Van kunst houden m/v

Voor drie grote musea, Boijmans in Rotterdam, het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Gemeentemuseum in Den Haag, zal binnenkort een nieuwe directeur gezocht moeten worden.

De stoelendans kan weer beginnen: er moet een directeur worden gezocht voor Museum Boijmans in Rotterdam. Chris Dercon vertrekt binnenkort van Boijmans naar het Haus der Kunst in München. Over niet al te lange tijd zal ook, gezien zijn leeftijd (en nog los van de huidige verwikkelingen), de positie van Rudi Fuchs in het Stedelijk Museum beschikbaar komen, alsmede die van Wim van Krimpen in Den Haag. Dit is dus een goed moment voor gemeentebesturen en voor de landelijke overheid (want het belang van deze musea overstijgt dat van de afzonderlijke steden) om zich te bezinnen op de vraag over wat de taak van een museumdirecteur inhoudt en over welke capaciteiten hij dient te beschikken. Hier is alle reden toe, want het staat er met de Nederlandse kunstmusea, met name die van de moderne kunst, niet bepaald florissant voor. Waar er tot een jaar of tien geleden een levendig kunstklimaat in ons land bestond dat internationaal op de voet werd gevolgd, zijn al deze musea in snel tempo afgegleden naar een onbetekenende marge. De gebeurtenissen rond het Stedelijk van dit moment zijn vooralsnog het dieptepunt. In dezelfde afgelopen tien jaar zijn de musea voor moderne kunst in het buitenland juist flink uitgebreid, met de Tate Modern in Londen als het meest indrukwekkende voorbeeld. Voor de Nederlandse malaise zijn twee oorzaken te vinden. De eerste is de terugtredende en falende overheid. De tweede is de individualistische, narcistische regentencultuur die de musea in een wurggreep houdt.

Om met het laatste te beginnen: de Werdegang van Dercon illustreert deze regentencultuur. Toen Dercon in 1996 op 36-jarige leeftijd aantrad als directeur van Boijmans had hij in de kunstwereld veel krediet. Dercon was er met een indrukwekkende reeks belangrijke tentoonstellingen van moderne en hedendaagse kunst uit binnen- en buitenland in geslaagd om het kunstcentrum Witte de With internationaal op de kaart te zetten. Maar zijn overstap naar Boijmans bleek een grote vergissing te zijn. Aan zijn beleid ontbrak iedere inhoudelijke samenhang. Zelfs op zijn eigen terrein, dat van de hedendaagse kunst, slaagde hij er niet in om aan het museum richting te geven. In bestuurlijke zin toonde hij zich een chaoot. Intern veroorzaakte hij grote onrust door zijn impulsieve en solistische wijze van besluitvorming. In 1999 leidde een en ander tot een vertrouwensbreuk met zijn conservatoren – drie zijn naar andere musea vertrokken die Dercon ervan beschuldigden het museum `ziek' te hebben gemaakt door zijn wanbeleid. Hierop werd naast Dercon een zakelijk directeur aangesteld.

Dercon vertrekt nu naar München, nog voordat de verbouwing van het museum, die door hem kort na zijn benoeming in gang is gezet maar door allerlei juridische en technische complicaties is vertraagd, voltooid is. Hij laat het museum in alle opzichten in ontluisterde staat achter.

Dercon was een prima donna, die het museum zeer hiërarchisch en tegelijkertijd ongeorganiseerd `bestuurde'. Hetzelfde is aan de hand in het Stedelijk Museum. En ook elders is het patroon: de directeur is gezichtsbepalend voor het beleid, en zijn conservatoren krijgen niet de mogelijkheid zich te ontplooien. Het Boijmans heeft twee uitstekende conservatoren voor moderne kunst in dienst, Jaap Guldemond en Rein Wolfs. Tot op heden hebben we nog niets van hen vernomen.

In het Haags Gemeentemuseum: wie hoort er ooit iets van Franz Kaiser of Hans Janssen? In het Van Abbe en in het Stedelijk is het al niet anders. Conservator worden staat ongeveer gelijk aan jezelf begraven. De manier waarop Nederlandse museumdirecteuren met hun museummedewerkers omgaan is pure kapitaalvernietiging.

Consumentisme

Terwijl de regenten in hun museum op vaak dictatoriale wijze de baas spelen, zijn zij daarbuiten juist zeer slecht in staat gebleken om de belangen van het museum te verdedigen. Het nationale museumbeleid is, onder de druk van de markt en het toenemende consumentisme van de maatschappij, sinds ongeveer 1980 in het teken van kwantiteit komen te staan. Kunst en cultuur zijn een handelsproduct geworden. Musea moeten concurreren met pretparken en ze dienen, vanuit de overheden bezien, aan één eis te voldoen: steeds hogere bezoekersaantallen halen. Het is verbijsterend om te zien hoe weinig de musea zich tegen deze ontwikkeling hebben verzet. Integendeel, ze wringen zich in allerlei bochten om maar bezoekers te trekken. Het belangrijkste wapenfeit van Dercon in Boijmans blijkt nu dus de Jeroen Boschtentoonstelling te zijn geweest, want die trok maar liefst 250.000 bezoekers. Niet dat het erg moeilijk is om met Jeroen Bosch veel bezoekers te trekken.

Een ieder die de expositie heeft bezocht, weet dat deze een ramp was: de schilderijen waren te midden van de consumententroep die het evenement omgaf, en in een postmoderne design-tentoonstellingsopbouw met hellende wanden enzovoort, letterlijk niet te zien.

