PvdA onderschat het lijden van moslimvrouwen

Sociaal-democratie betekent opkomen voor de zwakken in de samenleving. Maar de PvdA vergeet de problemen van vrouwelijke moslims en schat de verhoudingen in de moslimgemeenschap verkeerd in, vindt Ayaan Hirsi Ali.

Tien jaar geleden ben ik naar Nederland gekomen. Ik ben afkomstig uit een gebied waar democratie, rechtsstaat en vrije meningsuiting een droom zijn. En dan kom ik hier en ontdek ik dat het kan bestaan. Voor jullie zijn die vrijheden vanzelfsprekend geworden, en tot mijn verbijstering merk ik: jullie relativeren dat allemaal weg. In dit land ben ik bekeerd tot de sociaal-democratie. Wat ik daar zo aantrekkelijk aan vind, is het uitgangspunt dat de mens met rede is begaafd en op grond daarvan in staat is zich door arbeid te ontplooien. Dat betekent in de sociaal-democratie dat iemand die voor een dubbeltje geboren is wel degelijk een kwartje kan worden.

Maar langzamerhand vraag ik mij af hoe sociaal-democratisch de PvdA nog is. Waarom maakt ze zich sterk voor onderwijs gebaseerd op geloof, gewoonte en macht? Waarom verdedigt ze een beleid dat heet `integratie met behoud van eigen ideniteit? Eigenlijk krijg ik als allochtoon te horen: ,,U heeft recht op uw eigen achterlijkheid.''

Sociaal-democratie betekent opkomen voor de zwakkeren in de samenleving. Dat zijn nu vooral de vrouwen en kinderen binnen moslimkring. Zij hebben niet dezelfde grondrechten die Nederlandse vrouwen en kinderen hebben – wel op papier, maar vaak niet in de praktijk van alledag. Dit veroorzaakt enorm psychisch lijden, maar ook fysiek, zoals de populatie in wegloophuizen laat zien.

Als ik dit aan de kaak stelde binnen de PvdA (of binnen de Wiardi Beckman Stichting), kreeg ik vooral te horen: ,,Ach, zo was het dertig jaar geleden bij ons ook.'' Maar is die nabije historie werkelijk vergelijkbaar met de situatie van moslimvrouwen in Nederland? Dat lijkt me een kwetsende relativering van het lijden en een onderschatting van de verhoudingen binnen de Nederlandse moslimgemeenschappen. Of misschien is het gewoon onverschilligheid. Dat zou pas echt erg zijn.

Het is waar dat vrouwenemancipatie hier nog maar betrekkelijk recent tot algemeen aanvaard streven is geworden. Nog niet zo lang geleden werd actie gevoerd met leuzen als `als een vrouw nee zegt, bedoelt ze nee', en stond een werkende moeder vaak gelijk aan een ontaarde moeder. Ook het `gemengd' huwen werd zo'n vier à vijf decennia geleden met gemengde gevoelens bekeken. Maar de afkeuring daarover, en de eventuele sanctie daarop, stonden in geen verhouding met wat nu in Nederland gebeurt als een moslimvrouw zou willen trouwen buiten haar religie. Als íets de integratie bevordert, is het moslima's de vrijheid geven te trouwen met een zelfgekozen partner. Desnoods een Nederlander, desnoods een lesbienne. Maar dat wordt gezien als verraad en als onzedelijk.

De voorstanders van een islamitische zuil verwijten mij dat ik een wij-zij tegenstelling creëer. Hoewel de politieke infrastructuur van de verzuiling in het verleden heeft geholpen bij het depolitiseren van de tegenstellingen tussen verschillende gemeenschappen, is deze oplossing niet langer bruikbaar. De zelfbenoemde politieke leiders van de moslimgemeenschap hebben er juist belang bij dat de leden van de eigen gemeenschap bij elkaar blijven. De emancipatie van het individu is ondergeschikt aan het instandhouden van de etnische-religieuze groep. De leiders zullen trachten te voorkomen dat die gemeenschap opgaat in een groter geheel, de Nederlandse samenleving, want daarmee verdwijnt het fundament van hun leiderschap.

