daarvan voor de maatschappij en voor de individuele mens.

Lang bleef Dick hopen op een carrière als schrijver van serieuze literatuur. Hij klaagde dat hij vooral gelezen werd door mensen die de grote literatuur niet kenden, en hem dus niet op zijn waarde konden schatten. Eind jaren vijftig hield hij zelfs een tijdje helemaal op met sciencefiction, maar het lukte hem ondanks belangstelling van gerenommeerde uitgeverijen niet iets gepubliceerd te krijgen. Pas toen de literatuuropvatting in de jaren zeventig verruimde, wist hij zich enigszins erkend buiten zijn genre.

Politiestaat

Na zijn definitieve afscheid van de echte literatuur schrijft hij zijn beste werken. Het begint met The Man in the High Castle (1962), waarin Japan en Duitsland de Tweede Wereldoorlog hebben gewonnen. Het boek gaat over angst in een politiestaat en er komt een schrijver in voor die een verboden sf-roman heeft geschreven waarin de Verenigde Staten en Engeland de overwinnaars zijn. Zoals vaak bij Dick is er twijfel over welk verhaal de werkelijkheid beschrijft. Met dat boek breekt hij definitief door en het levert hem de in sf-kringen hooggeachte Hugo-award op. Daarna volgen, tussen vele andere boeken, zijn meesterwerken Do Androids Dream of Electric Sheep (1968), Ubik (1969), Flow my Tears (1974), A Scanner Darkly (1977) en Valis (1981), waarin hij zijn mystieke ervaring uitwerkt.

The Man in the High Castle wordt beschouwd als een hoogtepunt in het sf-genre. Zoals vaker bij Dick gaat het verhaal tussen een aantal personages heen en weer. Commercieel was het boek geen succes, van de oplage van 5.000 gebonden exemplaren, werd minder dan de helft verkocht. Tegenwoordig gaan jaarlijks zo'n 1,5 miljoen boeken van hem over de toonbank. Tussen 1968 en 1984 verscheen in Nederland veel in vertaling, maar tegenwoordig is niets meer verkrijgbaar in de boekhandel. Liefhebbers zijn op de originelen aangewezen, waar meestal wel een paar van op voorraad zijn. Speciaal voor de film bracht uitgever Luitingh-Sijthoff een nieuwe vertaling van Minority Report en acht andere verhalen op de markt.

Philip Dicks stijgende roem bereikt eind jaren zeventig ook Hollywood, waar opties worden genomen op verschillende boeken en verhalen. Sciencefiction is definitief hot als de eerste aflevering van Star Wars in 1977 een gigantisch succes wordt. Als eerste gaat zijn roman Do Androids Dream of Electric Sheep? in productie. Over het script waarmee regisseur Ridley Scott aan de slag ging, was Dick tevreden, maar het eindresultaat heeft hij nooit gezien. Wel was hij op de set waar Scott hem 20 minuten opnames liet zien. Hij was enthousiast over hoe zijn toekomstige wereld tot in detail was uitgewerkt. Maar er zijn belangrijke verschillen met het verhaal. Dick zei schertsend dat vooral zijn special effects verfilmd waren, iets waarover hij als schrijver toch niet echt tevreden kon zijn. Het belangrijkste thema, de jacht op de kunstmensen en hoe dat de premiejager aan het denken zet over zijn eigen menselijkheid, is volgens Dick in de film prima in stand gehouden.

Een van de androïden in Blade Runner weet van zichzelf niet dat ze geen mens is. ,,Dat is van de weinige oorspronkelijke dingen die ik heb bijgedragen aan de sciencefiction', zegt Dick in What If Our World was their Heaven, een weergave van enkele lange gesprekken kort voor zijn dood in 1982. In 1953 gebruikte hij het idee al eens in Impostor, een verhaal over een man die niet weet dat hij vervangen is door een robotbom (die zal afgaan op het moment dat hij zich dat realiseert). ,,De androïde is mijn metafoor voor een ontmenselijkt persoon, iemand die minder is dan een mens.'