De overheid dient de voorwaarden te scheppen voor de instandhouding en de overdracht van cultuur. Het klimaat lijkt daartoe nu slechter dan ooit. In de regeringsverklaring wordt zelfs niet over cultuur gerept. LPF-bewindsman en staatssecretaris Cees van Leeuwen wil, zegt hij, `de cultuurkoek' vergroten zonder er geld voor uit te trekken. Hij wil kunst naar de achterstandswijken brengen met behulp van bedrijfssponsoring en voor de musea ziet hij een glanzende toekomst weggelegd dankzij particulier mecenaat oftewel the culture of giving. Het is te hopen, nee het is dringend noodzakelijk dat Van Leeuwen afreist naar Amerika om zich te informeren over de resultaten van deze culture of giving. Enkele van de meest toonaangevende Amerikaanse musea (het Guggenheim, het Whitney) balanceren op de rand van faillissement, en ook het MoMa heeft grote problemen. Het is, nogmaals, zeer te hopen dat Van Leeuwen zich wil verdiepen in de geschiedenis en de aard van de cultuurinstellingen waarvoor hij de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. Daar hoort óók het Stedelijk Museum bij. Helaas bleek deze week bij Barend en Van Dorp dat Van Leeuwen zeer slecht op de hoogte is van de ontwikkelingen rond het Stedelijk en van de onvoorspelbare gedragingen van mevrouw `Belliooh'.

Op gemeenteniveau is het allemaal al niet anders. Rotterdam bijvoorbeeld wilde 8,63 miljoen bezuinigen op kunst en cultuur, inmiddels is dat gelukkig gedaald naar iets meer den 3 miljoen.

Het is de hoogste tijd dat de musea en andere betrokken partijen in de kunstwereld in het geweer komen om de belangen van het museum te verdedigen, en wel in de eerste plaats op inhoudelijke gronden. De bezinning over wat of wie een museumdirecteur behoort te zijn, maakt hier deel van uit. Zo iemand moet een persoon zijn met een grote kennis van de beeldende kunst, en met een inhoudelijke en samenhangende visie op het beleid van zijn museum. Hij dient te weten en uit te kunnen leggen wat zijn museum moet overdragen aan volgende generaties, en waarom. Hij moet iemand zijn met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn personeel. Het is wenselijk dat er ook een zakelijk directeur is, maar dan wel dienend ten opzichte van de artistiek directeur. Een museumdirecteur moet zijn conservatoren weten te inspireren, hen opleiden in de museumwereld, en hun de ruimte geven om zich maximaal te ontplooien. Het is van groot belang dat ook jonge kunsthistorici en tentoonstellingsmakers kansen krijgen om ervaring op te doen.

Charmant

Er is één naam die op dit moment in verband met de opvolging van Dercon steeds genoemd wordt, die van Sjarel Ex, directeur van het Centraal Museum in Utrecht. Ex is aardig, charmant, en geeft, in tegenstelling tot de prima donna's, zijn conservatoren de ruimte. Hij heeft met beperkte middelen en veel creativiteit aandacht weten te werven voor een relatief klein en provinciaals museum. Dit alles pleit voor Ex. Het ontbreekt hem echter aan een overtuigende visie op kunst en cultuur. Net als Dercon is Ex een voorstander van de vermenging van verschillende disciplines (beeldende kunst, vormgeving, mode) en brengt hij een grensvervagend tentoonstellingsbeleid in praktijk. Met steeds nieuwe vondstjes, spektakel en verstrooiing, weet hij de aandacht te trekken. De afgelopen weken was te beluisteren hoe Ex een lofzang zong op de plastic tuinstoel van de firma Hartman, die hij exposeert naast stoelen van Rietveld en die vooral zijn dienst heeft bewezen omdat massa's mensen er blij mee zijn. Kwantiteit wordt aldus vanzelf kwaliteit. Met dergelijke populistische prietpraat is noch het museum noch de kunst gediend. Nee, Ex liever niet.

Het is maatschappelijk bezien gerechtvaardigd en hoog tijd dat er vrouwen worden aangesteld op directeursposities. Het overgrote deel van de werkzame kunsthistorici is vrouw, het overgrote deel van de studenten aan kunstacademies is vrouw, en het merendeel van de beeldende kunstenaars is vrouw. Zij moeten zich eindelijk eens kunnen herkennen en vertegenwoordigd zien in de bestuurlijke structuur van de musea. Nederland loopt wat dit betreft ver achter bij alle andere westerse landen. Als we niet onmiddellijk namen kunnen noemen betekent dat geenszins dat er geen vrouwelijke kandidaten zouden zijn; het betekent eerder dat ze met hun werk bezig zijn in plaats van met zelfpromotie. Maar hier dan toch enkele namen: Els Barents, directeur van Huis Marseille, een Amsterdams museum voor fotografie; Antje von Graevenitz, hoogleraar moderne kunst in Keulen en bekend publicist op het gebied van de hedendaagse kunst; Lily van Ginniken, directeur van Stroom in Den Haag, een gemeentelijke instelling voor kunst in de openbare ruimte; Helen van der Mey, internationaal toonaangevend kunstagent, wonend in Londen, met contacten over de hele wereld; Jikkie van der Giessen, ex-wethouder van cultuur in Amsterdam, tegenwoordig directeur van het hbo-kunstenonderwijs in Rotterdam zij het dat deze laatste eerder een manager dan een artistiek directeur is. Er zijn er meer, en er zijn ook jongere vrouwen te noemen.

Het belangrijkste is dat er aan de top van de musea mensen komen die er niet voor terugdeinzen zichzelf weg te cijferen, die tot alles bereid zijn als hun museum maar tot bloei komt. Een museumdirecteur moet iemand zijn die van kunst houdt en daarmee niet zichzelf, maar het museum wil profileren.

    • Janneke Wesseling