Wat mij ernstig verontrust, is dat de PvdA vrouwen en meisjes van moslimafkomst lijkt te beschouwen als tweederangs burgers. Wat vanzelfsprekend is aan vrijheden voor Nederlandse vrouwen, is dat kennelijk niet voor moslimvrouwen. Waar de PvdA ooit hartstochtelijk pleitte tegen de apartheid in Zuid-Afrika, geeft men nu ruimhartig subsidie aan mosliminstellingen die de apartheid in Nederland propageren. Moslimvrouwen dienen tot elke prijs binnen de eigen groep te worden gehouden. Alle pogingen daartoe worden niet alleen door de hedendaagse sociaal-democratie van harte toegejuicht (behoud van eigen cultuur), maar zelfs grootscheeps gesubsidieerd.

Als de term in de politiek-correcte schermutselingen van de afgelopen jaren niet zo zwaar beladen was geworden, zou ik zeggen: alles wijst op het motto `eigen volk eerst'. Het extreem-rechts van Janmaat verguis je, het extreem-rechts van de conservatieve islamieten bescherm je en subsidieer je. En wie beschermt de slachtoffers? In de moslimbeleving is de vrouw groepsbezit: zij staat ten dienste, allereerst van haar ouders, en later van haar man en de kinderen. Buiten de eigen etnische groep mag zij niet treden.

Steeds als ik de onderdrukking van moslimvrouwen aankaart, word ik gewezen op de zichtbare positieverbetering van de derde generatie. Ik zie inderdaad dat de aantallen meisjes op mbo en hbo van Marokkaanse en Turkse afkomst snel toenemen. Maar schijn bedriegt. Ik zie dezelfde aantallen niet meer terug op de arbeidsmarkt, of ik zie ze één of twee jaar, en daarna glijden ze terug in het dwingelandij van traditie, geloof en groepscultuur. Ze worden uitgehuwelijkt of, onder zware familiedruk, aangepraat om te trouwen, het liefst met een familielid uit het dorp van herkomst. De cijfers van de importhuwelijken liegen er niet om. Ze liggen tussen de 70 en 80 procent. Begin twintig krijgen deze vrouwen hun eerste kind. Van een carrière komt weinig terecht. Ik zie deze meisjes en vrouwen weer terug in wegloophuizen, ze zijn vaak in Nederland geboren, of op jonge leeftijd naar Nederland gekomen. Ze zijn hier opstandig geworden en schikken zich niet meer zoals hun moeders.

Alle vrijheden die voor sommigen als vanzelfsprekend gelden: verliefd worden, een avondje uit, logeren bij een vriendin, een middagje winkelen, zwemmen, bioscoop of theaterbezoek, stuit op het roddelen bij vrouwen in eigen kring en het onverbiddelijke krijsen van een vader of een broer of een man: waar was je?

Een cultuur van dubbele moraal geldt: hoewel jongens en mannen veel vrijheid genieten, willen ze niets weten van zusters of echtgenoten `met een grote mond' of `losse vrouwen'. Hoeren! De eer-en-schande cultuur lijkt alleen van toepassing te zijn op de vrouwen. Het zijn de meisjes die in hun bewegingsvrijheid worden beperkt, zij moeten hun maagdenvlies laten herstellen, zij worden geslagen en geschopt. Wij weten het, maar willen het niet benoemen. Zo betalen deze vrouwen de prijs voor de lieve vrede en kunnen de zogenaamde belangenbehartigers van het multiculturele ideaal rustig gaan slapen.

Religie in Nederland is een keuzemogelijkheid. Je kunt je bekeren tot de kerk of tot Kuitert. In de islam kun je er wel voor kiezen moslim te worden. Alleen staat de voordeur open, de achterdeur zit stevig op slot. Over christelijke afvalligheid is mooie literatuur geschreven, en de auteurs daarvan zijn niet in de ban gedaan, maar hebben een breed, waarderend publiek. Moslimafvalligheid levert alleen hate mail, bedreigingen en desnoods een fatwa op. Ook in Nederland.

Veel moslim-belangenbehartigers houden er een dubbele agenda op na. Men belijdt met de mond de integratie, maar ijvert voor apartheid. Integratie is niet gebaat bij het instellen van islamitische scholen. Zelfs Balkenende gaf in een interview, vorig jaar in Het Parool, toe dat bijzondere scholen die uitsluitend zijn gebaseerd op religie, langzamerhand een achterhaalde zaak zijn. Wie werkelijk wil integreren, door zich te ontworstelen aan de groepsidentiteit, pleegt verraad. De publieke discussie van de afgelopen weken heeft dat wel duidelijk gemaakt. Wie kan beter gefundeerde kritiek leveren op een groep dan iemand die zich daaraan ontworsteld heeft. Dan heb je kennis van binnenuit.