In juni 1982 zou de film uitkomen en Dick verheugde zich op de première. Wat hij gemist zou hebben, had hij een paar jaar langer geleefd, was niet het succes van Blade Runner. Die film flopte aan de kassa, ook nadat tegen de wil van regisseur Ridley Scott een verklarende voice-over aan het verhaal was toegevoegd en het einde verzoet. Dick had nog tien jaar moeten leven om de doorbraak mee te maken, toen Scott in 1992 zijn `directors cut' uitbracht zonder de verteller en met duisterder einde. Hij had dan ook kunnen genieten van Arnold Schwarzenegger in Total Recall (Paul Verhoeven, 1990), gebaseerd op zijn verhaal We Can Remember It For You Wholesale. Daarin vat Schwarzeneggers personage een typisch Dick-thema snibbig samen met: ,,Well, if I'm not me, then who the hell am I?'

Legbatterij

Sinds de jaren negentig is zijn invloed in vele films aantoonbaar. The Truman Show (1998), waarin Jim Carrey ontdekt dat hij in het decor van een tv-serie leeft, lijkt sprekend op het gegeven van een verhaal van hem uit de jaren vijftig. Ook in Donnie Darko (2002) van Richard Kelly is Dick als inspiratie herkenbaar, net als in de animatiefilm Waking Life (2001) van regisseur Richard Linklater, die waarschijnlijk het boek A Scanner Darkly gaat verfilmen waarin een schizofrene politieman zichzelf schaduwt. Ook films als Memento, The Sixth Sense en eXistenZ zijn schatplichtig aan Dick. Natuurlijk geldt dat ook voor de beste sf-film van de laatste jaren: The Matrix van Andy en Larry Wachowski uit 1999. Daarin is de wereld een gedeelde simulatie van mensen die door computers in een afschuwelijke legbatterij worden uitgemolken. Zoals de gebroeders Wachowski toegeven: een verhaal dat Dick had kunnen verzinnen.

Producent Miramax heeft voor Roberto Benigni de rechten gekocht van het verhaal The Short Happy Life of the Brown Oxfords. Daren Aronofsky, de regisseur van de thriller Pi, bezit de rechten op een aantal verhalen. Disney werkt aan de verfilming van King of the Elves en ook het verhaal Paycheck zou in productie zijn.

Film noir

In 1992 werd Dicks roman Confessions of a Crap Artist verfilmd. In 1995 verscheen Screamers (1995) en dit jaar The Impostor, beide naar verhalen uit de jaren vijftig. Ook Minority Report, de nieuwe Spielbergfilm met een hoofdrol van Tom Cruise, is een typisch Dick-verhaal over vrijheid en veiligheid en de schaduwzijde van technologie. Voorkenners, `precogs', vertellen de politie wie welke moord waar gaat plegen en voor het zover is wordt de dader gearresteerd en opgesloten. Dat roept vragen op over vrije wil en of iemand schuldig is voor de daad. Spielberg zegt dat het onderwerp zelfbeschikking hem aantrok in het verhaal, al miste hij in Dicks origineel het idee dat iemands toekomst het gevolg is van diens eigen handelen. Volgens hem is het geen echte sf-film geworden, maar ,,een klassieke film noir' die toevallig in de toekomst speelt. Spielberg heeft er een heel ander verhaal van gemaakt. Met de keuze van Tom Cruise als hoofdpersoon veroorlooft hij zich al een forse vrijheid tegenover Dick, zoals de eerste zin van het boek duidelijk maakt: ,,De eerste gedachte die bij Anderton opkwam toen hij de jonge man zag was: ik word kaal. Kaal en vet en oud.' Zoiets kan Cruise onmogelijk denken.

Het verhaal is sneller dan de film en geschreven als een echte Dick: bondig, terzake en met zwier. Anders dan de film bevat het de weerbarstige ideeën die hem tot een van de beste sf-schrijvers ooit maakten. Wie 117 minuten vertier zoekt, is beter af met het boek. De film ziet er schitterend uit, prachtig vormgegeven, aardig verhaaltje en spannend, maar weinig meer dan dat. Zoals Spielberg zelf toegeeft, aan sf-klassiekers als Blade Runner of The Matrix hoef je bij het kijken geen moment te denken.

`Minority Report' is te zien in 108 bioscopen.

De Nederlandse vertaling van `Minority Report en andere verhalen' verscheen bij uitgeverij Luitingh Sijthoff in Amsterdam.

    • Dirk Limburg