Maar in de moslimgemeenschap is gefundeerde kritiek verachtelijke kritiek, het is `pissen op de eigen groep'. Als ik een pleidooi houd voor werkelijke integratie, als ik mijn, in dit land zo vanzelfsprekende, eigen plaats vraag om in een publiek debat argumenten uit te wisselen, dan `sjans ik met Nederlanders' en ben ik een `bounty – zwart van buiten, wit van binnen'.

Het geeft aan hoe gering de werkelijke bereidheid tot integratie is van de zogenaamde moslimleiding. En met hoeveel geringschatting binnenskamers wordt gedacht over cultuur en inwoners van dit gastland: de heidenen. De ongelovigen zullen branden, werd op 11 september vorig jaar op de Nederlandse moslimtelevisie gezegd. Een foutje, haastte men zich te verzekeren toen de torens van het WTC die dag brandden, het was slechts een herhaling. Hoe vaak zijn deze woorden al herhaald – op televisie, in de moskee, in het islamitisch onderwijs.

Ahmed Aboutaleb betoogde in de Volkskrant van 28 september dat ik de moslims stigmatiseer, als ik beweer dat de integratie is mislukt. Letterlijk zei hij: ,,Objectief gezien gaat het goed met de integratie.'' Kennelijk is hij niet op de hoogte van de feiten. Als het om onderwijs gaat is de schooluitval 20 à 25 procent. Slechts eenderde van de moslimallochtonen heeft een betaalde baan voor onbepaalde tijd. Tweederde van de moslimmigranten ontvangt een uitkering.

De immigranten in de jaren zeventig waren in de meeste gevallen boeren uit de Anatolische hoogvlakte en de centrale en oostelijke Rif van Marokko, gebieden met een harde overlevingscultuur en afkeer van iedere vorm van overheid het tegendeel dus van ons poldermodel. De immigratie heeft fysiek plaatsgevonden, niet geestelijk. Dat geldt zelfs voor televisie. Wat als heimweeschotels is begonnen, zijn nu indoctrinatieschotels geworden. Erger nog, onderzoek heeft uitgewezen dat de Arabische zenders voor veel schotelkijkers hun enige informatiebron is geworden. Zij hebben hun kabelabonnement op Nederlandse zenders allang de deur uitgedaan.

Investeren bleef men doen in het thuisland, niet in Nederland. Zo zijn in Marokko hele nieuwbouwdorpen verrezen met geld van hier levende immigranten. Dat verklaart ook de steeds terugkerende strubbelingen tussen Nederland en Marokko over bijstandsfraude. Marokko weigert Nederlandse ambtenaren inzage in het kadaster. Ali Lazrak, zeer goed ingevoerd in immigrantenkring, schat dat 80 à 90 procent van zijn landgenoten een of meer huizen in Marokko heeft gekocht.

De grote dooddoener in het migrantendebat is altijd geweest: jullie Nederlanders hebben ze hier naartoe gehaald, om het zware en vuile werk te doen dat jullie zelf niet wilden doen. Dat kan zo zijn, maar het is geenszins de oorzaak voor het grote aantal immigranten in de wao. Toen de fabrieken sloten, en laaggekwalificeerde arbeid niet meer nodig was, was de wao eerder een simpele wegwerkregeling. Elegant naar de werknemers, die levenslang verzekerd waren van een uitkering, en uitermate goedkoop voor de werkgevers, die hun verantwoordelijkheid hiermee afschoven op de gemeenschapskas.

Onlangs las ik dat vage rugklachten allang niet meer als reden hoeft te worden aangevoerd om in de wao te komen. Tegenwoordig is volgens de keuringsdeskundigen het niet spreken van de Nederlandse taal voldoende.

Steeds heb ik van u gehoord: ,,Ach, 30 jaar geleden was het bij ons ook zo.'' Wie het bij die uitspraak laat, laat hele generaties migrantenvrouwen en kinderen aan hun lot over.

Ayaan Hirsi Ali is politicologe. Bovenstaande tekst is een bewerkte versie van haar toespraak op 2 oktober tot de Tweede-Kamerfractie van de PvdA, en waarop NRC Handelsblad de hand heeft weten te leggen.